Welterusten

De Tweede Kamer slaapt. Zodat Voorhoeve, in samenwerking met de legertop, het schandaal van Srebrenica rustig kan toedekken. Terwijl de Dutchbat'ers, die wel mochten maar niet konden schieten, de ellende thuis zitten op te zouten.
ROND DE VAL VAN Srebrenica is een ‘verward beeld’ ontstaan, zo zei minister Voorhoeve afgelopen vrijdag in Nova. ‘Schandaal’ was een beter woord geweest. Uit alle tegenstrijdige mededelingen van Voorhoeve, de Nederlandse legertop, VN- commandanten en Dutchbat-militairen wordt maar een ding duidelijk: de officiele versie van de gebeurtenissen zoals vastgelegd in drie brieven van Voorhoeve aan de Tweede Kamer (waarvan twee mede-ondertekend door Van Mierlo), klopt niet. De minister struikelt dagelijks over nagekomen berichten en onthullingen in de pers en zijn aanvullende verklaringen roepen alleen maar nieuwe twijfels op omtrent zijn eigen competentie, de effectiviteit van de Bosnie- trojka (Kok, Voorhoeve, Van Mierlo), de loyaliteit van de Nederlandse legertop en de betrouwbaarheid van de Unprofor-leiding.

Een schandaal op zich is de nalatigheid van de Tweede Kamer, die de hele tragikomedie met de mantel der schaamte bedekt. Normaal gesproken zou een parlement na een dergelijke blamage - want zo mag de uitlevering van dertig- tot veertigduizend moslims aan de willekeur van Servische oorlogsmisdadigers toch wel worden genoemd - de ministers het vuur na aan de schenen leggen. Zo niet in Nederland: het gros van de kamerleden is op vakantie en het kabinet, met uitzondering van Voorhoeve, evenzo. Gezien de vrijwel unanieme steun van de Kamer voor het falende Bosnie-beleid van twee opeenvolgende regeringen is dat niet verwonderlijk. Fractie- woordvoerders als Blaauw (VVD), De Hoop Scheffer (CDA), Van Traa (PvdA) en Sipkes (GroenLinks), die sinds 1993 de inzet van de luchtmobiele brigade in Bosnie eisten en bezwaren van de legertop als ‘on gewenste inmenging in de politiek’ wegwuifden, nemen nu een oorverdovend stilzwijgen in acht.
Bij gebrek aan politiek voedsel stortte de pers zich op de Nederlandse VN-militairen. Na hun gijzeling door de Serviers werden ze bij thuiskomst een tweede maal geslachtofferd in de beste traditie van het vaderlandse journaille: likken naar boven en trappen naar beneden. Als ze niet werden beschuldigd van verraad of medeplichtigheid aan de Servische oorlogsmisdrijven, werden ze wel uitgemaakt voor ‘koorknapen’ (HP/De Tijd) of ‘gesjeesde mavo-klanten’ (Elsevier). Toch valt de politieke verantwoordelijkheid voor de smadelijke aftocht van een van de meest geharde en best opgeleide Nederlandse legeronderdelen op den duur niet te ontlopen.
Als de Kamer eind augustus over het debacle van Srebrenica debatteert, moet zij antwoord op een aantal pijnlijke vragen zien te krijgen. Wat heeft zich de laatste maanden in de geisoleerde enclave afgespeeld? Was het bevel bij luitenant-kolonel Ton Karremans in goede handen? Kreeg Dutchbat van Buitenlandse Zaken voldoende diplomatieke ondersteuning? Had de val van de enclave kunnen worden voorkomen door betere afspraken binnen Unprofor? In hoeverre was Nederland verantwoordelijk voor het falen van Dutchbat? Welke politici moeten daaruit de consequenties trekken? En aan welke voorwaarden moet de Nederlandse deelname aan VN-operaties voldoen om herhaling te voorkomen?
DE OFFICIELE VERSIE is nog steeds dezelfde als die die Voorhoeve en Van Mierlo in hun brief van 27 juli aan de Kamer gaven: ‘Dutchbat heeft al het mogelijke gedaan om de val van de enclave te voorkomen en de bevolking te beschermen. Het beschikte echter niet over de middelen en het mandaat om de enclave werkelijk te verdedigen.’
Maar Unprofor had wel degelijk een mandaat voor de militaire bescherming van de enclaves, dat wil zeggen: van het grondgebied en van de vluchtelingen die zich daarop bevonden. Dat was nu juist de hele opzet van de ‘veilige gebieden’, die werden ingesteld nadat generaal Philippe Morillon zich in april 1993 solidair betoonde met de vluchtelingen in Srebrenica en weigerde om te vertrekken voordat hun veiligheid was gegarandeerd. In mei 1993 stelde de Veiligheidsraad de vijf ‘veilige gebieden’ formeel vast en werd Srebrenica onder de hoede van Canadese blauwhelmen geplaatst. In resolutie 836 van 4 juni 1993 werd het mandaat uitgebreid tot het ‘afweren van aanvallen op de veilige gebieden’ door het treffen van ‘alle benodigde maatregelen, inclusief het gebruik van geweld, in antwoord op bombardementen van de veilige gebieden, ongeacht door welke partij, dan wel in antwoord op gewapende invallen in die gebieden of in geval van moedwillige obstructie (…) van de bewegingsvrijheid van Unprofor of van beschermde humanitaire konvooien.’ Dat er geen mandaat bestond om Srebrenica gewapenderhand te beschermen, is dus niet waar.
Dat Dutchbat niet over de vereiste middelen beschikte, is een andere kwestie. Toen Nederland er in de zomer van 1993 op aandrong om een bijdrage aan Unprofor te leveren, wist de toenmalige minister van Defensie Relus ter Beek dat hij geen pantser-infanteriebataljon kon leveren. De Scandinavische landen hadden dat wijselijk wel gedaan, waardoor de Denen onder meer in staat waren om een Servische aanval op Tuzla (niet ongelijk de aanval op Srebrenica) af te slaan. Nederland beschikte eenvoudig niet over genoeg beroepsmilitairen en dienstplichtige vrijwilligers om de vereiste wapens te bedienen. Op aandringen van de Kamer stemde Ter Beek erin toe dat de Luchtmobiele Brigade de Canadezen in Srebrenica ging aflossen, waarbij de Nederlanders als tegemoetkoming aan de Serviers werden uitgerust met lichte wapens.
De training van het Dutchbat-kader door het Centrum voor Vredesoperaties (CVV) was volstrekt ontoereikend, hetgeen de valse neutraliteit van Karremans en veel van zijn ondergeschikten verklaart. De Joegoslavie-gangers werden zodanig ‘voorgelicht’ over het Servische standpunt dat zij de Servische oorlogspropaganda overnamen. Tijdens zijn gewraakte persconferentie in Zagreb zei Karremans dat de moslims vanuit Srebrenica 192 Servische dorpen hadden uitgemoord. In werkelijkheid hadden de moslims onder leiding van hun commandant Naser Oric hongertochten door de heuvels gemaakt, waarbij zij koeien en geiten ‘arresteerden’. Dat zij daarbij geregeld in gevecht raakten met de Servische milities, spreekt vanzelf.
EN WELKE INSTRUCTIES kreeg Dutchbat mee? Volgens Ter Beek en Voorhoeve hadden de blauwhelmen een ‘humanitaire missie,’, maar volgens Dutchbat-sergeant Gert Gurgjes is de bescherming van de burgerbevolking nooit aan de orde geweest. De VN waren er niet om de moslims te helpen, zei hij vorig jaar in De Legerkoerier, alleen om de moslims binnen de ‘pocket’ te houden. Zodoende kon de enclave volledig door de Serviers worden geisoleerd, zonder dat Nederland daartegen noemenswaardig protesteerde. Ze blokkeerden de aflossing van soldaten, weigerden konvooien door te laten en vuurden op alles binnen hun schootsveld. De toezegging van Navo-luchtsteun in geval van een Servische aanval - hoge Nederlandse militairen bij Unprofor maakten gewag van veertig gevechtsvliegtuigen die binnen een uur boven Srebrenica konden zijn - was een loze belofte. Dat bleek zonneklaar toen de enclave Gorazde in april 1994 met de grond gelijk werd gemaakt zonder dat de VN door middel van bombardementen tussenbeide kwamen.
De bevolking van Srebrenica smeekte Dutchbat in een petitie om niet hetzelfde lot als Gorazde te hoeven ondergaan, maar de commandant kon geen enkele toezegging doen. Hoewel kabinet en Kamer het niet onder ogen wilden zien, waren zowel de vluchtelingen als Dutchbat anderhalf jaar lang gijzelaars van de Serviers. Op 5 mei aten de manschappen hun laatste volwaardige maaltijd; vanaf die dag werden de noodrantsoenen en kaakjes aangesproken. De stad werd voortdurend beschoten, honger en ziekte eisten elke dag slachtoffers, en de militairen belden wanhopig met hun familie in Nederland om te vragen of Den Haag nog enige aandacht voor hen had: ‘Kom in opstand, zorg dat er iets gebeurt!’ Maar alsof er geen vuiltje aan de lucht was, ging de Kamer akkoord met de uitzending van het 42ste bataljon Limburgse Jagers naar Srebrenica, in afwachting van aflossing door een Oekraiens VN-bataljon. Nederland kon niet meer terug uit Srebrenica, maar gaf duidelijk te kennen dat het wel terug wilde. De Servische leiding had geen verdere aanmoediging nodig.
ALS ZWAKSTE SCHAKEL in de Unprofor-keten werd Dutchbat moeiteloos door Mladic uitgemanoeuvreerd. De blauwhelmen hadden instructie om niet op de Serviers te schieten, ook niet als die de vluchtelingen onder vuur namen. Omdat Mladic zijn mannen opdroeg niet op de blauwhelmen te schieten, is de enclave - anders dan Voorhoeve schrijft - ingenomen zonder vuurgevecht. Misschien had de val voorkomen kunnen worden met een grootscheepse luchtaanval, zoals Karremans achteraf vaststelde, maar zijn aanvragen daartoe werden tweemaal genegeerd: de eerste keer omdat VN-gezant Akashi en opperbevelhebber Janvier hun ‘vredesbesprekingen’ met Pale niet in gevaar wilden brengen, de tweede keer omdat er mist boven de enclave zou hangen, hetgeen niet het geval was. Toen het te laat was, werden twee Nederlandse F16’s ingezet. Aldus geschiedde wat zowel Voorhoeve als Van Mierlo na de affaire-Gorazde ruimschoots konden zien aankomen: Unprofor liet Dutchbat keihard vallen.
Bovendien zijn er aanwijzingen dat de Nederlandse bevelsketen tijdens de Servische aanval instortte. Volgens sommige Dutchbat-soldaten liet Karremans het op kritieke momenten wel vaker afweten, zodat zijn plaatsvervanger majoor Franken ‘de boel bij elkaar moest houden’. Zo ook tijdens de onderhandelingen over de aftocht van Dutchbat, waarbij Franken als vervanger van de ‘zieke’ Karremans wel degelijk een regeling met de Serviers ondertekende. Het is een schriftelijke verklaring, opgemaakt door een Servisch ‘burgercomite’ en ondertekend door een vertegenwoordiger van dat comite, door een vertegenwoordiger van de burgerbevolking, en door Franken, die het stuk tevens van het Unprofor-stempel voorzag. De hele verklaring is op de schrijfmachine getikt, met uitzondering van de laatste alinea, waaraan een handgeschreven bijzin is toegevoegd. Deze alinea luidde oorspronkelijk als volgt: ‘Gedurende de evacuatie waren er aan beide kanten geen incidenten en de Servische partij heeft alle voorschriften van het Conventies van Geneve en het internationale oorlogsrecht in acht genomen.’ De handgeschreven bijzin, die volgens Defensie door majoor Franken is toegevoegd voordat hij zijn handtekening zette, luidt: ‘… voorzover het konvooien betreft die door de VN-strijdkrachten zijn geescorteerd’. Was de ondertekening van dit stuk werkelijk vereist om de vrije aftocht van Dutchbat mogelijk te maken?
HET IS MOGELIJK dat het beruchte fotorolletje met opnamen van geexecuteerde moslims opzettelijk is verknoeid om deze verklaring niet te doorkruisen. Om dezelfde reden is wellicht een videoband met bewijsmateriaal gewist. Maar die opnamen zijn peanuts vergeleken bij wat de militairen met eigen ogen hebben gezien. Na de uitspraak van landmachtbevelhebber Couzy dat Dutchbat geen noemenswaardige oorlogsmisdaden had waargenomen, willen de meesten niet met naam en toenaam in de krant, maar sommigen hebben niettemin hun verhaal gedaan.
Dutchbat-pionier Richard Joosten zag dat er tijdens de evacuatie ‘lijken in het water dreven, dat bulldozers dode lichamen ruimden, dat moslims op de vlucht werden neergeschoten’. Soldaat Dirk Broekman zag hoe twee moslims achter een schuur werden gebracht, waarna schoten klonken en de Servische bewakers alleen terugkwamen. Voorhoeve geeft zelf een aanvulling op deze getuigenissen in zijn laatste brief aan de Kamer. Bij de de-briefing is gebleken dat militairen onder meer een ‘tractor met een kar waarop lijken lagen’, een ‘kipauto met lijken’ en een ‘ “shovel” met lijken’ hebben gezien.
Het zijn getuigenissen die Nederland liever niet wil horen, getuigenissen die de legertop omwille van de veiligheid van de achtergebleven Nederlandse Unprofor-militairen liever binnenskamers houdt. Maar er valt niet aan te ontkomen: vijftig jaar na de Tweede Wereldoorlog hebben Nederlandse soldaten machteloos toegezien bij een planmatige massamoord.
‘Het was net Schindler’s List’, zegt een anonieme militair in het Rotterdams Dagblad van afgelopen zaterdag: ‘De moslim- strijders moesten hun bezittingen afgeven. Alles werd geselecteerd: waardevolle dingen werden gejat, de tassen, paspoorten en foto’s belandden op een grote hoop. Dit is Auschwitz, dit is Auschwitz, schoot steeds door mijn hoofd. Alleen de brillen werden niet afgepakt. (…) De moslims hadden doodsangst in hun ogen. Zeiden ons dat ze vermoord zouden worden. Een van hen gaf me geld, Duitse marken en gouden kettingen. Ik gaf het terug, kon niets voor hem doen. Toen stapte hij naar een Servische soldaat die het wel aannam. De soldaat spuugde hem in zijn gezicht, gaf hem een klap met zijn geweerkolf. Ik dacht nog: man, nu heb je niets meer. Hij werd net zo goed afgevoerd naar het voetbalstadion bij Bratunac. En daar… Ik word niet geacht het te weten. Maar je weet dat ze allemaal vermoord zijn.’
Vooralsnog betalen alleen de Dutchbat- militairen de morele prijs voor de Nederlandse ondersteuning van Unprofor, een tandeloze strijdmacht die van meet af aan diende als excuus om niet werkelijk te hoeven ingrijpen en tegelijk het wapenembargo tegen Bosnie overeind te kunnen houden. De Tweede Kamer ligt er niet eens wakker van. Het wordt hoog tijd voor een Nederlandse Sarajevo-partij.


De naam van de soldaat die in het stuk verschijnt onder het pseudoniem Dirk Broekman is bij de redactie bekend