Slangen van Dominique De Groen is een kleine bundel waarin ik lang ben blijven lezen. Opmerkelijk hoe deze dichteres in korte tijd een markante stem is geworden met poëzie die zowel kritisch, politiek als volkomen onnavolgbaar is, inspiratiebron voor talenten als Maxime Garcia Diaz. Het werk is grillig, avontuurlijk, en verschijnt misschien niet voor niets bij het balanseer, de Vlaamse uitgeverij die een neus lijkt te hebben voor eigenzinnig en baanbrekend werk, zie bijvoorbeeld Obe Alkema, Arno Van Vlierberghe en Çaglar Köseoglu.Slangen, onlangs bekroond met de Jan Campert-prijs, is De Groens vierde bundel na Shop Girl (2017), Sticky Drama (2019) en offerlam (2020). Het prachtig uitgegeven offerlam is evenals Slangen een ‘klein’ boekje met een hoog soortelijk gewicht, waarin het lijdend onderwerp niet voor één gat te vangen blijkt, want wie of wat ís dat offerlam nu precies? Een wezen, ja, een lichaam in verzet, dat ook, een metafoor die een gat in onze hang naar duiding wil blijven, en buiten het blikveld van de lezer een mate van vrijheid wil heroveren:

Het offerlam is dood vanwege jouw gebrekkig theoretisch kader.
Het offerlam wil, maar wat?
Het offerlam ziet door de bomen het bos niet, en nu ook geen bomen meer.
Het offerlam kan niet meer.
Het offerlam trilt op haar hoeven.
Het offerlam is nostalgisch naar toekomst.
Het offerlam is geen symbool.
Het offerlam verzet zich tegen jouw kritische lezing.

Zo. Daar kan de lezer het mee doen.

De politieke poëzie van De Groen neemt ferm stelling, maar met de verbeelding als omweg. Ze is een intellectueel spel, met de nadruk op spelen – we hebben het immers over poëzie, niet over een traktaat. Het offerlam uit de gelijknamige bundel verzet zich tegen elke vorm van symboliek, die onschuldig en tandeloos maakt, en ook tegen iets als een definitieve lezing, die inkadert en onschadelijk maakt. Het offerlam zou een benaming kunnen zijn voor de poëzie van De Groen.

Slangen bestaat uit een aantal lange tot zeer lange, titelloze gedichten die samen één geheel vormen. Hoewel, een geheel? De bundel is evenals zijn drie voorgangers bij uitstek fragmentarisch, een collage waarin de verschillende kleine onderdelen lezen als afgeronde, kleine doorkijkjes. Om ‘schoonheid’ geeft De Groen niet heel veel, integendeel, de taal in Slangen omarmt het groteske en abjecte met volle overtuiging, zoals in dit prozafragment, waar ene Blowflygirl (een van de ongedefinieerde personages, naast al die slangen) in de spotlichten staat:

dus blowfly_girl2@yahoo.com klimt in de afvalcontainer, de zwarte vuilniszakken warm van de zon, geur van bedorven eten en smeltend plastic. Ze vist de zak die ik hier vorige week achterliet vanonder het vuilnis, opent hem. Duizenden maden krioelen in de rottende homp vlees. Ze gebruikt het bruine slijm als glijmiddel terwijl ze zichzelf vingert bij de aanblik van de wriemelende wormen. Ze scheurt stukjes vlees van de klomp en steekt ze, met hun omhulsel van wemelende maden, een voor een in haar vagina.

Het mag duidelijk zijn dat dit geen keurige poëzie is met afgeronde overpeinzingen, gevat en poëtisch gebracht. Dit is radicale taal, die niet voor niets verwijst naar het fenomeen TubGirl, dat het vrouwelijke lichaam als object tot nieuwe obscene dieptes stuwde. Resultaat van verregaande afstomping en hang naar nog extremere prikkels?

Het zijn dit soort passages die ik zo intrigerend vind, omdat hier bewust grenzen worden opgezocht in de poëzie waardoor ik me afvraag: wat wil deze tekst zeggen? Dit lijkt mij geen goedkoop schokken ter wille van het schokken – gek genoeg zie ik deze woedende bundel als een hoopvolle, idealistische tekst die een uitweg zoekt uit het wanstaltige, door datzelfde wanstaltige en oppervlakkige van onze westerse levenswijze heel precies en uitvoerig te presenteren, en ze vervolgens plat te slaan. De mens, of de man, is immers het centrum van de wereld niet, en die wereld is niet maakbaar. Je zou de tekst een reinigingsritueel kunnen noemen, een performance.

Nou ja, dit klinkt allemaal veel stelliger dan bedoeld, ik merk dat de bundel zich ook bij herhaald lezen niet laat vangen. Geen klassieke, ‘mooie’ taal (hoewel je de ene na de andere schitterende formulering tegenkomt) maar wel een beeldrijke, intertekstuele zoektocht naar transformatie en vloeibaarheid als een vorm van vrouwelijk verzet, want zoals het motto van Hélène Cixous luidt: ‘Une femme sans corps, une muette, une aveugle, ne peut pas être une bonne combattante.’ Als de stom gemaakte, abstracte vrouw weet te transformeren, kunnen kwetsbaarheid en afhankelijkheid wellicht worden afgeworpen, immers: ‘een slang werpt werelden van zich af als dode huiden’.

Als dat niet idealistisch is. Slijm, drab, residu, filth, het glibberige, het duistere ritueel, dat alles lijkt een redding in te houden, een tegenmacht: ‘hier zijn de slijmerige vormen onbreekbaar/ te glibberig om vast te grijpen/ te nat voor sterke handen’.

Een eendimensionale of utopische bundel is Slangen intussen niet, met al die ambigue regels. Is dit fragment nu bijvoorbeeld een wensgedachte, of een terzijde vol cynisme: ‘we zijn verliefd, kapitalisme is voorbij mentale ziekte is voorbij/ klimaat is voorbij arbeid is’. En die slangen, echte en metaforische, ‘ze stikken in hun dure drankjes’, ‘verdrinken in koele onderaardse meren van/ gesublimeerde emoties’, maar tegelijkertijd zal de revolutie ‘traag en slijmerig en donker zijn/ ze zal miljoenen wriemelende slangetjes zijn/ die stil, geduldig gaatjes boren/ in de schil van de dag’.

Het is en-en; de kitsch, het neon, ze worden verafschuwd en bewonderd. Zelfbewust en met een knipoog: ‘Dit alles gaat vast ergens heen maar fucked if i know’.

en alle lichamen hand in hand
in de witte Mercedes die ons opwacht
aan de rand van de woestijn

lucht van amethist

glanzend vleesmetaal lichaam, banden van pulserend rubber

open dak, wind in onze haren
die lachende zingende slangen zijn

we vliegen over spiegelglad asfalt
geplaveid met miljoenen holografische schubben

pastelroze vlaktes van nepzand zo ver het oog kan zien
glinsterend in het licht van de slinkende maan