Wensen

Ik heb vanochtend de hand van een man beetgepakt en hem de dood toegewenst. Zachtjes, en voor de zekerheid in een taal die hij niet kon verstaan. Hoewel ik zeker wist dat hij mijn woorden onmogelijk zou kunnen opvangen, hoopte ik dat ze niet zomaar als steriele klanken in de holte van zijn gehoor zouden afsterven. Zijn gehoor is nutteloos en zijn beide trommelvliezen weren sinds zijn geboorte hardnekkig alle geluiden. Zijn ogen waren op dat moment wijd open en onbeweeglijk, op de muur tegenover ons aan het voeteneind van zijn bed gericht en weerspiegelden de leegte van de kamer. Zijn blik scheerde langs mijn lippen, die hij niet kon zien, langs mijn woorden, die hij niet kon lezen.

Het had allemaal iets grotesks en paradoxaals. Hij kon me niet horen, niet verstaan, de bewegingen van mijn mond niet ontcijferen en dus mijn boodschap niet ontvangen. Desondanks vreesde ik de ultieme ontmaskering. Dat hij, die mij zo dierbaar is, er achter zou komen dat ik hem had verraden en hem onbeschaamd naar zijn dood voortstuwde. Wist ik soms niet hoe hij van het leven had gehouden en nog hield? Hoe gulzig en soms onbeperkt hij ervan had genoten? En dan toch maar die deur opentrappen waartegen hij met al zijn laatste krachten een hele week aanleunde in de hoop hem dicht te houden?
Hij had mijn vader kunnen zijn, had er de leeftijd voor, en, vroeger, af en toe ook de drang ernaar. Sommigen beweerden ook wel eens met een bedenkelijke achterliggende gedachte dat wij, in bepaalde opzichten, op elkaar leken. Zeker wat betreft eigenschappen die in het algemeen aanvaarde en wijdverbreide concept van normen en waarden als slecht worden gezien. Eigenwijs en koppig, individualistisch en dus, in de ogen van de groep en de kring, egoïstisch.
Toen hij, bijna een jaar geleden, ernstig ziek werd, schreef ik voor het eerst een stuk over hem. Met schaamte voor zoveel openhartigheid, evenals vandaag trouwens. Maar ik had het kinderlijke voorgevoel - noem dit een soort bijgeloof - dat door hem aan de anonimiteit te onttrekken en zijn existentie op papier te bevestigen, de vloek misschien ongedaan gemaakt zou kunnen worden. Later hebben wij samen over tal van onderwerpen gesproken, maar nooit over die bewuste column.
Het wonder geschiedde bijna. Zich door de chemotherapie heen slepend die hem maandenlang het aanzien van een vage herinnering had verschaft, leek hij plotseling herboren. Hij kwam me bezoeken en leek nog jonger dan voorheen. Ik kon mijn ogen niet geloven en naïef kraaide ik al victorie. Met behulp van gebaren en dovenidioom bedolf ik hem onder complimenteuze superlatieven om nog meer glans aan zijn overwinning te geven. Ik juichte te vroeg en toen hij eind augustus uit een Grieks ziekenhuis doodziek werd overgevlogen, bleef ik met een schuldgevoel zitten.
Vanochtend heb ik zijn vrouw, die de nacht bij hem had doorgebracht, voor even afgelost. Zijn kamer in het ziekenhuis leek minuscuul en niet berekend op de omvang van de strijd die hij koppig en al afwezig bleef voeren. Hopeloos, tevergeefs en tegen beter weten in. Hij had de reflex van een gevallen krijger die men op het slagveld heeft vergeten en die naar zijn onvindbare zwaard tast. Hij had het te druk met zijn strijd en liet mijn gebaren en de contracties van mijn lippen onbeantwoord. Ik besefte dat ik dit keer degene was die voor hem niets meer dan een vage herinnering was geworden.
Pas na een paar uren vond zijn blik eindelijk mijn ogen en tegen de schim die voor hem stond sprak hij enkele woorden. Een machteloze roep om hulp. Voor het eerst in mijn leven gaf ik hem geen antwoord in zijn eigen taal. Ik haalde mijn handen uit de lucht als een scholier die aan het einde van de les zijn pennen opbergt. Ik draaide mijn gezicht weg en mijn mond verdween uit zijn blikveld. Hij kon me niet zien en niet horen. En ook als hij dit door een wonderlijk gebeuren wel had gekund, had hij me nooit kunnen verstaan: ik sprak in een vreemde taal.
Vanmiddag hoorde ik dat alle medicaties zijn stopgezet en dat hij een behandeling krijgt om de pijn te bestrijden. De nacht is nog jong. Ik zal die verder bij hem doorbrengen. Ik wil zijn kalme ademhaling horen en zijn lichaam vreedzaam zien rusten.