Misschien komt het doordat ik een zwak heb voor het drama van overbodige technologie dat de wenkbrauwprinter, de cocktailrobot en de urinesensor maar niet uit mijn hoofd wilden, toen ik las wat de Consumer Electronics Show in Las Vegas dit jaar had opgeleverd. Overbodige, of beter, zinloze technologie bevindt zich vrijwel altijd aan de cutting edge van de ontwikkelingen, het punt waar iets kan en nog maar weinig mensen weten wat je er eigenlijk mee moet.

Met nanotechnologie ging het ook zo. Het was nog niet uitgevonden of ineens was alles nano: het wasmiddel, de autowax, geurverstuivers, gymschoenen, zelfs een espresso-apparaat. Heerlijke onzin en net zo overbodig als de cocktailrobot, die drankjes kan maken die je nooit drinkt.

De urinesensor lijkt me zoiets als de bloeddrukmeter: het ideale apparaat om de hele dag in een staat van onrustige onzekerheid te verkeren. Mijn vader schafte er op zijn oude dag een aan.

‘Waarom?’ vroeg ik.

Om zijn bloeddruk te controleren. Dus.

Hoe vaak hij ’m gebruikte.

Een paar keer per dag.

Ik legde uit dat bloeddruk van ontzettend veel factoren afhankelijk is en dat het vooral geen zin heeft om die dagelijks meerdere keren te checken als je vervolgens toch de hele tijd in je stoel blijft zitten en de verkeerde dingen eet en drinkt. Dat had geen effect. Hij mat tot hij er bij neerviel.

Het geloof in apparatuur die onze gezondheid monitort is groot. De verzekeringsmaatschappij probeert mij een Apple Watch aan te praten in combinatie met een puntenprogramma. Als ik braaf de beweging-suggesties opvolg krijg ik korting op de ziektekosten. Dat digitale horloge van Apple controleert een enorm aantal lichaamsfuncties, niet alleen beweging: temperatuur, vallen, slapen, zuurstofsaturatie, hartslag. Het is om gek van te worden en waarschijnlijk word je dat ook. Als iets kans op hypochondrie verhoogt, dan zo’n horloge. Alleen al daarom zou ik ’m niet aanbevelen als ik verzekeraar was. Maar wie ben ik? Ik vind een wenkbrauwprinter al overbodig.

Een tijdje geleden was ik bij de huisarts omdat ‘het systeem’ had gezegd dat ik wegens zekere leeftijd maar eens een jaarlijkse check-up moest hebben. De arts zelf kreeg ik niet te zien, wel een praktijkassistent die in een eigen kantoortje bloeddruk, hartslag en wat dies meer zij mat en, toen dat allemaal puik was, een flinke lijst met vragen afwerkte over mijn ‘levensstijl’. Ik houd niet van dat woord. Het suggereert dat ik mijzelf op cruciale momenten in mijn bestaan vragen heb gesteld om vervolgens bewust te kiezen voor een bepaalde stijl. Het lijkt me net zoiets als stemmen. Vraag mensen waarom ze links, rechts of op het midden stemmen en je komt er nooit een tegen die alle partijprogramma’s heeft gelezen, plus een flink aantal politieke traktaten, en tegen zichzelf heeft gezegd: er is niets aan te doen, het wordt de VVD.

‘We kunnen het kort houden’, zei ik tegen de assistent. ‘Ik rook, ik drink en ik heb seks. Niet noodzakelijk in die volgorde. Weinig rock ’n roll.’

‘Ja, maar dat roken en drinken…’

‘Is slecht’, zei ik. ‘Maar mijn bloeddruk is goed, mijn hart klopt regelmatig en ik heb geen klachten. Ik ben doof, dat is alles. Misschien komt dat van de seks, maar het is nu te laat om daar nog iets aan te doen.’

Ik zag hem denken: mijnheer houdt van een grapje.

We waren duidelijk aan het einde van zijn goedbedoelde adviezen gekomen

Maar het was geen grapje.

‘Sport u?’

Ik schudde mijn hoofd.

Dat was wel beter: ‘De calorieën die erin gaan moeten ook weer verbrand worden.’

‘Dan stop ik wel met eten’, zei ik. Wat ik trouwens nauwelijks doe, want ik vind eten, net als slapen, een hinderlijke onderbreking van het dagelijks bestaan.

‘U heeft een uitstekend BMI’, zei hij, ‘maar het gaat ook om gezond ouder worden.’

‘Ik wil graag gelukkig oud worden’, loog ik, want in geluk geloof ik ook al niet. Dat lijkt me een waan waar je niet al te lang in moet verkeren, anders ga je nog denken dat het best goed gaat met de wereld.

We waren duidelijk aan het einde van zijn voorraad goedbedoelde adviezen gekomen. Ik wil niet zeggen dat er iets grimmigs in zijn ogen flakkerde, maar ik meende te zien dat hij ernaar uitkeek dat ik mij een dezer dagen met een nare gezondheidsklacht zou melden.

Bij het verlaten van de spreekkamer zei hij, zonder veel overtuiging: ‘Probeer op z’n minst elke dag te wandelen.’

‘In deze stad?’ zei ik.

‘Er zijn bossen en parken.’

‘Bossen…’ Ik spuugde het woord bijna uit. ‘Die door asfaltpaden doorsneden aanplant?’

Hij gaf het op.

Buiten, in de drukte van de Haagse binnenstad, die ik alleen verdraag in de wetenschap dat dit tijdelijk is, keek ik om mij heen. Auto’s, sirenes, straten als kloven van baksteen. Ik dacht aan mijn moeder, die in het weekeinde nooit mee wilde wandelen in de Drentse staatsbossen, ‘want wij hebben al genoeg gelopen’. Ik weet niet of ze daarmee doelde op de tocht door de woestijn van het joodse volk of op iets anders, maar lopen vertikte ze. Toch nog vier- of vijfentachtig geworden (ik ben slecht in data), hoewel jammer genoeg in de laatste fase ten prooi aan mijnheer Alzheimer. Nee, lopen door deze stenen woestenij zou ik niet doen. Maar mijn gedachten gingen naar de roeimachine die thuis verwijtend werkeloos stond te zijn. Misschien kon dat geen kwaad, een beetje roeien. Dan kon ik op zijn minst denken dat ik ergens heen voer.