Roel Chapkis

Wenen in Londen

Het Goethe-Institut in Amsterdam heb ik nooit bezocht. Het gebouw ken ik natuurlijk goed, omdat daar vroeger Oorlogsdocumentatie zat met het souterrain waar de norse conciërge je voor de honderdste keer je naam op een briefje liet schrijven, en met de bibliotheek waar de zoon van je professor in het Hittitisch de jaargangen van De Schouw op de vensterbanken had staan. Maar ik weet dat in elke wereldstad, ja ook in Porto en Napels en Amsterdam, het Goethe-Institut piekfijn in orde is. In Parijs zijn er zelfs twee.

Parijs is de stad met de meeste buitenlandse culturele instellingen, die bijna allemaal verstoft en op slot zijn en zich voornamelijk richten op de in de Franse hoofdstad verdwaalde eigen landgenoten. Sinds kort is er een Vlaams cultureel centrum en ik heb daar alleen nog Vlamingen gezien. Wie boomstamlange Finnen de tango wil zien dansen of de blocnotevellen van Zwitserse potloodkunstenaars liefheeft, kan zijn hart ophalen in het Finse of Zwitserse cultuurhuis, maar het zijn toch vooral de grotere culturen die werkelijk interessante gebouwen bezitten: de Arabische toren aan de Seine met zijn dakterras, het Zuid-Amerikaanse paleis op de Boulevard St.Germain met zijn tuinterras en de Scandinavische bibliotheek terzijde van de middeleeuwse Geneviève-bibliotheek bij het Pantheon. In Zuid-Europa betekent «bibliotheek»: een plaats waar de schooljeugd zijn huiswerk kan maken tegen een decor van in leer gebonden boeken achter kippengaas. Ik ga nog wel een keer naar de Geneviève-bibliotheek omdat ze Vondel en Gezelle in het Nederlands hebben, maar liever ga ik de hoek om naar de Noorse bibliotheek, waar de Scandinavische talen plus Fins gehuisvest zijn en waar ik er soms naar verlang dat Nederlands ook een Scandinavische taal is.

Bij het verlaten van de Lucian Freud-tentoonstelling in de oude Tate krijg je een reclame in handen gedrukt van het Freud Museum, dat in een Londense buitenwijk, waar je anders niet gauw zou komen, is gevestigd in een villa waar opa Freud kort heeft gewoond. Dat is het ware Oostenrijkse culturele centrum in Londen. Het hele huis hangt, staat en ligt vol prullaria, memorabilia, archivalia, personalia, maar het personeel ontbiedt je eerst in een kamer op de eerste etage waar een film wordt vertoond die is samengesteld uit vooroorlogse amateurfilmpjes. Onveranderlijk zit Freud daar in een tuin terwijl iedereen hem een hand komt geven. De stem van dochter Anna vertelt wie dat allemaal zijn. De enige die nog leeft is Lucian Freud, op de film een jongetje van twaalf jaar. In de kamer heerst de eerbiedige stilte van een kerkdienst. De aanwezigen zijn Amerikanen of psychiaters, meestal allebei tegelijk. Loop je weer rond dan merk je dat veel van de eredoctoraten en andere plakkaten niet voor Sigmund maar voor Anna zijn, zoals het Nederlandse waar de handtekening van Westermann Holstein onder staat. Misschien was u ooit in de Weense Berggasse en zag u daar de beroemde divan. Maar in Londen prijkt de echte Freudse divan waar de derrière van prinses Bonaparte nog in afgedrukt staat.

Nergens eet je zo lekker Indiaas als in Singapore, nergens kijk je zo in alle rust naar Vermeer als in Washington, nergens hoor je de fado zo hartverscheurend zingen als in Manaus, nergens klinkt het Jiddisch zo natuurlijk als op de board walk van Miami, nergens flamencoot men zo gloeiend-beheerst als in Antwerpen, nergens ruikt het zo Oekraïns als in dat badhuis in New Yorks derde straat, nergens is de aardplaneet zo aanwezig als op dat plekje van de maan waar onuitwisbare schoenafdrukken rond een aluminium vlag met sterren en strepen lopen.

De essentie van een land, een cultuur, een mentaliteit, vind je het beste ver van dat land. Ga voor Constable naar Parijs, voor Tsaar Peter naar Zaandam, voor Ghana naar de Bijlmer, en voor Freud naar Londen.