Wereldberoemd in japan

Als negentienjarige avonturier verliet hij Nederland, om er na 37( Aziatische jaren terug te keren als hoogleraar. Karel van Wolferen, journalist, denker en schrijver van het meest gelezen boek over Japan, is terug. ‘Als je bereid bent toe te geven dat de democratie in Europa bezig is te verdwijnen, kun je anders tegen de eigen cultuur aan gaan kijken.’ ..LE SINDS 1971 BERICHT HIJ voor NRC Handelsblad over het complexe land waar hij bijna tien jaar eerder was neergestreken en waaraan hij inmiddels vijf boeken heeft gewijd. Zijn standaardwerk, The Enigma of Japanese Power, heeft wereldwijd het beeld van Japan diepgaand beãnvloed. In een Japans politiek-economisch tijdschrift werd hij onlangs als enige buitenlander vermeld in een overzicht van de belangrijkste hedendaagse denkers over Japan. En er is zelfs een boek verschenen waarin tien vooraanstaande Japanse schrijvers uitleggen hoe Karel van Wolferens werk geãnterpreteerd moet worden. ‘Aan belangstelling geen gebrek!’ constateert de kersverse hoogleraar tevreden.

Als kind wilde hij musicus worden. En al belette een onvolgroeide rechterarm hem die droom te verwezenlijken, muziek is altijd een grote liefde gebleven. ‘Ik heb ooit nog geprobeerd een soort schuif-fluit te bouwen, volgens het principe van de trombone, maar dat is geen succes geworden’, vertelt hij. Gelukkig was er die andere passie: lezen. Bij voorkeur over onbekende verten. Zo raakte hij al heel jong gefascineerd door het gelijktijdige bestaan op deze aardbol van primitieve beschavingen en geacheveerde culturen. Hij trok zich terug in de openbare bibliotheek van zijn woonplaats Rotterdam, en omdat zijn leeswoede hem geen tijd liet huiswerk te maken, stapte hij, niet geheel vrijwillig, van het gymnasium over naar de ulo. Sindsdien heeft hij nooit meer huiswerk hoeven maken.
'In die tijd zag ik de film Around the world in 80 days’, vertelt hij. 'Die heeft me aangespoord om de wereld in te gaan. Op grond van de uit het Sanskriet vertaalde verhalen over wijze mannen die zich in het Himalayagebied hadden teruggetrokken, vond ik dat het India moest worden. In september 1960 ben ik liftend op weg gegaan.
Na een dag of tien kwam ik in Istanbul aan. Daar werd ik gewaarschuwd voor sneeuw, wolven, cholera en overvallen in de bergen van Anatoli‰. Ik moest dus in Istanbul zien te overwinteren. Twee Engelsen, die ik in de jeugdherberg ontmoette, raadden me aan Engelse les te gaan geven. Al was mijn Engels niet zo denderend, dat van de Turken was nog slechter, dus heb ik me bij een talenschool gemeld. Twintig minuten later stond ik voor de klas.
Tegen Kerstmis heb ik nog geprobeerd om via Basra, in Irak, met een pelgrimsboot naar Bombay te komen. Maar op de grens van Syri‰ en Irak ben ik uit de trein gegooid omdat mijn papieren niet in orde waren. Daar stond ik, ontredderd, in een sprookjesachtig woestijngebied met lemen huisjes. Volslagen bijbels. In het voorjaar is het me uiteindelijk gelukt om, samen met een Amerikaan, in een busje naar Bombay te reizen. Daar ben ik gaan fotograferen, ik heb wat foto’s verkocht, en schreef mijn eerste stukjes, voor The Illustrated Weekly of India. Rijk werd ik er niet van, maar ik had weinig nodig. Ik leefde van kokosnoten en bananen.
India was minder romantisch, veel materialistischer en vooral heel veel vuiler dan ik me had voorgesteld. In Thailand, Maleisi‰, de Filippijnen beviel het me beter. Na twee jaar ben ik in Japan terechtgekomen. Daar heb ik, tot ik in 1971 voor de NRC ging schrijven, voornamelijk Engelse les gegeven. Eerst aan een gerenommeerde talenschool, later ook aan de universiteit.’
DE JAPANSE TAAL is Van Wolferen nooit Çcht meester geworden. Op zijn artikelen voor NRC Handelsblad na publiceerde hij in het Engels. Aan zijn jarenlange verblijf in Japan heeft hij behalve een archaãsch taalgebruik ook een licht Engels accent overgehouden.
'Japan is veel ingewikkelder dan de andere landen van Zuidoost-Azi‰. Daar kun je er, als correspondent, in een halfjaar wel achterkomen hoe de vork in de steel zit. In Japan ben je dan nergens. In het begin had ik het gevoel dat ik terugkwam in een westerse omgeving. Schoon en goed georganiseerd. De mensen waren geãnteresseerd in kunst en literatuur, in cafÇs werd klassieke muziek gespeeld, in een warenhuis klonken over de luidsprekers de cellosuites van Bach. Dus ik dacht: ik ben in het juiste land, hier moet ik blijven.
Tegelijk werd ik geconfronteerd met heel onverwachte menselijke verhoudingen. In het eerste halfjaar krijgen de meeste buitenlanders een kater van Japan. Omdat zij als vanzelfsprekend op mensen vertrouwen en ontdekken dat je niet op ze k£nt vertrouwen. Althans niet op de manier waarop je dat gewend bent. Al je veronderstellingen blijken onjuist. Pas daarna leer je de westerse samenleving in een ander perspectief te zien.
Zo ben ik geleidelijk aan gaan begrijpen wat eurocentrisch eigenlijk inhoudt. Het wordt vaak ten onrechte in verband gebracht met een neiging om dingen uit te leggen vanuit een westers perspectief. Westerlingen voelen zich bijvoorbeeld al gauw schuldig over hun koloniale verleden, en dat is maar goed ook: van daaruit zijn ze geneigd te denken dat er juist in het Westen veel racistische vooroordelen leven. Dat is misschien wel zo, maar ik geloof niet dat racisme in Europa echt een probleem is. Er heerst hier grote behoedzaamheid, angst bijna, om iets te zeggen over een andere cultuur dat als negatief opgevat zou kunnen worden.
Het eurocentrisch denken waar ik het over heb, gaat over veronderstellingen waar men zich nauwelijks bewust van is, natuurlijk als de lucht die je inademt. Dat kun je niemand kwalijk nemen. Ik beweer wel dat het mogelijk is om, op grond van ervaringen in Oost-Azi‰, een taal te construeren waarmee je een heleboel dingen beter gaat begrijpen.’
'DE JAPANSE samenleving is doortrokken van de begrippen Tatemae en Honne. Tatemae staat voor de fa‡ade, de offici‰le motieven, veinzerij ook. Honne is de echte werkelijkheid, de ware motieven. Die dichotomie stelt je in staat om eerlijk te zijn over je oneerlijkheid. Ook in het Westen hebben we daar in het maatschappelijk leven mee te maken. Meer dan de meeste mensen bereid zijn toe te geven.
Als je bereid bent achter je eigen fa‡ade te kijken en toe te geven dat de democratie in Europa bezig is te verdwijnen, kun je anders tegen de eigen cultuur aan gaan kijken.’
Hoezo is de democratie bezig te verdwijnen?
'De Europese eenwording is een bedreiging van de democratie. Staten geven een deel van hun soevereiniteit uit handen, waardoor de burger medezeggenschap verliest. Bovendien is die eenwording tot stand gekomen op een ondemocratische manier, nauwelijks begrepen, laat staan gesteund, door de openbare opinie. Over het hoofd gezien is het belang dat burgerschap voor de staat heeft. De staat is de verpersoonlijking van een gemeenschap, wettelijk geregeld. Je kunt vechten met de staat, of onderhandelen, de staat is een rechtspersoon, een centrum van aanspreekbaarheid. Geef je een stukje van de soevereiniteit van die staat weg, dan verminder je de waarde van het burgerschap.
Als je in Europa een bepaalde graad van democratie wilt behouden, moet er maatschappelijk draagvlak komen. Voor de eenwording van Europa is dat er absoluut niet. Zelfs de goede commentatoren, in Duitsland, in Frankrijk, die zich ermee bezighouden, vertalen alles naar de problematiek in hun eigen land. Dat betekent dat er allerlei uiteenlopende belangengroepen ontstaan die bij elkaar onmogelijk democratisch te regeren zijn.
Om dat soort zaken vanuit een ander perspectief te kunnen bekijken heb ik ja gezegd toen ik door de Universiteit van Amsterdam werd gevraagd voor een hoogleraarschap. Ik heb hard moeten nadenken, want ik moet er een deel van mijn leven in Azi‰ voor opgeven. Ik heb gezegd dat ik belangstelling had, maar dat ik niet over een bepaald gebied wilde doceren, dus geen Japanologie of zoiets. De leerstoel heet nu Vergelijking politieke en economische instituties. Daarmee bedoel ik: het bestuderen en vergelijken van stelsels in verschillende maatschappijen en de wisselwerking tussen idee‰n, instituties en macht. Daardoor kunnen we misschien iets meer gaan begrijpen van onze post-koude-oorlogwereld. Ik denk dat op dit ogenblik de terminologie ontbreekt om doelmatig over de wereld te spreken.
Eind vorige eeuw was er in de Verenigde Staten een filosofische stroming die uitgroeide tot de zogenaamde institutionele economie: een poging om vooral economische aspecten van het leven institutioneel te verklaren. Die stroming, in de tijd van Roosevelt bijna dominant, werd daarna uit de weg ge‰lleboogd door een economische pseudo-wetenschap, met een abstractie als centraal idee. De aanhangers van die idee namen het concept van de markt, en beschouwden de markt niet als een institutie, maar als een abstractie die, als ware het God of de Natuur - in elk geval iets met een hoofdletter - allerlei dingen bepaalde. Vooral de laatste tien jaar heeft dit andere vormen van systematisch economisch werk - economische geschiedenis, politieke economie - helemaal weggedrukt. Daardoor zien we een heleboel dingen niet.
Ik wil hier in Amsterdam proberen die idee‰n opnieuw te bekijken en er nieuwe idee‰n aan toe te voegen. Idee‰n die je kunt ontwikkelen op basis van kennis die je opdoet in andere stelsels.’
'HET BESTUDEREN VAN DE wisselwerking tussen idee‰n, instituties en macht - de drie ingredi‰nten van de politieke werkelijkheid - lijkt me boeiend en leerzaam.
De eerste vraag die je bij het maken van vergelijkingen moet stellen is: wat is er anders? Dat is niet hetzelfde als wat de Amerikanen “comparative” noemen, waarbij men dingen die eigenlijk niet bij elkaar horen in een bepaald patroon dwingt. Dat zagen we bijvoorbeeld gebeuren tijdens de Golfoorlog. De vraag was of Bush moest doorzetten en Saddam Hoessein achterna gaan - wat volgens mij de enige rechtvaardiging was van die oorlog waarbij ontzettend veel mensen omgekomen zijn. Maar, werd er gezegd, als je dat doet krijg je een Libanon-situatie. Onzin. Irak is geen Libanon. Je krijgt natuurlijk problemen, maar die zijn heel anders dan in Libanon. Men had zich dus moeten afvragen: hoe anders is het?
De manier waarop men denkt is zo simplistisch. Neem de Aziatische crisis. Daarbij gaat het IMF, maar ook Washington, ervan uit dat Korea, Thailand en Indonesi‰ de corruptie maar te lijf hoeven gaan en we hebben in Azi‰ straks een mooie, transparante, op kapitalistische leest geschoeide economie. Je reinste flauwekul. Het is naãef en gevaarlijk om zo te denken. De pers heeft ons geen goede diensten bewezen, want er wordt klakkeloos overgenomen wat de technocraten vertellen. De kranten kunnen dat doen omdat er geen terminologie is die de huidige wereld goed kan beschrijven.
Ook hier werken de media - onbedoeld - mee aan het behoud van de status quo. Ze stellen wel dingen aan de kaak, waardoor je de illusie hebt dat er iets gebeurt. Een van de schaarse zinvolle idee‰n van Marcuse was dat van de “repressieve tolerantie”. Daar wordt nu heel minachtend over gepraat, maar je moet het niet van tafel vegen. Het is wel degelijk zo dat je, door de schijn te wekken dat je dingen aan de kaak kunt stellen, zonder dat er verdere actie aan wordt verbonden, jezelf in de vingers snijdt. Met een institutionele benadering van dit soort dingen, door te bekijken hoe macht en instituties op elkaar inwerken, zie je verbanden die je niet ziet als je volgens de standaardpoliticologie te werk gaat.
Ik heb dit idee uitgewerkt en dat is wat ik ga doceren. Als bijvak of postdoctorale studie voor politicologen, economen, psychologen, sociologen. Acht maanden per jaar geef ik les aan de universiteit, vier maanden mag ik me als een kluizenaar terugtrekken. Maar eerst moet ik dat instituut op poten zien te krijgen. We hebben het Institute for Comparative Political and Economic Institutions genoemd. Een lange naam, maar wel een die de lading dekt.’
ONDANKS ZIJN langdurige afwezigheid is Karel van Wolferen zich Nederlander blijven voelen. 'Al heb ik wel het gevoel dat ik opnieuw moet leren waar de grenzen liggen’, zegt hij. 'In het begin was ik hier veel te beleefd, dat wekt een verkeerde indruk. Ik trof een ander Nederland aan dan ik in 1960 achter me liet. Losgeslagener, met minder persoonlijke verantwoordelijkheid.
Een van de meest waardevolle dingen die ik in Japan geleerd heb is het belang dat men aan de vorm hecht. Wij zijn opgegroeid in een cultuur van: je moet authentiek zijn, en de vorm niet laten overheersen. Dus aanvankelijk heb je het idee dat Japanners zich over de inhoud minder druk maken. Nu denk ik dat heel vaak de vorm de inhoud is. Of zo met de inhoud verstrengeld dat je meer aandacht aan de vorm moet geven. Dat geldt ook voor omgangsvormen. Ik denk dat Japanners elkaar in veel opzichten een beter leven bieden door wellevender met elkaar om te gaan. Schaamte is het grote probleem in hun cultuur. Die kun je alleen verwerken door haar om te zetten in schuld, zodat je je kunt verontschuldigen. Dat doen ze dan ook voortdurend. In tegenstelling tot de Nederlanders. Als er hier iets fout gaat zeggen ze: “foutje!”. Dan kun je er niks meer over zeggen. De volgende keer gaat het net zo.
De lelijkheid van Tokio zal ik niet missen. De nieuwe Japanse steden zijn nog erger. Al voordat de universiteit met dit aanbod kwam had ik het plan om mijn bestaan naar Europa te verplaatsen. Ik wil oud worden in een esthetische omgeving. In een huis met hoge plafonds!’