Profiel: Max Euwe

Welopgevoede schaaklogicus

Max Euwe was een keurige man. Toen hij in 1921 op twintigjarige leeftijd de Nederlandse kampioenswedstrijd won — de titel van nationaal kampioen werd hem pas in 1954 weer afgepakt — keek hij even beleefd en welopgevoed de camera in als bijna vijftig jaar later tijdens een interview met Godfried Bomans. Bomans probeerde het berekenende karakter, de logische structuur van zijn gesprekspartner door te prikken. Had Euwe dan nooit last van irrationele gevoelens, van gevoelens van diepe werkelijkheid? Bomans: «Ik bedoel, dat u in uw tuin staat en opeens naar uw eigen benen kijkt en uw armen die bewegen, en denkt: ik ben Euwe. Ik ben ik. Dat kent u niet?» En Euwe glimlachte even: «Ja, nee dat ken ik niet.»

Op 20 mei 2001 is het precies honderd jaar geleden dat Max Euwe werd geboren. De PTT nam alvast een voorschot en bracht ter ere van Nederlands belangrijkste schaker twee post zegels uit: één met het portret van de schakende Euwe en één met de afbeelding van de partij die de kentering zou betekenen in de strijd om het wereldkampioenschap. Euwe werd de enige Nederlandse wereldkampioen ooit.

Zijn grote doorbraak in de internationale schaakwereld was begin jaren dertig. Op een foto uit die tijd staat een wat slungelige jongeman. Linkerhand en -voet voor de rechter en twee zwartleren bokshandschoenen om de vuis ten. Max Euwe in de ring. Het is 1934, hij is 33 jaar oud, doctor in de wis- en natuurkunde, en door zijn vriend Hans Kmoch overgehaald om de uitdaging van zijn leven aan te gaan: een twee kamp om de wereldtitel met de Russische schaakgrootmeester Aleksander Aljechin. Euwe is dan al dertien jaar onafgebroken nationaal kampioen.

Als er geschaakt gaat worden om de wereldtitel, dertig partijen achtereen, moet de conditie ook goed zijn. Euwe begon aan een strak trainingsschema: zwemmen, hardlopen en boksen. Vroeg in de ochtend en als er tijd was laat in de middag, want zijn positie als wiskundeleraar aan het meisjeslyceum aan de Amsterdamse Reinier Vinkeleskade wilde hij niet verwaarlozen. De schaakoefeningen geschiedden in de avonduren, in het weekend en tijdens de vakantie.

Er werd een comité opgericht om de financiële tegemoetkoming aan Aljechin te voldoen, want een partijtje om de wereldtitel kostte tienduizend gulden. Dat Aljechin juist de Nederlander Euwe had gekozen als tegenspeler, had in zekere zin te maken met de financiële malaise in grote delen van Europa; de naweeën van de Eerste Wereldoorlog en de crisis van 1929. Nederland kon Aljechin wél betalen. Elke stad die een bepaald bedrag bijdroeg aan Aljechins buit werd gastheer van een van de dertig partijen. Zo zou in 1935 het kampioenschap in dertien Nederlandse plaatsen gespeeld worden, van Ermelo tot Amsterdam en van Groningen tot Eindhoven. Aljechin liet zich de Hollandse rondreis welgevallen, al had hij in eerste instantie geëist dat het wereldkampioenschap zou plaatsvinden op een schip dat van Nederland naar Indië zou varen en terug.

Aan de vooravond van de partij werd alles in het werk gesteld om de burger te betrekken bij de historische gebeurtenis. Op het Polygoon-journaal van 15 januari 1935 werd Euwe schakend geïnterviewd in het Carlton Hotel, waar Aljechin tijdens de tweekamp zou verblijven. Euwe praatte over zijn kansen en gaf en passant schaakles: hij wees de schakende interviewer er belerend op dat wanneer deze een stuk heeft aangeraakt, hij daar ook mee zal moeten zetten. Plotseling wandelde de Cubaan se ex-wereldkampioen Capablanca het beeld binnen. Capablanca richtte zich tot het Nederlandse volk en sprak rustig over de kansen van Euwe tegen Aljechin. Euwe maakte zeker een kans, zei de Cubaan, want Aljechins spel bestond voor twintig procent uit bluf. Nederland raakte in de ban van het wereldkampioenschap.

Na veertig zetten in de dertigste partij was het zover. Op 15 december 1935 schudde Aljechin de hand van Euwe en nam de remise aan die Euwes overwinning compleet maakte. Het applaus barstte los. Eerst alleen in de zaal van theater Bellevue, waar zo’n tweeduizend mensen in spanning hadden zitten wachten, maar later ook buiten, waar hordes mensen de sneeuw hadden getrotseerd om de nieuwe wereldkampioen te begroeten. Euwe sprak schijnbaar onaangedaan. Hij zei een beetje beduusd te zijn, maar zeker ook blij dat hij na drie maanden eindelijk van zijn rust kon genieten. «Een hoofdzaak vind ik het zeker dat het schaakspel supporters gewonnen heeft. En overigens kan ik u natuurlijk zeggen dat ik heel blij ben dat ik het wereldkampioenschap behaald heb.» Enkele minuten na zijn overwinning sprak hij het vermoeden uit dat hij zijn titel niet lang zou behouden. En zowaar, bij de revanche in 1937 werd de koning weer onttroond door dezelfde Aljechin.

In de korte triomfperiode veroorzaakte Euwes titel precies dat wat hij gehoopt had: een opbloei van het schaakspel. Tussen 1934 en 1937 werden tientallen schaakverenigingen opgericht; de ledenlijst van de Nederlandse Schaakbond groeide van drieduizend naar bijna elfduizend en na het internationale schaaksucces van Euwe kreeg de Nederlandse Schaak bond (NSB) koninklijke status, een niet onwelkom epitheton gezien de onheilzame naamsverwarring met de politieke partij van Mussert die in 1931 was opgericht.

Als schaker is Euwe gedurende zijn leven door de Nederlandse schaakwereld behoorlijk in de watten gelegd. Al in 1930 werd het eerste Euwe-fonds opgericht. Euwe was toen door de autoriteiten van Nederlands-Indië uitgenodigd om zes weken lang simultaanpartijen te spelen tegen de Nederlands-Indische bevolking. Door donateurs en bedrijven werd geld bij elkaar gesprokkeld. In wit tropenpak reed Euwe met zijn vrouw in een goed voorziene Packard-wagen door Java en Sumatra.

In 1946 bood de KNSB Euwe de kans om beroepsschaker te worden. Tot dat jaar was hij officieel nog amateur. Nu zou hij gesponsord worden door de bond. Het werd een lichtelijk teleurstellende ervaring zowel voor Euwe als voor schaakminnend Nederland. Heel even nog was hij wereldkampioen toen in 1948 Aljechin plotseling overleed en de wereldtitel vacant was. Twee uur heeft het geduurd, totdat werd besloten tot een vijfkamp waarbij Euwe als laatste eindigde.

Professioneel schaken betekende vooral veel reizen en veel simultaanpartijen spelen voor geld. Broodschaken dus, maar dat bleek niet zo gunstig te werken op Euwes spel en gemoed. Na een vier maanden durende rondreis door Noord- en Zuid-Amerika kwam hij uitgeput en moegespeeld terug in Nederland. Een half jaar later was hij terug op zijn post op het meisjeslyceum aan de Reinier Vinkeles kade. Hij had het als beroepsschaker nog geen drie jaar volgehouden.

Euwe was een gedisciplineerd regelaar, een rustige, degelijke burgerman met een toevallig aangeboren talent voor het schaakspel en de wiskunde. Geen excentriekeling zoals zijn tegenstander Aljechin die het in 1935 presteerde om stomdronken te verschijnen op de partij die in Ermelo werd gespeeld. Een man die zijn twee Siamese katten meebracht naar die twee kamp om ze zo nu en dan te laten ruiken aan de stukken op het bord. Of zoals Capablanca die in de jaren twintig het schaken definitief uit de herensociëteitensfeer haalde door met zijn charmes talloze vrouwen om zijn schaakbord te vergaren en schaken sex-appeal gaf.

Max Euwe wilde pas trouwen als zijn maatschappelijke positie was veiliggesteld. Hij trouwde in 1926, toen hij cum laude promoveer de tot doctor in de wis- en natuurkunde. Toen hij in 1935 wereldkampioen was geworden, schreef de Rus Tartakover over hem: «Inderdaad bezitten wij na de schaak filosoof Steinitz, na de energiemens Lasker, na de schaakvirtuoos Capablanca en na de schaak romanticus Aljechin eindelijk een man die de schaakkunst terugvoert naar het punt waar zij haar oorsprong vond, namelijk: de bron van de heilige logica.»

Die heilige logica was Euwe machtig, dat blijkt ook uit zijn verdere maatschappelijke carrière. In 1964 werd hij de eerste hoogleraar in de informatica, een positie die hij naar eigen zeggen kon bekleden omdat dit na zijn actieve schaakjaren een opkomende discipline was waarin hij niet zoveel achterstand had kunnen oplopen.

Euwe ploeterde, werkte en zorgde. Van zijn hand zijn zo’n zeventig schaakboeken bekend en de theoretische werken waaraan hij zijn medewerking heeft verleend, zijn ontelbaar. Geen schaker in Nederland stelt het zonder die boeken. Onovertroffen is de bijdrage die Euwe heeft geleverd aan de verspreiding, de verdieping en de voortgang van het schaken in Nederland en ver daarbuiten, als schaaktheoreticus en ook als voorzitter van de Fédération Internationale des Echecs (1970-1978).

Te zijner ere werd in 1986, vijf jaar na zijn dood, het Max Euwe Centrum geopend. Het is tegenwoordig gehuisvest aan het Max Euweplein in het hartje van Amsterdam, de stad waar hij was geboren en stierf. Zo werd Euwe de eerste sportman in Nederland met een eigen museum én een eigen plein. En juist in het jaar dat Euwe wordt vereerd met een postzegel, kampt het Max Euwe Centrum met grote financiële problemen. De huur zal in augustus met bijna driehonderd procent omhooggaan. Als de gemeente Amsterdam niet ingrijpt, dreigt het internationaal geroemde centrum ten onder te gaan.