Wenen

Wenen, eindelijk – we liepen, liepen en liepen maar door de Gasses, langs de Ionische, Dorische en Corinthische zuilen waarop de kapitelen van de bouwwerken rustten opdat we maar goed de indruk zouden krijgen dat dit weliswaar Wenen was, maar net zo goed het oude Athene had kunnen zijn.

We hadden feitelijk maar één dag.

Natuurlijk doe je dan wat stedelijke hoogtepunten.

Uiteraard had ik het gevoel in een slagroomtaart rond te lopen, en wie wil dat niet?

Vanaf het vliegveld moesten we meteen naar mijn agent – een lieve, maar keiharde vrouw die zich tot doel heeft gesteld mij rijk te maken – en die nam ons meteen op sleeptouw naar een of ander restaurant waar ik vanzelfsprekend platgewalste, meterslange Wienerschnitzels moest eten en moest praten met de bewerker van Das Interview.

We besloten vervolgens niet naar een museum te gaan, maar gingen toch naar de Berggasse 19 waar het Freud Museum was.

Geweldig.

Ik weet eigenlijk niet waarom ik het geweldig vond, maar ik denk omdat ik me bevond op de plek waar de menselijke psyche ‘vooruit’ werd geholpen. En hoewel het wetenschappelijke flauwekul is, blijf ik Freud bewonderen. Zijn stijl is voortreffelijk, en zijn hersenspinsel, want dat is zijn psychologie dan, blijft fenomenaal.

Vervolgens naar Café Central.

Indrukwekkend! Ik kon me zo goed voorstellen wat zich daar allemaal rond 1900 had afgespeeld.

Wenen – je moet iets weten van de geschiedenis, wil je van de stad genieten, anders blijf je in die slagroomtaart lopen. Je moet er dan ook genoegen mee nemen dat je je klein voelt. Ik bedoel: met die architectuur en de geschiedenis kon ik me de grootheidswaan van het nazisme goed voorstellen.

Men houdt niet van ironie in Oostenrijk

Tegenwoordig beseft iedere historicus de invloed die de joden hebben gehad op de Weense cultuur van rond 1900, maar die nazi’s leefden nog met de Habsburgers in hun kontzak en beseften niet dat de romantiek wat op het eind liep.

Nou ja, genoeg gedacht.

Het werd tijd om ons weder te verkleden voor de première.

Iedereen vond Das Interview FAN TAS TISCH – behalve ik. Het was een typisch Oostenrijkse interpretatie: hard, lijfelijk, schreeuwerig. Ik zou nooit een stuk schrijven met lichamelijk geweld. Dat gebeurde hier wel. De Katja in mijn stuk werd tegen de muur gekwakt. Zo hard, dat ik wilde opstaan en meteen wilde helpen. Ik zal ook nooit mensen zo laten schreeuwen. Ik vroeg me af waarom dat was, en opeens wist ik het: men had het stuk ontdaan van elke vorm van ironie. Men houdt niet van ironie in Oostenrijk, weet ik nu. Ik heb het daar wel over gehad. Ironie vinden zij laf, niet moedig, escapistisch. Terwijl wij ironie een grote status geven, want het is immers relativerend, komisch, dubbelzinnig… Grappig hoe die twee opvattingen lijnrecht tegenover elkaar kunnen staan.

Ironie kleedt Oostenrijkers slecht af; ze ervaren het als een aanval op hun rechtlijnigheid; soms heb ik het idee dat ze ‘iets relativeren’ zien als je ongelijk bekennen.

Hoewel Herr Holman volkomen kapot was, was het nog niet afgelopen, want er bleek nog een tafel gereserveerd in Hotel Sacher.

Ik dacht dat ik kitsch kende, maar het kan altijd erger. Misschien was het wel geen kitsch, maar gewoon wansmaak. Weer begreep ik het nazisme beter. De fluweel-gouden vormgeving is hier de kroon op het hoofd van een hoer die men hier Koningin Beschaving noemt.

Maar de wijn was heerlijk. Was het toen afgelopen? Neen!

We moesten, nee echt, moesten, moesten echt! echt! echt! nog een Würstel eten, om de hoek, beste van de wereld – en de agente was zo bekend dat haar man niet in der Schlange hoefde te staan.

Eindelijk naar bed.

Vier uur slaap, en toen al weer terug naar Amsterdam.