Wennen aan gruwelen

Het duurt nu een jaar of twee en intussen zijn we eraan gewend. Twee, drie keer per week zien we op de televisie hoe de Syriërs elkaar uitmoorden, hun staat slopen. De verminkte lijken, wanhopige familie, steden die geleidelijk in puinhopen veranderen, en dan vaak weer president Bashar al-Assad die met zijn uniek uitgestreken gezicht verzekert dat het allemaal goed zal komen.

Volgens de Verenigde Naties heeft de burgeroorlog nu een zeventigduizend mensen het leven gekost. Het aantal vluchtelingen wordt geschat op 860.000. Meer dan vier miljoen burgers ontbreekt het aan de moderne voorzieningen en ze lijden honger. We kijken ernaar en we gaan over tot de orde van de dag. Dat is het opmerkelijke bijverschijnsel: het gemondialiseerde publiek ziet het als een vast nummer in het avondprogramma.

Beleven we in deze tijd de laatste fase van de dekolonisatie? Het afgelopen decennium wordt voor het Westen in zijn buitenlandse politiek gekenmerkt door de mislukte oorlogen in Irak en Afghanistan. Zonder een grondig onderzoek naar de oorzaken en gevolgen en zonder een conclusie te trekken, hebben we ons bij die catastrofes neergelegd. Waarom bemoeien we ons nu niet met de humanitaire ramp in Syrië? Ten eerste omdat de troepen uit het Westen terecht zouden komen in soortgelijke verwarrende situaties waarbij het verschil tussen bondgenoot en vijand vervaagt. Ten tweede omdat onze publieke opinie genoeg heeft van vruchteloze interventies in verre landen. Ten derde omdat het plaatselijk conflict deel uitmaakt van een groter potentieel gevaarlijk geheel. In dit geval zijn Iran en Rusland de bondgenoten van Assad. We willen geen extra complicaties.

Intussen voert Frankrijk oorlog in Mali. In het begin van dit jaar brak daar een islamistische opstand uit. De regering vroeg Parijs om hulp. Die werd gegeven. Volgens de berichten verlopen de operaties voorspoedig. Dat zal wel, maar intussen blijft de klassieke vraag die we ons bij dergelijke interventies moeten stellen onbeantwoord. Wanneer moet een dergelijk conflict als beëindigd worden beschouwd, en hoe krijgen we onze troepen weer naar huis? Daarover heeft president Hollande zich nog niet uitgelaten. De Fransen hebben ervaring in Afrika. In de negentiende eeuw veroverden ze Algerije. Dat zou een Franse provincie moeten worden. Midden vorige eeuw brak de Algerijnse vrijheidsstrijd los, met alle gruwelen waarover de Franse regering toen propagandaboekjes met scherpe foto’s van de weerzinwekkendste wreedheden heeft gepubliceerd. Het heeft niet geholpen. In 1962 werd Algerije onafhankelijk verklaard, onder het regime van De Gaulle, de realist.

Het Midden-Oosten werd door het Westen verder ontruimd, maar niet definitief. In 1956 nationaliseerde president Nasser van Egypte het Suezkanaal. De Britten en Fransen probeerden dat met steun van Israël ongedaan te maken. Dat is op een historische mislukking uitgelopen. In 1979 kwam het grote drama in Iran, de revolutie van Khomeini, de vlucht van de sjah en de gijzeling van de Amerikaanse ambassade in Teheran die geduurd heeft van november 1979 tot januari 1981. De Amerikanen hebben geprobeerd de gegijzelden te ontzetten. Dat is op een verschrikkelijke mislukking uitgelopen.

Tot zo ver dit korte overzicht van hoogtepunten in de terugtocht van het Westen. Misschien lijken het op zichzelf staande gebeurtenissen, maar er zitten drie lijnen in. De eerste is die van het gestaag toenemend verzet tegen westers imperialisme waarbij steeds meer succes wordt bereikt. Maar ondanks dit succes slagen de staten die hun onafhankelijkheid hebben bevochten er niet in, zich als geordende democratieën te vestigen. Ze blijven verscheurd door stammenstrijd en godsdiensttwisten. Dat is de tweede lijn. En de derde is die van de toenemende onverschilligheid in het Westen. Beter dan ooit blijven we op de hoogte van burgeroorlogen en moordpartijen en het kan ons steeds minder schelen. We willen er niet meer in betrokken worden.

Dat wordt sinds twee jaar in en om Syrië gedemonstreerd. Op het ogenblik is de Syrische minister van Buitenlandse Zaken Walid al-Moallem in Moskou. Daar heeft hij gezegd dat zijn regering bereid is tot onderhandelen met vertegenwoordigers van de gewapende rebellen. Hun leider, generaal Selim Idriss, heeft al laten weten er geen heil in te zien. Eerst moet president Assad aftreden. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Kerry, zei in Londen dat het moeilijk is dit aanbod ernstig te nemen als je tegelijkertijd de raketten op onschuldige burgers in Aleppo ziet vallen. Dit is niet meer dan een bevestiging dat het elkaar doodvechten in het half verwoeste land op dezelfde voet verder gaat. Hier kijken we naar de beelden, geven nog wat geld aan menslievende organisaties en verder geloven we het wel. Dat is de nieuwe fase in onze verhouding tot het Midden-Oosten, na Afghanistan en Irak. Syrië hoort hier langzamerhand tot het menu van de kijkende consument.