Tien jaar internet

Wereldbrein of wanorde

We hebben nu tien jaar toegang tot het world wide web. De meest radicale voorspellingen over internetgebruik kwamen niet uit. Emoties en lichamelijkheid bepaalden de grenzen.

Ruim tien jaar geleden ging Netscape Communications naar de beurs. Het Amerikaanse bedrijf was nauwelijks een jaar oud, opgericht door de briljante 22-jarige Marc Andreessen en high tech veteraan Jim Clark. Marc had de ideeën en beschikte over een groep slimme vrienden uit Illinois die 48 uur non-stop konden programmeren voor ze over hun toetsenborden zakten. Jim had het geld en de connecties. Aan het eind van de eerste beursdag was de aandelenkoers met 167 procent gestegen. Netscape zou een totale waarde van 2,6 miljard dollar bereiken.

De Netscape-browser veroverde in hoog tempo de Amerikaanse en Europese markt. De professionals beschikten al sinds 1969 over het Arpa-net en zijn nazaten, maar nu was eindelijk het gewone volk aan de beurt. Pas met Netscape begon het surfen massale vormen aan te nemen. Er zou een nieuwe wereld aanbreken, misschien wel een betere.

Thomas Friedman, buitenlandcommentator voor The New York Times en globaliseringsgoeroe, plaatst in The World is Flat: A Brief History of the Twenty-First Century de beursgang van Netscape op de tweede plaats in zijn lijst van Tien Grote Platmakers. Alleen de val van de Muur was belangrijker.

Inmiddels is het internet zo normaal geworden dat het technologietijdschrift Wired zich afvroeg of we nog wel zien hoe revolutionair het eigenlijk is. Maar de eerste conclusies over die betere wereld kunnen we wel trekken. Het net bracht de mensen niet nader tot elkaar, het kostte geen enkele echte dictator zijn baan, mens en machine zijn niet versmolten en de meerderheid van de best bezochte websites is eigendom van grote ondernemingen. Tien jaar na de beursgang van Netscape dwalen we nog even gretig als altijd door meubelpaleizen en boekwinkels, zitten de collegezalen vol en vergassen we miljoenen liters kerosine om lijfelijk bij elkaar te zijn. De factor waarop de meest bombastische voorspellingen over het internet altijd zijn stukgelopen is onze onont koombare lichamelijkheid.

In de late jaren negentig, toen er fortuinen werden verdiend met internetplannen die nog uitgevoerd moesten worden, begonnen sommige experts te geloven dat het gedaan was met de ouderwetse economie van winst maken met producten waar de kopers echt iets aan hadden. De filosoof John Gray schreef in Strawdogs dat het internet weer eens bewees dat de wereld «wordt geregeerd door de macht van de suggestie». Maar de oude wereld liet zich niet zomaar uitschakelen, zoals voorjaar 2000 bleek toen de dotcom frenzy bedaarde.

De computerwetenschapper David Gelernter voorzag in zijn essay Second Coming uit 1999 een enorme, lichaamloze informatieruimte, de «cybersphere», die vanuit alle hoeken van de wereld kon worden benaderd. Metaforen als «mappen» en «bestanden» hielden ons alleen maar «gevangen» in een passieve manier om naar informatie te kijken. Want waarom zouden we accepteren dat files namen moeten hebben en waarom zouden ze in één bepaalde directory moeten zitten? Waarom niet nergens of op meerdere plaatsen? Zo werkte ons brein toch ook? Zes jaar eerder was diezelfde Gelernter overigens op een ex plosieve manier aan de plaatsgebondenheid van zijn eigen lichaam herinnerd toen hij een brief van de Unabomber opende en permanente schade aan zijn rechterhand en -oog opliep.

John Brockman, de drijvende kracht achter de website Edge.org – een third culture-site waar wetenschap en filosofie elkaar ontmoeten – vroeg in 1999 aan diverse wetenschappers wat de belangrijkste uitvinding van de twintigste eeuw is. Computerwetenschapper Clifford Pickover gaf een verhelderend antwoord: «De chaostheorie leert ons dat zelfs onze geringste handelingen versterkte gevolgen hebben. Dat is tegenwoordig duidelijker dan ooit. Altijd wanneer ik ’s nachts eenzaam ben, kijk ik naar een grote kaart die de 61.000 internetrouters weergeeft die over de wereld verspreid staan. Ik stel me dan voor hoe ik een vonkje uitzend, een idee. Een collega uit een ander land geeft dat door aan zijn collega’s, en zo gaat dat voort tot het elektronische gepraat op het zingen van monniken begint te lijken.»

De internethype is dan vier jaar aan de gang en de verwachtingen zijn hooggespannen. De filosoof Andy Clark ziet in het internet «vermoedelijk de volgende grote stap in de evolutie van het denken en de rede», een medium waardoor ideeën «met ongekend gemak kunnen reizen, muteren, recombineren, over de oude grenzen van cultuur, taal, geografie en de centrale overheden heen». Het is een klassie ker: voorspellingen over het internet slaan makkelijk op hol omdat het zo grenzeloos lijkt, en wie zou die onafzienbare cyberneti sche Lebensraum niet aanbidden? Het is geen toeval dat Pickover en anderen het weg kwijnen van de natiestaat voorspellen.

Roger Schank, een computerwetenschapper, denkt dat winkelcentra, postkantoren, universiteiten («die zullen alleen nog football te bieden hebben») en zelfs oorden van vermaak zullen verdwijnen: «Als we niet naar de stad hoeven te wandelen om uit te vinden wat daar gebeurt, waarom zouden we daar dan heen gaan?» Het is tekenend voor een bepaalde categorie voorspellingen.

Volgens de filosoof van de snelheid, Paul Virilio, gaan we «een vervorming in de waarneming van de werkelijkheid tegemoet, een mentale hersenschudding». Nicholas Negroponte van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) voorspelt in 1995 «het einde van al het gedrukte materiaal tegen het jaar 2000».

Er klinken ook andere geluiden. De Elon Universiteit in North Carolina bouwt in samenwerking met het Pew Internet & American Life Project een database met duizenden internetvoorspellingen uit de periode 1990-1995. Uit de commentaren van filosofen, socio logen, informatici en vele andere deskundigen kun je afleiden dat in de vijf jaar voor het uitbreken van de epidemie werkelijk alles is beweerd over het net: «Niemand heeft dat net nodig, we gaan miljarden dollars over de balk smijten.» «Het web is oké, maar de mensen zullen verveeld raken. Niemand wil gegevens, de mensen willen interactie.» «Het zal een negatief effect hebben op de individuele vrij heid.»

Er wordt ook gezegd dat het net zal instorten onder een extreme hoeveelheid verkeer, en «een heleboel versies van jezelf zullen overal opbloeien, een nieuwe lente voor de schizofrenie!» Er wordt gewaarschuwd voor grootschalige inbreuk op allerlei vormen van copyright.

Een andere categorie voorspellingen mikt op de cyborg, de uiteindelijke samensmel ting van mens en machine. «Het draadloze lichaam neemt de snelheid van virtuele uitwisseling op in zijn lichaamscellen», schrijft Arthur Kroker in een essay dat typerend is voor deze denktrant en schrijfstijl: Nietzsche Gets a Modem. De mens wordt «dedicated flesh» dat zich langs «de verraderlijke klippen van het elektronische heelal moet loodsen».

Voorlopig lijkt er van deze samensmelting opvallend weinig terechtgekomen en we horen er ook niet zo veel meer over. Toch zal vrijwel niemand durven ontkennen dat het een succes is geworden, hoe ergerlijk de randverschijnselen ook zijn, zoals virussen, on gewenste e-mailtjes, kinderporno, extre mistische sites, oplichters, kortom, de tomeloze anarchie van het web.

De wanorde en al dat bandeloze communiceren lijken de onvermijdelijke keerzijde van de vrijheid, maar ze zijn ook regelmatig als democratiserende krachten beschreven. Ten onrechte. Bijvoorbeeld in China. Ondanks ruim honderd miljoen surfende en e-mailende Chinezen lijkt de democratie daar vooralsnog niet uitgebroken. The New York Times beschreef op 19 september vorig jaar onder de kop Building the Great Firewall of China hoe handig het Chinese regime met het net omgaat: «Het internet bloeit, maar China wordt geslotener. De regering gebruikt het net meesterlijk als een stoomklep.» Met slimme filters wordt gebruikers de kennismaking ontzegd met verderfelijke begrippen als «democratie», «mensenrechten», «Taiwan» en «Tienanmen». De firma’s Microsoft en Cisco waren zo vriendelijk de benodigde apparatuur en hulp middelen te leveren voor die elektronische Chinese Muur.

Ook de verwachting dat gebruik van het net verkiezingsoverwinningen zou opleveren kwam niet uit. In een artikel in The New York Review of Books van november 2000 trekt James Fallows de conclusie dat de rol van het web tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van eind 2000 ernstig onder de maat van de verwachtingen bleef en dat de televisie nog net zo machtig was als altijd. De Democratische kandidaat Howard Dean maakte vier jaar later handig gebruik van e-mailcampagnes om financiële steun van gewone Amerikanen te werven en sympathisanten via het net als decentrale campagnemedewerkers in te schakelen, maar Dean werd niet eens de Democratische presidentskandidaat. Daar staat tegenover dat de Lewinsky-affaire door de roddelsite Drudge Report werd gestart en dat doofpotten vermoedelijk slechter functioneren als er duizenden weblogs worden bijgehouden. En e-commerce werd tot voor kort nog regelmatig de grond in geschreven, maar het begint nu succesvol te worden.

Clifford Pickover gaf zijn voorspellingen vijftig jaar de tijd en Kevin Kelley denkt in Wired tien jaar vooruit. Hij beschrijft het internet als een wereldbrein, «een computer van planetaire afmetingen» die in complexiteit de menselijke geest benadert (hier duikt het aloude motief van de kunstmatige intelligentie weer op): «In 2015 zullen mensen die worden gescheiden van de Machine zich niet meer zichzelf voelen – alsof ze een lobotomie hebben gehad.» Dat klinkt misschien overdreven, maar een bevriend systeemprogrammeur verzekerde me dat sommige collega’s dat nu al zo voelen.

Eind jaren tachtig begon de Brit Tim Berners-Lee, die bij het Cern in Genève werkte, zich eraan te ergeren dat de documenten die hij nodig had zich op verschillende computers bevonden en daarom lastig te vinden waren. Hij kwam op de gedachte om een adresseringssysteem te ontwerpen waarmee je documenten overal in het netwerk kon opvragen: de Uniform Resource Locator in het browserbalkje. Hij ontwikkelde ook een taal om webdocumenten op te maken (HTML) en toen was de tijd rijp voor super geek Marc Andreessen en zijn team.

Toch zijn diverse specialisten en visionairen ontevreden over het web. Op de site OpenDemocracy publiceerde technologie-expert en BBC-columnist Bill Thompson onlangs het artikel Down with the Web, waarin hij kritiek levert op de manier waarop de browsers onze blik op het net vernauwen. Hij propageert «gedistribueerde toepassingen» die de gebruikers rechtstreeks met het netwerk verbinden. We denken vaak dat de browser het web is, maar het net is grotendeels onbereikbaar voor ons – het deep web waar Google’s zoekrobots nooit komen.

De laatste jaren doemen er allerlei nieuwe toepassingen op die gebruikers bijvoorbeeld in staat stellen om de browser heen databasegegevens op te vragen of andere toepassingen te starten. «Weten de mensen dat niet?» vroeg mijn vriend de systeemprogrammeur met meer dan een vleugje snobisme. «Ik doe bijna álles om de browser heen.»

«De hyperlink was niet nieuw», zegt Thompson door de telefoon. «De grote sprong was de verbinding tussen de hypertekst-idee en het netwerk.» De URL zorgde voor een enorme schaalvergroting, maar het web was géén filosofische doorbraak. «Tim was vooral praktisch. Technologisch was het niet zo bijzonder. Toen hij zijn plan aan collega’s van Cern voorlegde, vonden ze het idee wel uitvoerbaar, maar niet zo interessant.» Berners-Lees origi nele idee was geïnspireerd door idealisme: het web zou de mensen helpen elkaar beter te leren kennen, zodat er minder conflicten zouden zijn. Thompson lacht hartelijk: «Maar die verwachting kwam niet uit. Naarmate we meer over onze buren leerden, begonnen we ze nóg minder te mogen. De verhoudingen verslechterden door de over vloedige informatie. Zou het conflict tussen de islam en het Westen niet minder heftig zijn als we wat minder van elkaar wisten?»

Het internet, weten we nu, gaat voornamelijk over emoties en contacten. «Niemand wil gegevens, we willen interactie.» Tot op zekere hoogte blijkt dat juist te zijn. De belangrijkste internettoepassing is e-mail en het laatste jaar is de diep persoonlijke blog in opmars. De menselijkheid zegeviert, zowel in het positieve als in het negatieve. De een ziet in de emoticons een bewijs van stilistische armoede, de ander beschouwt ze als een luchtig spel.

Na de tiende verjaardag van Netscape is het optimisme rond het net niettemin ongebroken. Internet, televisie, radio en telefoon gaan samensmelten, beweren de kenners. Video, muziek en advertenties verhuizen naar het in ternet en al onze apparaten krijgen een IP-adres, zelfs onze pacemakers, zoals sommige hackers met genoegen zullen vernemen. Er ontstaan nieuwe vormen van samen werking, zoals open source software waarbij programmeurs uit de hele wereld el kaars code verbeteren en aanvullen. Be rij ven stroom lijnen hun werk processen. Vernieuwingen vinden eer der doorgang omdat de interactie sneller verloopt. De econo mische mogelijk heden van het net zijn nauwelijks aan geboord, menen de waarzeggers.

De paradox van de webhysterie in de late jaren negentig is dat er een overcapaciteit aan glasvezelverbindingen werd aangelegd die nu kan worden gebruikt om nieuwe, meer bandbreedte eisende internetdiensten aan te bieden. Het vertrouwen van de investeerders, geschaad door de dotcom bubble, lijkt weer terug te keren – «Web 2.0» noemen ze dat in Silicon Valley, waar zoveel miljonairs wonen dat er alleen onderscheid wordt gemaakt tussen de haves en de have everythings.

«Niemand weet wat voor ons ligt», zei een staflid van het Pew Internet Project tegen CNN. «De geschiedenis van het net heeft ons geleerd het onverwachte te verwachten.»

De geschiedenis van het net heeft ons ook geleerd dat de mensen van lichamelijke nabij heid houden. Een paar jaar geleden expo seerde het Field Museum in Chicago het onvolledige skelet van een Tyrannosaurus Rex die Sue werd genoemd, de best bewaard gebleven T. Rex ooit gevonden. De schedel van Sue woog een ton en kon niet eens op het skelet worden geplaatst. Sue was morsdood, incompleet en had geen spoor van dedicated flesh meer aan haar lijf, maar ze wás er, ze was tastbaar. «De mensen», memoreerde museum directeur John McCarter, «hebben veel alternatieven, zoals computerspelletjes, winkelen en het internet, maar ze houden van the real thing.»