Afscheid van H.J.A. Hofland - Cultuurcriticus

Welvarend en toch ontevreden

De economische recessie heeft geen einde gemaakt aan de onbedwingbare drang tot vermaak en consumeren. Eerder het tegendeel, meende Henk Hofland.

Medium l1031464 204

Vorige week las ik in vrouwentijdschrift Libelle een lijstje van ‘wat wij vrouwen willen’. Op nummer 1 stond lachen en genieten, ‘omdat we dat verdienen, we vergeten vaak dat wij ook recht hebben op iets leuks’. De andere eisen kwamen neer op shoppen, met een glaasje prosecco op een terrasje bijkletsen met vriendinnen en het huis gezellig maken. Ik dacht aan Henk Hofland, hoe hij met een lijzige stem kon zeggen: ‘Lekker genieten van leuke dingen’, om de spot te drijven met de levensstijl van de geïndividualiseerde burger.

De homo individualis kreeg in de jaren negentig vleugels. Na het ineenstorten van het communisme en het ontbindingsproces van de Sovjet-Unie brak in de westerse wereld een ongekende voorspoed aan; de economie expandeerde in combinatie met een mondialisering en een technologische revolutie waardoor een explosie ontstond van entertainment en evenementen. Het grote consumeren begon. ‘Het aanzien van de tijd werd bepaald door de weinig wetende, zich rond etende en van de maatschappij afkerende consument; iemand die denkt: ik voor mezelf en god voor ons allen. Hij leeft in relatieve welstand en voelt zich ook nog eens miskend – want iedereen heeft recht op geluk. De klasse van de consument verdrong de traditionele klassenindeling volledig’, aldus Hofland in 2002 in een rondetafelgesprek met historicus en tv-presentator Hans Goedkoop en filosofe Désanne van Brederode, voor De Groene Amsterdammer. Er werd door drie generaties teruggeblikt op de jaren tussen de val van de Muur en 9/11, een periode die Hofland ervoer als een van de meest lawaaiige, vraatzuchtige en onbenullige tijdvakken uit de westerse geschiedenis.

Een half jaar na de aanslagen in Amerika door al-Qaeda was Hofland ervan overtuigd dat er in één klap aan de lange jaren negentig een einde was gekomen. Er ging al langer iets verontrustends uit van de tomeloze energie waarmee de westerse wereld zich stortte op geld verdienen – of lenen – en uitgeven. Een jaar daarvoor had de Amerikaanse econoom Joseph Eugene Stiglitz in zijn boek The Roaring Nineties al beschreven hoe de mondiale markteconomie zichzelf aan het opblazen was. De ‘luxe van onverschilligheid’ moest wel een keer kenteren, meende Hofland, zoals ook tachtig jaar daarvoor de hele vrolijke wereld in al zijn geledingen in elkaar stortte met de grote beurskrach van 1929. ‘Nu is het besef ontstaan dat we lange tijd in een luchtbel hebben geleefd, waarin een verlangen naar engagement samen ging met onverschilligheid.’

Hij vergeleek het met een natuurproef: 11 september was voor de wereld geweest als een stof die een verzadigde oplossing ineens laat kristalliseren. ‘Plotseling zie je wat een troep er allemaal in is opgehoopt en wordt helder wat zich voordien allemaal heeft afgespeeld. Dat begon met de instorting van de internethype, en de aanslagen in Amerika deden de rest. Wat voor consequenties dat allemaal heeft, dat weet zelfs deze koffiedikgoeroe niet.’

De gevolgen lieten echter nog even op zich wachten; de triomf van het neoliberalisme had de economische grondslagen van de westerse maatschappij fundamenteel veranderd en de hedonistische levensstijl schudde niet zomaar op zijn grondvesten. Na een dip veerde de economie mondiaal weer op en pas na de kredietcrisis in 2008 begon de overmoed te leiden tot neergang. De huizenmarkt stortte in, de bankwereld wankelde onder haar eigen gewicht van goedkope financiële producten en bonusprikkels. Aan het licht kwamen bedrijfsschandalen en geknoei met gemeenschapsgeld door bestuurders. De overheid moest drastisch bezuinigen en de calculerende burger werd gedwongen de broekriem flink aan te sjorren, mede doordat de banken minder gemakkelijk geld uitleenden. Maar de burger was assertief en raakte in de geknakte economie en in het steeds meer gefragmenteerde politieke landschap eerder onzeker en daardoor nog schreeuweriger en ontevredener dan daarvoor.

In 2011 schreef Hofland hierover een lang essay voor het fotoboek Platter Dikker van Roel Visser. Met meer afstand in tijd dan in 2002 fileerde hij de excessen van de welvaart in het fin de siècle. Hij constateerde nu dat het heilige geloof in het consumentisme een langere weg achter zich had; het is een langzaam proces dat zich na de Tweede Wereldoorlog in de hele westerse wereld voltrok – eerst en vooral in Amerika. De historische breuk van vijf jaar oorlog is er volgens hem de diepste oorzaak van dat de sociale, politieke en godsdienstige samenhang van de westerse samenleving in de tientallen jaren daarop langzamerhand verloren is gegaan. Door een decennialange stijging van het algemene welvaartspeil kwam het consumentisme op. De koper werd verleid door de industrie.

‘De grootste concerns, de bio-industrie, de supermarktketens, de massamedia, de sportorganisaties, de reclame doen al tientallen jaren hun best om het miljoenenpubliek te laten weten dat het nog iedere dag beter wordt bediend met het leukste, het mooiste, het lekkerste. En door de afbraak van de oude publieke moraal is seks onverbrekelijk bij de consumptie gaan horen. Dit niet-aflatende bombardement van propaganda is, zonder dat het publiek zich ervan bewust was, tot een indoctrinatie geworden’, schreef hij in dit boek.

‘De nieuwe mens zal iedereen laten weten dat hij hier op aarde is, een god die als zodanig erkend wil worden’

Het resultaat daarvan is volgens hem de schijndemocratie van het consumentisme. De zogenaamde geïndividualiseerde mens denkt vrij te handelen – alles kan en mag – maar hij is een kuddedier van emotiecultuur en koopzucht geworden. Hij doet dit onder de gedachteloze zinspreuk: dat maak ik zelf wel uit, zo voel ik het nou eenmaal. Er is een collectieve overtuiging dat iedere sterveling het fundamentele recht heeft op alles wat het begeren waard is. Deze ontwikkeling is versneld door het einde van de Koude Oorlog. Na 1989 verdween ook de noodzaak van een ideologische samenhang – en de nieuwe mens kwam, aldus Hofland, in een ijltempo tot ontwikkeling.

Medium hofland 20staand 202

Hoe die nieuwe mens eruitziet toont Roel Visser met zijn foto’s waar Hofland als het ware een lang onderschrift bij schreef. ‘Hij is in zijn wensen, zijn gedrag en zijn uiterlijk dusdanig anders dan zijn voorouders dat we van een nieuw type kunnen spreken. Hij is overal, op straat, in het openbaar vervoer, de oorden van vermaak, de stadions, op het strand, de markten en de feesten, op internet. Hij is dikker, om te beginnen. Hij loopt een beetje anders omdat zijn benen een groter gewicht moeten torsen en zijn armen verder van zijn omvangrijker lichaam bewegen. Hij praat harder en vlugger maar niet duidelijker, hij kijkt vaak wantrouwend tot agressief. Hij lapt de verkeersregels aan zijn laars. Hij steekt zijn middelvinger op, hij is eerder bereid een medemens uit te schelden, op zijn gezicht te slaan. Hij zal iedereen laten weten dat hij hier op aarde is, een god die als zodanig erkend wil worden. Respect!’

Die nieuwe mens veranderde dus niet door de recessie. Meer dan in de jaren negentig ging de onverschilligheid tegenover de samenleving samen met een drang te worden gehoord. En meer dan in de tijd dat het geld tegen de plinten klotste, namen de heb- en vraatzucht toe die hand in hand gingen met agressie, hufterigheid en exhibitionisme. De ultieme uitlaatklep daarvan werd, anders dan in de jaren negentig, geboden door het internet. Daar kwam de smartphone nog bij, zodat iedereen op elke plek 24 uur per dag met de wereld kan communiceren. Zo’n tachtig procent van de Nederlandse bevolking zit dagelijks enkele uren te surfen en te teksten, alle emoties kunnen direct en ongeremd de publieke ruimte worden ingegooid. Het digitale lompenproletariaat was geboren. ‘Briesende huismussen’, noemde Hofland die boze burgers. ‘Je ziet ze ’s avonds in hun pyjama en op sloffen achter de pc zitten, kantoordag en warme prak achter de rug, en maar hatelijke oprispingen de blogosfeer in slingeren.’

Hierover had hij geen moreel oordeel. Het was een sombere analyse van de westerse mens die na een periode van vliegende welvaart zwalkt in onzekerheid. De richting waarin de maatschappij zich ontwikkelt vond hij zorgelijk. Een existentiële leegte, een gefragmenteerde politiek, een nauwelijks opkrabbelende economie en bedreigingen uit de grote wereld, Rusland, de vluchtelingenstroom, IS, terugkerende Syrië-gangers die een wissel trekken op de Europese Unie – hij telde al die ingrediënten bij elkaar op.

Een cultuurpessimist? ‘Voor de toestand die we nu gaandeweg hebben bereikt, bestaat nog geen benaming. Chaotisering, anarchisering komen er het dichtst bij’, stelde hij in Platter Dikker. Een koffiedikgoeroe? De ervaring van de afgelopen eeuw leert volgens hem dat onder de huidige omstandigheden in een westerse samenleving het gevaar van uitbarstingen altijd aanwezig is. ‘In onze steden ligt een tijdbom verborgen. En altijd weer worden we door de explosie verrast. Niemand weet een uitweg. Dat is het grootste probleem.’

Ondertussen besefte hij dat hij van een andere generatie was en derhalve anders tegen de maatschappij aankeek. Hij begreep werkelijk niet wat mensen bewoog in hun verlangen naar zoveel mogelijk genot en de vervulling via eten, entertainment, fun, sport, lol, lekker shoppen, op een terrasje nippen aan een glas prosecco, een tv-bekendheid worden, macht. In het gesprek in 2002 zei hij daarover: ‘De gedachte dat je iets moet meemaken omdat je het nog niet in je pakket hebt, is mij totaal vreemd. Dat vind ik ook belachelijk, alhoewel ik het niemand zal verbieden; ik ben niet de koddebeier van de zedenpolitie. Maar ik heb wel een idee over het Goede Leven. Ik geloof dat je het beste af bent door zelf te verzinnen en te proberen, en hoe afgekloven dit woord ook is, door zo creatief mogelijk te leven. Je leert jezelf kennen in mogelijkheden en in dingen die je nooit zult bereiken. En de mogelijkheden die je hebt: uitbuiten, desnoods 24 uur per dag.’

De paradox van welvaart en toch ontevreden zijn kon hij niet navoelen. Ooit vertelde hij me dat hij wel eens keek naar het programma De reünie, waarin een middelbare-schoolklas samenkomt en herinneringen ophaalt. Aan het eind geven de oud-leerlingen een cijfer voor hun levensloop. Het was hem opgevallen dat zijn generatie veel hogere cijfers uitdeelde dan de generaties daarna – die kwamen meestal met een magere zeven. Een keer was er een klas die in de Tweede Wereldoorlog oorlog veel ellende had gekend; geëvacueerd, ondergedoken gezeten of de kampen overleefd en familie verloren. Zij hadden in hun jeugd schaarste gekend en later welvaart. Zij gaven allen hun leven een dikke negen.


Beeld: (1) Roel Visser, Scheveningen, uit het boek Platter & Dikker (Roel Visser / Uitgeverij Bas Lubberhuizen); (2) (Dick Tuinder)