De planeet gaat ten onder – dankzij de mens

Welkom in het Antropoceen

De mensheid is uitgegroeid tot een kracht van geologische proporties en dat heeft onvoorziene gevolgen. Al het leven op aarde wordt in gevaar gebracht. ‘Wij zijn een dom en gevaarlijk wezen.’

Medium cleo 20wa cc 88chter  20tweedemaasvlakte rotterdam

Hoe laat je een boodschap achter voor mensen die over tienduizend jaar leven? In 2006 riep het Amerikaanse Congres een commissie in het leven die zich over deze opmerkelijke vraag moest buigen. Aan haar de taak om een ‘taal’ te vinden die deze gigantische tand des tijds kan doorstaan. Het blijkt geen eenvoudige opgave voor de verzamelde taalkundigen, antropologen, neurowetenschappers, psychologen, kunstenaars, biologen en classici. Ze bestuderen klassieke teksten en primitieve communicatiemiddelen, maar de geschiedenis biedt nauwelijks aanknopingspunten. Antieke geschriften gaan ‘slechts’ een paar duizend jaar terug en symbolen hebben zelden een eenduidige betekenis. De swastika betekende in 6000 voor Christus iets heel anders dan in 1940.

Er valt met geen mogelijkheid een zinnige voorspelling te doen over het leven in het jaar 12.000, maar de verre toekomst moet gewaarschuwd worden. ‘Pas op! Op deze plek ligt giftig afval opgeslagen’, luidt het bericht in hedendaags Nederlands. Radioactieve restanten uit kerncentrales verliezen pas na vele duizenden jaren hun schadelijke straling. Als over een paar millennia per abuis zo’n afvaldepot wordt opengebroken levert dat alsnog ellende op. Met kernsplijting hebben we een techniek in handen gekregen waarvan de gevolgen onvoorstelbaar lang nagalmen. De moderne mens trekt diepe sporen die zich niet eenvoudig laten uitwissen.

Lange tijd was onder geologen de communis opinio dat de mens een nietig wezen is. Teken een tijdlijn van de geschiedenis van onze planeet en je begrijpt waarom. Op de geologische tijdschaal stelt de periode van menselijke beschaving niets voor. De aarde is 4,6 miljard jaar oud, geologische tijdperken beslaan miljoenen jaren, maar homo sapiens dook pas 250.000 jaar geleden op. Een flits in de eeuwigheid. Dus hoezeer we onszelf ook bejubelen om onze inventiviteit of onszelf verachten om de schade die we aanrichten, in het grote geheel is de mens geen factor van belang.

Dat beeld begint te kantelen. We leven in het Antropoceen, klinkt het steeds vaker. In krantenartikelen over het klimaat of de natuur valt het woord bijna terloops, alsof het concept al volledig is ingeburgerd in ons vocabulaire. ‘Het tijdperk van de mens’, verdere uitleg wordt vaak overbodig geacht. Musea organiseren tentoonstellingen over het Antropoceen, er zijn ted-talks over ‘liefde in het Antropoceen’, er wordt ‘muziek voor het Antropoceen’ gecomponeerd, en wetenschappers uit allerlei disciplines, van filosofie tot mediastudies, gaan met de term aan de haal.

Het was een Nederlander, atmosferisch scheikundige Paul Crutzen, die het begrip in 2000 introduceerde. Op een conferentie in Mexico floepte de Nobelprijswinnaar (voor zijn onderzoek naar het gat in de ozonlaag) het er zomaar uit: ‘Nee! We leven niet langer in het Holoceen, maar in het Antropoceen.’ Het bleek een aanstekelijk begrip, dat snel werd opgepikt in academia en daarbuiten. Maar een officiële status heeft het Antropoceen nog niet. Nóg niet, inderdaad, want zelfs voor geologen wordt het moeilijker om vol te houden dat de mens een onbeduidend schepsel is. Sinds de oprisping van Crutzen is een discussie losgebarsten of de wereld daadwerkelijk een nieuw geologisch tijdperk is binnengetreden. Een werkgroep van de Internationale Commissie van Stratigrafie moet binnenkort uitsluitsel bieden.

Dat de aarde een door en door menselijke planeet is geworden staat buiten kijf. Wij bepalen hoe rivieren stromen, waar landbouwgewassen groeien, en wat ‘ongerepte natuur’ mag blijven. Versteende plantenresten die miljoenen jaren lagen opgeslagen in de bodem worden massaal opgegraven en verbrand. Vis wordt met bakken tegelijk uit de oceaan geschept. Overal ter wereld laat de mens zijn vingerafdrukken achter en dat heeft onvoorziene, vaak ongewenste gevolgen. Het Antropoceen is evenzeer een erkenning van de uitzonderlijke kracht van de mens als een collectief brevet van onvermogen. Het afkondigen van het tijdperk van de mens gaat gepaard met de roep om een nieuw bewustzijn. De mens moet zich realiseren dat hij het stuur van moederschip aarde in handen heeft – en er dient flink bijgestuurd te worden om niet te crashen.

‘Stel, je bezoekt deze planeet over een paar miljoen jaar. Kun je dan de sporen vinden die mensen nu achterlaten? Het is onze taak om dat te onderzoeken.’ Jan Zalasiewicz is het hoofd van de werkgroep die bepaalt of het Antropoceen een officieel stempel van erkenning krijgt. De tekenen moeten zichtbaar zijn in aardlagen, zegt hij. Zo werkt geologie. ‘Dat is een ingewikkeld en langdurig proces’, vertelt de Poolse geoloog, die als hoogleraar verbonden is aan de Universiteit van Leicester. ‘Het is een zoektocht naar Golden Spikes, zoals dat heet, fysiek bewijs waaraan je een geologische breuklijn kunt aflezen. IJskernen, gefossiliseerde roetdeeltjes, misschien zelfs een boomring. Daar jagen we nu op. Als we voldoende van dat soort indicatoren hebben verzameld, kunnen we zeggen of het Antropoceen geldt als een geologisch tijdperk.’

Het is een zuiver wetenschappelijke uitdaging, benadrukt Zalasiewicz. Bewijs vinden en analyseren: zo ging het bij het Cambrium, het Krijt en het Pleistoceen. Maar natuurlijk beseft Zalasiewicz heel goed hoe uniek zijn opdracht is. Hoe vaak krijg je nou de kans om een nieuwe epoche uit te roepen? ‘Het Antropoceen is een groot idee, het heeft iets sciencefictionachtigs’, zegt hij. ‘Normaal gesproken zijn de meeste mensen niet zo geïnteresseerd in ons werk. Nu komen we geen aandacht te kort.’

Medium cleo 20wa cc 88chter groeve 20 t 20rooth eijsden margraten

Volgens Zalasiewicz zijn er goede argumenten voor aan te dragen dat onze soort is uitgegroeid tot een kracht van geologische proporties. Kijk bijvoorbeeld naar de concentratie CO2 in de atmosfeer. Die is ongekend hoog. Sinds het begin van de mensheid schommelde die tussen de 180 en de 280 parts per million (ppm), maar inmiddels zijn we de 400 ppm gepasseerd. En van het gehele landoppervlak heeft de mens ruim 75 procent in gebruik voor landbouw of bebouwing – voor wilde flora en fauna is er steeds minder plek.

Een paar jaar geleden becijferde de Canadese wetenschapper Vaclav Smil het totale gewicht van alle dieren op aarde, van vogels tot vissen, van zoogdieren tot insecten. Dat splitste hij vervolgens op in drie categorieën: mens, gedomesticeerde dieren en wilde dieren. Mensen bleken goed voor dertig procent van de totale dierenmassa; huisdieren en vee hadden een aandeel van 67 procent. Voor alle wilde beesten op aarde bleef er slechts een schamele drie procent over. Voor het schokeffect: zo’n duizend jaar geleden lag het ‘wild-percentage’ waarschijnlijk rond de 98.

In haar boek The Sixth Extinction waarschuwt _New Yorker-_redacteur Elizabeth Kolbert voor een naderende ramp. Sinds het begin van de geschiedenis zijn er vijf momenten geweest waarop diersoorten massaal uitstierven. Het laatste, dat onder meer de dinosauriërs de das omdeed, was 66 miljoen jaar geleden. Als we wetenschappers mogen geloven bevinden we ons nu aan de vooravond van een zesde uitstervingsgolf. In plaats van een supernova, vulkaanuitbarsting of meteorietinslag is het ditmaal de mens die blaam treft.

‘Geen enkel schepsel heeft het leven op deze planeet ooit op zo’n manier veranderd en toch hebben er vergelijkbare gebeurtenissen plaatsgevonden’, schrijft Kolbert. In het boek, waarmee ze de Pulitzer Prize voor non-fictie won, vervlecht ze reportages uit het Amazonewoud of het Andesgebergte moeiteloos met de laatste inzichten uit de aardkunde en biologie. Doordat ze de mens in geologisch perspectief plaatst wordt haar toch al zorgwekkende boodschap nog een tikkeltje angstaanjagender.

Voor Will Steffen is de enorme verandering in de biosfeer het voornaamste bewijs dat we in een tijd van menselijke dominantie leven. Samen met Paul Crutzen geldt de Australische wetenschapper als een van de voornaamste pleitbezorgers van het Antropoceen-concept. ‘Begrijp me niet verkeerd’, zegt hij aan de telefoon, ‘klimaatverandering is ontzettend zorgwekkend. Het is goed dat daar steeds meer aandacht voor komt. Maar het tempo waarin diersoorten verdwijnen is minstens zo verontrustend. Als we niets doen gaan we inderdaad in de richting van een nieuwe massa-uitsterving. Dat zou een gigantische gebeurtenis zijn.’

Steffen is wat met een lelijk anglicisme een aardsysteemkundige heet, een earth system scientist. Het is een relatief jonge tak van wetenschap met een holistische benadering. Alles is met elkaar verbonden – voor aardsysteemkundigen is het geen zweverige hippie-wijsheid, maar een vruchtbare methodiek. Klimaatverandering en een verlies van biodiversiteit kunnen onmogelijk begrepen worden als geïsoleerde verschijnselen. Een verandering in de atmosfeer heeft een impact op de biosfeer en vice versa. Dat delicate samenspel tussen verschillende sferen bepaalt de voorwaarden voor het leven op aarde.

Onze soort heeft zich gedragen als een zwerm sprinkhanen, die de planeet rücksichtslos heeft kaalgevreten

‘Als je teruggaat in de verre geschiedenis – in de “diepe tijd”, zoals geologen dat noemen – kun je verschillende toestanden ontwaren’, zegt Steffen. ‘In de laatste vijfhonderdduizend jaar wisselde het keurig af tussen lange glaciale en kortere warme periodes, dat ging op en neer als een soort hartslag. Op dit moment zitten we in een ongewoon lange warme periode, die begon met het Holoceen, ongeveer elfduizend jaar geleden. In die periode kwam de menselijke beschaving tot bloei en konden we loskomen van onze rol als jagers en verzamelaars. Wat we nu zien is een razendsnelle verandering die deze stabiele condities bruut verstoort.’

‘Omstandigheden op aarde veranderen traag en geleidelijk’, schrijft Kolbert in The Sixth Extinction, ‘behalve wanneer ze dat niet doen.’ Massale uitstervingsevenementen zijn het gevolg van catastrofes, momenten van ecologische paniek. ‘Plotseling worden organismen geconfronteerd met omstandigheden waar ze evolutionair totaal niet op voorbereid zijn.’ Dat is precies wat er nu gebeurt. In een kort tijdsbestek heeft de mens ecosystemen op allerlei manieren in de war geschopt: we brachten vreemde dieren mee naar uitheemse oorden, verwarmden de oceanen en bouwden steden in de wildernis. ‘Het is aanlokkelijk om te denken dat er een tijd was waarin de mens in harmonie met de natuur leefde’, schrijft Kolbert, ‘maar het is lang niet zeker dat hij dat werkelijk ooit deed.’

Als we inderdaad leven in het Antropoceen, wanneer is dat tijdperk dan begonnen? Wanneer werd de mens zo machtig dat hij Koning Natuur naar de kroon stak? Toen Paul Crutzen met de term op de proppen kwam, had hij de industriële revolutie als beginpunt in gedachten. Dat was de periode waarin er massaal fossiele brandstoffen werden verstookt. Collega’s wezen direct op een andere revolutie die zo mogelijk een nog grotere impact had: het begin van agricultuur, zo rond 10.000 voor Christus. Toen al zette de mens de natuur drastisch naar zijn hand.

Inmiddels wijzen de meeste wetenschappers een veel recenter beginpunt aan. Ongeveer halverwege de twintigste eeuw kwam de menselijke ontwikkeling op allerlei vlakken in een stroomversnelling. The Great Acceleration heet die periode in de geschiedenisboeken. Of het nu gaat om het aantal dammen in rivieren, de omvang van toerisme of de consumptie van papier, in grafieken schiet de lijn vanaf 1950 steil omhoog. Volgens bioloog E.O. Wilson deed de menselijke bevolkingsgroei in de twintigste eeuw eerder denken aan de vermenigvuldiging van bacteriën dan van primaten.

‘Het zou betekenen dat mijn ouders in een ander geologisch tijdperk zijn geboren dan ikzelf’, zegt geoloog Zalasiewicz. ‘Een gekke gedachte, maar de aanwijzingen zijn te sterk om te negeren. Na de Tweede Wereldoorlog gebeurt er echt iets ongehoords. We beginnen ons leven op aarde op een radicaal andere manier in te richten. De groei van de wereldeconomie en het gebruik van grondstoffen exploderen en dat heeft ver reikende consequenties.’

In de tijd van een mensenleven steeg de concentratie broeikasgassen meer dan in de miljoen jaar daarvoor. Diersoorten legden massaal het loodje. Bommen lieten littekens achter op de aardkorst. Oceanen werden gevuld met ‘plastic soep’. ‘Eigenlijk’, zegt Zalasiewicz, ‘maakt het voor de geologische discussie niet eens uit wat de drijvende kracht is. Ook als mensen helemaal geen rol hadden gespeeld, zijn de signalen onmiskenbaar.’

Maar de mens is wel degelijk de oorzaak, juist daarom is het Antropoceen zo’n beladen concept. Het Antropoceen is geen neutrale beschrijving, maar velt een oordeel. De mens (‘anthropos’) is de schuldige. Onze soort heeft zich gedragen als een zwerm sprinkhanen, die de planeet rücksichtslos heeft kaalgevreten en nu de rekening gepresenteerd krijgt.

Het is een diagnose die lang niet bij iedereen in de smaak valt. Vooral vanuit de sociale wetenschappen klinkt de kritiek dat de term niet precies genoeg is. Waarom belandt de gehele mensheid in het beklaagdenbankje? In hun boek The Shock of the Anthropocene behandelen de Franse geschiedkundigen Christophe Bonneuil en Jean-Baptiste Fressoz allerlei alternatieve benamingen. Het ‘Angloceen’, bijvoorbeeld. Want waren het niet vooral de Engelsen en de Amerikanen die CO2 de atmosfeer in begonnen te pompen?

Onder marxisten is het ‘Capitoloceen’ in zwang. We leven immers niet in het tijdperk van de mens, maar in het tijdperk van het kapitaal. Pas met de opkomst van een kapitalistische economie is de mensheid het pad naar de verdoemenis ingeslagen, betogen linkse hardliners. Ecologische verloedering zou inherent zijn aan een economisch systeem dat draait op de uitputting van natuurlijke rijkdommen. Door een term als het Antropoceen blijft het kapitalisme ten onrechte buiten schot.

‘Het is helemaal niet aan sociologen of politicologen om een naam te geven aan geologische tijdperken – laat dat lekker aan geologen over.’ De Australische filosoof Clive Hamilton wordt hondsdol van dit soort semantische spelletjes. ‘Andere wetenschappelijke disciplines annexeren de term en verstoren zo het debat. Met de benaming van het Krijt bemoeiden ze zich toch ook niet?’

‘Ik geloof ook niet dat “het Capitoloceen” een accurate beschrijving is’, vervolgt Hamilton. ‘Het is eerder een vorm van technologische industrialisatie dan het kapitalisme an sich dat de boosdoener is. De Sovjet-Unie gold destijds als een van de grootste vervuilers. En het verhaal dat vooral het Westen schuld draagt aan de CO2-uitstoot begint achterhaald te raken. China is nu al veruit de grootste vervuiler en zal binnen vijftien jaar waarschijnlijk de VS voorbij steken in totale historische emissies.’

Medium cleo 20wa cc 88chter julianagroeve cadier 20en 20keer

Hamilton staat bekend als een notoire zwartkijker, al beschouwt hij zichzelf liever als een van de weinigen die de feiten onder ogen durven te zien. Als ethicus heeft Hamilton zich de afgelopen twintig jaar ondergedompeld in de klimaatwetenschap. Hij las het ene alarmerende rapport na het andere, ploegde door stapels droevig makend onderzoek – bijna stortte het hem in een depressie, maar hij dwong zichzelf de gifbeker leeg te drinken. In 2010 verscheen Requim for a Species, waarin hij tot de onverbiddelijke conclusie komt dat het al te laat is om de wereld te redden. Het beperken van de schade is het hoogst haalbare.

Dat is ook de kracht van het Antropoceen, vindt Hamilton. Het erkent dat we de veilige haven hebben verlaten en dat er geen weg meer terug is. ‘Het beschrijft een radicaal nieuwe fase in de verhouding tussen mens en planeet. Het Antropoceen moet zorgen voor een revolutie in ons denken.’

Toen Charles Darwin in 1859 zijn On the Origin of Species publiceerde had dat op z’n zachtst gezegd een ontnuchterend effect. Nog los van de schok voor vrome gelovigen bracht het befaamde boek ons zelfbeeld een ferme tik toe. De evolutietheorie zette de mens op z’n plaats: onze soort is geen verheven schepsel, maar een dier dat gemeenschappelijke voorouders deelt met apen. We zijn wellicht gezegend met een zelfbewustzijn en een bovengemiddeld brein, maar we blijven een biologisch product.

‘Het is misplaatst om nu te denken: geen zorgen, technologie lost het allemaal wel op’

Het Antropoceen vormt volgens Hamilton een paradigmashift van dezelfde categorie. Niet dat de evolutietheorie nu plots gedateerd is, maar we worden opnieuw gedwongen ons wereldbeeld bij te stellen. De mens is wel degelijk een exceptioneel schepsel met een bijzondere positie in de natuurlijke orde: we zijn een destructieve diersoort die ten onder dreigt te gaan aan zijn eigen succes. Dat we dit nu beginnen te beseffen kán onze redding betekenen, al is de vraag welke conclusies we hieraan verbinden.

‘De aarde is een design space’, zegt Braden Allenby, hoogleraar civil and environmental engineering aan de Universiteit van Arizona. ‘Wanneer we dat eenmaal inzien kunnen we onze verantwoordelijkheid niet meer ontlopen.’ Het grenzen-aan-de-groei-verhaal is niet aan hem besteed, in tegenstelling tot Hamilton beschouwt hij het Antropoceen niet als een ramp, maar vooral als een kans. Naast zijn universitaire baan is Allenby actief bij het Breakthrough Institute, een onderzoekscentrum dat zich inzet om ‘de transitie te versnellen’ en ‘de milieubeweging te moderniseren’. De wetenschappers bij het Breakthrough Institute vertrouwen erop dat slimme technologie uiteindelijk uitkomst kan brengen. Tot nu toe hebben mensen onbewust vormgegeven aan de planeet, met alle gevolgen van dien, maar nu we ons realiseren dat wij de teugels in handen hebben, kunnen we in de juiste richting sturen.

Dit is een tijd van ongekende technologische sprongen – een ‘nieuwe fase in de evolutie’, durft Allenby zelfs te stellen. Met grote stappen beent hij door de bewijzen van ons technische vernuft – _big data-_analyses, kunstmatige intelligentie, nanotechnologie, allemaal technologie met een verbluffend potentieel. Zijn verhaal is overgoten met een sterke scheut techno-optimisme. ‘Er lopen nu al millennials rond die honderdvijftig zullen worden. Nog even en het is mogelijk om een mens te ontwerpen die praktisch onsterfelijk is.’

Als we als soort willen overleven, zullen we onze dominantie over de natuur juist moeten verstevigen, denkt Allenby. Het lijkt een volstrekt logische vervolgstap. Terugkeren naar het Holoceen gaat immers niet. De geologische geschiedenis is een one way street, dus er zit weinig anders op dan ons aan te passen aan de nieuwe omstandigheden.

Dat er steeds meer onderzoek wordt gedaan naar geo-engineering, het grootschalig sleutelen aan klimaatsystemen, juicht Allenby toe. Als de mens is uitgegroeid tot een geologische kracht moet hij zich daar naar gaan gedragen. We zitten vastgeroest in wat Allenby de ‘Nancy Reagan-reactie’ noemt: net zoals de presidentsvrouw de war on drugs dacht te kunnen winnen door jongeren op het hart te drukken ‘nee’ te zeggen tegen drugs, geloven wij dat we de strijd tegen klimaatverandering kunnen winnen door fossiele brandstoffen af te zweren. ‘Er zal meer voor nodig zijn. We hebben de morele verantwoordelijkheid om alternatieven te verkennen.’

Technisch zou het bijvoorbeeld prima mogelijk zijn om zwaveldeeltjes in de stratosfeer te spuiten, waardoor inkomend zonlicht weerkaatst wordt. Of we kunnen de oceanen bewust besmetten zodat er extra plankton groeit dat CO2 opneemt. IJverig zoeken techno-optimisten naar een manier waarop de planetaire thermometer naar beneden kan worden gedraaid.

‘Sommige mensen lijden werkelijk aan waanvoorstellingen’, zucht filosoof Hamilton. Voor zijn boek Earth Masters verdiepte hij zich in geo-engineering. Het is ronduit megalomaan om te denken dat wij het klimaat naar onze hand kunnen zetten, vindt hij. ‘De les die getrokken moet worden uit het Antropoceen is dat de mens een uitzonderlijk wezen is, maar evengoed een uitzonderlijk dom en gevaarlijk wezen. We zien nu overal het bewijs dat we onze macht verkeerd gebruikt hebben, waardoor al het leven op aarde in gevaar wordt gebracht. Er bestaat een reële mogelijkheid dat de o zo machtige mens zijn eigen uitsterven veroorzaakt.’

Veel geo-engineering oplossingen zijn bovendien kortzichtige symptoombestrijding, vult aardsysteemkundige Will Steffen aan. Als geen ander weet hij hoe fragiel de balans van het planetaire systeem is. ‘Sommige voorstellen zijn niet goed doordacht’, stelt Steffen. ‘De redenering is: “Oei. De aarde is te warm, laten we hem afkoelen.” Het is een soort speeltuinbenadering, zonder dat serieus wordt nagedacht over mogelijke neveneffecten. Het is ongelooflijk arrogant om te denken dat wij zoiets complex als het aardsysteem kunnen managen.’

Maar, zo stelt hij terecht, de term geo-engineering is niet zo eenduidig. Een stad die de daken wit schildert om zonlicht te weerkaatsen, is dat geo-engineering? Of het planten van nieuwe bossen om de CO2-opname te bevorderen? Natuurlijk moeten we gebruik maken van dat soort methodes, zegt Steffen: ‘We moeten onderzoek doen naar technieken die erop gericht zijn om de druk die mensen uitoefenen op de aarde te verlichten.’

Ook Hamilton is ‘absoluut niet anti-technologie’. Er zijn zat zinvolle methodes waarmee we ecologisch leed kunnen verzachten. De filosoof maakt een onderscheid tussen technieken die op lokale schaal worden toegepast en methodes die een planetaire impact zouden hebben. Een Indiër die de bergwand wit verft en met speciale irrigatietechnieken een kunstmatige gletsjer kan laten ontstaan? Hartstikke goed. Een zonnescherm van ‘zwavelwolken’? Liever niet.

Niet alleen hekelt Hamilton de naïeve hoogmoed achter dat soort plannen, het is ook een recept voor geopolitieke chaos. Want wie bepaalt hoe warm het is op aarde? Misschien zijn de Russen wel gebaat bij een graadje meer, terwijl de Amerikanen het liever koeler hebben. Hamilton: ‘Het is onze plicht om technologie met grotere zorg in te zetten. Onze acties hebben ervoor gezorgd dat de planeet in een gevaarlijke toestand terecht is gekomen, het is misplaatst om nu te denken: geen zorgen, technologie lost het allemaal wel op.’

Op internet circuleerde onlangs een filmpje dat toont wat er zou gebeuren als alle mensen plots van de planeet zouden verdwijnen. Gewoon, als een gedachte-experiment. Het duurt niet lang, een paar decennia hooguit, voordat de jungle en de woestijn terrein heroveren en onze steden verzwelgen. De Eiffeltoren en de Golden Gate Bridge houden het nog zo’n driehonderd jaar vol zonder menselijk onderhoud en na tienduizend jaar herinneren alleen enkele robuuste constructies als de Egyptische piramides, de Chinese Muur en Mount Rushmore nog aan de menselijke aanwezigheid op aarde. De laatste sporen (plastic en glasscherven) zijn honderd miljoen jaar later uitgewist.

De boodschap, die ongetwijfeld de aantrekkingskracht verklaart, is dat de planeet ons niet nodig heeft. Sterker nog: de aarde zal floreren zonder ons. Verlost van het juk van de mens bloeit de natuur. Het filmpje herinnert ons eraan dat wij te gast zijn op aarde, en ook nog eens een gast die pas zeer recent is gearriveerd. Het ademt het denkbeeld van klassieke geologen dat de mens, ondanks al zijn kennis en kunde, een vergankelijk wezen is, dat veel langer niet dan wel heeft bestaan.

Maar de mensheid zal niet van de ene op de andere dag van de aardbodem verdwijnen, de planeet zit voorlopig met ons opgescheept. Juist door te denken in duizelingwekkende tijdspannes krijgen we zicht op de ontzagwekkende impact van de moderne mens. Eigenhandig loodsen we de aarde een nieuw geologisch tijdperk in, want of het Antropoceen nu een officiële status krijgt of niet, dat we de comfortabele Holoceen-condities achter ons laten lijdt nauwelijks twijfel.

‘We zijn op een gevaarlijk punt aanbeland in onze evolutie als een soort’, schrijft de Amerikaanse essayist Diane Ackerman in haar boek The Human Age. ‘We zijn slim, koppig, impulsief en een stuk beter in het knoeien met de natuur dan in het begrijpen ervan.’ Misschien illustreert dat wel de paradoxale uitdaging van het Antropoceen: op het moment dat de mens zich bewust wordt van zijn ongekende macht is wat meer bescheidenheid geboden.


Beeld: (1) Maasvlakte 2, Rotterdam; (2) t Rooth, Eijsden-Margraten; (3) Julianagroeve, Cadier en Keer (Foto’s uit Cleo Wächters serie Antropoceen: De nieuwe geologie van Nederland in kaart, 2015)