Menno Hurenkamp

Wereldburgers

Er is een nieuwe mens in de maak. Je ontdekt hem hier en daar in kranten en tijdschriften. Hij heet dan transnationale, transculturele, nomadische of postnationale burger. Soms noemt hij zichzelf kosmopoliet, soms wereldburger, soms migrant. Hij kan een internetondernemer zijn of een antiglobaliseringsactivist, een bureaucraat van een internationale organisatie, een vluchteling uit het Midden-Oosten of een rusteloos reizende Nederlandse intellectueel. Maar zijn onderscheidende kenmerk is steeds: hij heeft geen eenduidige wortels, geen herkenbaar vaderland. Vanwege politieke of economische noodzaak of uit totale desinteresse woont hij waar het uitkomt.

Hoe ongedefinieerd ook, deze nieuwe wereldburger is vaandeldrager van een modern vooruitgangsgeloof. Als heroplevend nationalisme het sombere antwoord op de wegvallende grenzen van de jaren negentig is, is de transnationale migrant de optimistische repliek. De ouderwetse kosmopoliet was een humanist die zich gemakkelijk thuisvoelde in verschillende culturen, een belezen toerist. De transnationale burger gaat een stap verder. Hij wil zich niet thuisvoelen in de cultuur die hij aantreft, hij herschept die cultuur. Zijn burgerschap, zijn wereldburgerschap, schuilt niet in deelname aan politieke partijen en gevestigde instituten. Hij is lid van de wereldgemeenschap door mondiaal activisme, of juist door consumptie van spullen met een mondiaal imago — roti, Nike.

Tot zover de theorie. Wacht de wereld burger een gelukkig leven? In het essay Transnationalisme: Als niets meer samenvalt formuleerden schrijvers Chris Keulemans en Sherwin Nekuee vorig jaar een opdracht voor de migranten in Nederland. Als, áls zij hun verantwoordelijkheid nemen en niet vluchten in hun oude cultuur of in mono-etnisch denken, maar op de bres springen voor de dialoog tussen oude en nieuwe inwoners, kunnen juist zij degenen zijn die onze vermolmde democratie weer tot leven wekken. Geen geringe opgave.

Eind vorig jaar schreef Hans Maarten van den Brink een persoonlijk getint relaas. Hij constateerde dat het een verrijking is een achtergrond in meerdere culturen te hebben. Dat daarom niemand de toegang tot een land zou mogen worden geweigerd. Maar helaas: mensen zijn niet gemaakt voor het kosmo politisme. Nederlanders én migranten zoeken altijd naar een achtergrond, verzinnen die meestal zelfs, zoals alle familiegeschiedenissen grotendeels fantasie zijn. Alleen als je die verzonnen geschiedenis voor jezelf houdt, kun je volgens Van den Brink wereldburger zijn. «Troost vinden in de fictie, maar er geen rechten aan ontlenen.» Ook dat is niet eenvoudig.

Het verlangen naar herkomst dook ook op in een portret van de telgen van euroambtenaren in de zaterdagse NRC. Die kinderen wonen met een Deense vader en een Griekse moeder in het Belgische Brussel. Anders dan de generatie van hun ouders voelen ze zich niet verwant met «de Europese identiteit». Het idealistische gevoel te bouwen aan een naoorlogse Europese volkengemeenschap is met het uitdijen van de eurocratie verloren gegaan. «Ik wil ergens bijhoren», verzuchten de zestienjarige transnationalen, die als pubers vermoedelijk bedoelen: ik wil me ergens tegen afzetten.

We zullen ongetwijfeld nog veel over nieuwe wereldburgers horen. Hun aantallen nemen, met de internationalisering van economie en onderwijs, met het blijven ontstaan van politieke brandhaarden, nog altijd toe. Intrigerend is de vraag of al die mensen zich bewust zijn van de grote idealen die op hun schouders worden gelegd.