Wennen

‘Ik snij de ruggetjes open’, zei een man tegen me. ‘En daarna haal ik ze door de scanner.’ We zaten aan de rand van het festivalterrein waar ik moest voordragen. De zon scheen nog, al stond er een gure wind. Ik droeg een prachtige jurk die door twee jonge modemakers was ontworpen, als speciaal onderdeel van het programma. Dus probeerde ik te overtuigen in de rol van elegante vrouw, inclusief enorme hakken waar ik op wankelde. De modeontwerpers hadden gezegd dat het wel zou wennen.

Fijne, hardwerkende dames waren het – ze hadden ook de andere dichters aangekleed. De man wees naar het scherm van zijn eReader. Er stond een gedicht van Pessoa in beeld. ‘Alles kan er in’, ging hij verder. ‘Geloof me, over een paar jaar koopt niemand nog een boek.’ Ik frunnikte wat aan de strik om mijn hals en knikte. Met de tijd meegaan. Ik wéét het. Dat is goed, dat is noodzakelijk, daar moeten we niet over zeuren. Toen ik maanden geleden eens met collega M. in de kroeg zat had ook die zich laten ontvallen hoe moe hij wordt van technofobe zielen die hun onaangepastheid etaleren als een deugd. Ook toen had ik geknikt. Precies zo ga ik te werk. Tegenstribbelen en afweren, een panisch verlangen naar zogenaamde eenvoud. Alles is angst, ik wéét het wel. ‘En het is dus ook makkelijker’, zei de man met de eReader. Hij deed iets met het scherm waardoor de letters groter werden en bewoog vliegensvlug heen en weer tussen twee gedichten. ‘Ik heb nu alles van Pessoa gedaan’, zei hij. ‘En hier zit Kopland, kijk.’ Jonge sla verscheen op zijn scherm. Alles kan ik verdragen. ‘Vanavond nog een restje Herzberg en dan is dat ook compleet.’ Ik vroeg wat hij deed met die bundels, nadat hij de ruggetjes had opengesneden en de bladzijden had ingescand. ‘Nou’, zei hij, ‘die flikker ik natuurlijk weg. Wat moet ik met kapotte boeken?’ Nee, dat wist ik eigenlijk ook niet. Zo waardig mogelijk stond ik toen op om naar het podium te gaan. Vanuit de heupen, dacht ik. Voorwaarts. Hoofd omhoog. Rug recht.