Wensdenken

Europa is onontkoombaar, betoogt staatssecretaris Ben Knapen, en daarom moeten we voorbij de tegenstelling tussen eurosceptisch en eurofiel. Maar hoe?

VOLGENS CDA-STAATSSECRETARIS Ben Knapen voor Europese Zaken hebben we de dure plicht iets goeds te maken van Europa. In het televisieprogramma Buitenhof zei hij afgelopen zondag dat we voorbij zijn aan de tegenstelling tussen eurosceptisch en eurofiel die het debat over Europa kenmerkte. Voorbij zijn? En dat uit de mond van een bewindspersoon in een minderheidskabinet dat wordt gedoogd door de bij uitstek eurosceptische PVV, en dat daarom voor het toch niet onbelangrijke Europa-dossier te rade moet bij de grootste oppositiepartij, de PVDA? Voordat dit tegen hem kon worden gezegd, verbeterde Knapen zichzelf al: we moeten voorbij die tegenstelling.
Voor Knapen is Europa onontkoombaar. ‘Wij zijn onderdeel van Europa, wij wonen hier, wij kunnen niet verhuizen.’ Dat klopt, ook al zullen er onder ons zijn die wel degelijk weg kunnen van dit in crisis verkerende continent. Maar deze onontkoombaarheid van Europa zegt nog niks over de manier waarop dat Europa is georganiseerd. En op die onontkoombaarheid van een verder integrerend Europa doelde staatssecretaris Knapen. Terwijl het juist die altijd weer voorgeschilderde onontkoombaarheid is die de discussie over Europa zo heeft beïnvloed dat naar kritiek van twijfelaars niet werd geluisterd. Europa moest voort.
Juist daardoor zitten de eurolanden nu op de blaren. Een andere conclusie kun je niet trekken uit gesprekken die de Volkskrant voor de editie van zaterdag voerde met een aantal Nederlandse hoofdrolspelers uit de afgelopen twintig jaar. Hoewel veel fouten die zijn gemaakt rond de invoering van de euro inmiddels breed bekend zijn, is het toch onthutsend om te lezen hoe juist zij die verantwoordelijk waren nu terugkijken op de invoering van deze munt.
Oud-diplomaat en voormalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot vat de gang van zaken het meest bondig samen door te zeggen dat rondom de euro telkens 'het mechanisme van Brussel’ overwon. Nooit wordt een land de pin op de neus gezet: Italië niet toen dit land toetrad tot de euro zonder aan de regels te voldoen, Griekenland niet toen het hetzelfde deed, Duitsland niet toen het de regels overtrad toen de euro al was ingevoerd, Frankrijk evenmin. Volgens oud-VVD-leider en voormalig eurocommissaris Frits Bolkestein is de euro 'een goed voorbeeld van politiek wensdenken dat nuchter economisch denken overvleugelt’.
Maar ook nu de eurolanden daarvoor moeten boeten, moet Europa weer voort. Of is dan de scepticus aan het woord? Is het woordgebruik hier al veelzeggend? De eurofiel zal zeggen: juist omdat de eurolanden nu moeten boeten, moet Europa voort.
Wie de euro wil redden, zal de fouten die twintig jaar geleden op de EU-top in Maastricht en zes jaar later op de top in Amsterdam zijn gemaakt willen herstellen. Dat wil zeggen, die wil meer macht voor Brussel bij het afdwingen van begrotingsdiscipline, bij het wegnemen van barrières die de economische groei belemmeren en bij het opleggen van sancties als een land zich niet aan de regels houdt. Het twintig jaar geleden in Maastricht vermaledijde F-woord, een federaal Europa en dus niet het Europa van de lidstaten, mag nu weer in de mond worden genomen.
Maar juist omdat de politici in het recente verleden bij volle bewustzijn de euro zo slecht hebben geborgd, is de voedingsbodem voor scepsis over een federaal Europa groter dan ooit. En ditmaal leeft die scepsis breed onder de bevolking en zijn het niet slechts de politici die zoals destijds niet van het F-woord wilden horen omdat ze geen macht wilden afstaan. Want in 1991 leefde Europa en dus ook de weerzin ertegen niet bepaald breed onder de bevolking.
De angst nu is bovendien niet alleen dat politici ook deze keer weer niet bij machte zullen zijn om goede afspraken te maken, maar ook dat de economieën, de landsaard en de manier van politiek bedrijven van bijvoorbeeld Griekenland en Duitsland te verschillend zullen blijven om in één muntunie te kunnen zitten. Door de zichtbaarheid van die grote verschillen, als gevolg van de crisis, is ook het idee dat we allemaal Europeanen zijn er niet groter op geworden. De eurofielen hebben de scepsis voor een groot deel aan zichzelf te danken.
Toch hebben we volgens Knapen de dure plicht iets goeds te maken van Europa. Hij wil de euro niet alleen behouden omdat het verloren gaan van de munt ons veel geld zou gaan kosten. Maar ook omdat volgens hem een verdeeld Europa aan het kortste eind trekt in een veranderende wereld waarin opkomende landen het meer en meer voor het zeggen krijgen bij de grote vraagstukken die op ons af komen, zoals het klimaatprobleem en de afnemende voedselzekerheid. Alleen als Europa samenwerkt kunnen 'we onze belangen en onze waarden een rol laten spelen’ in een globaliserende wereld, zei Knapen.
Voor de goede orde, deze gedachtegang hoort bij zijn onontkoombare Europa; de sinds de top van Maastricht veranderde wereld is een extra argument voor Europa. De staatssecretaris wil vooral lageropgeleiden, die zich als gevolg van de globalisering onzeker voelen, ervan overtuigen dat een samenwerkend Europa ook voor hen goed is en niet alleen voor hoogopgeleide kosmopolieten.
Europa moet, omdat er globalisering ís. Dat is kort samengevat wat Knapen zegt. Zij die in meer of mindere mate voor een samenwerkend Europa zijn, zullen die redenering beamen. Maar het probleem is dat uitgerekend de sceptische burger er extra terughoudend van wordt. Hij heeft toch al het gevoel dat het allemaal moet, dat het hem overkomt, dat hij er geen grip op heeft. Hoe doorbreek je als voorstander van een sterk samenwerkend Europa die vicieuze cirkel? Hoe kom je voorbij die tegenstelling tussen eurosceptisch en eurofiel, als je vindt dat dat moet? Want daar voorbij zijn we niet.