De geschiedenis van de oorlog is nooit af

Wereldkampioen herinneren

Duitsland is al decennia lang het land van herdenkers. Maar is het werkelijk zo voorbeeldig? Herdenken is een industrie geworden.

IN FREUDENSTADT wonen alleen maar slachtoffers. Het bij toeristen geliefde kuuroord ligt in het Zwarte Woud, in het uiterste zuidwesten van Duitsland. Midden op het uitgestrekte marktplein herinnert een vrouwenbeeld aan wat wordt omschreven als de ‘grootste catastrofe uit de stadsgeschiedenis’. De holocaust? Nee, op 17 april 1945 kreeg Freudenstadt een geallieerd artilleriebombardement over zich heen. Een derde van de stad brandde af, veertienhonderd gezinnen raakten dakloos. ‘Willekeurige brandstichting van de beschonken, grotendeels Noord-Afrikaanse Franse troepen doet de rest’, vermeldt de internetsite van Freudenstadt.

Schuin tegenover het vrouwenbeeld, op de buitenmuur van het plaatselijke museum, verhaalt een maquette over het tragische lot van een andere groep bewoners van deze streek: de door de sovjets krijgsgevangen genomen soldaten. Alsof dat niet genoeg leed is, eert een monumentje even buiten het centrum de onfortuinlijke vrouwen en weduwen van Freudenstadt. Het bijschrift omvat enkel een reeks jaartallen: 1914, 1918, 1939, 1945.

Zou een bezoeker van een buitenaardse planeet Freudenstadt aandoen, dan kreeg hij een merkwaardig idee van de Tweede Wereldoorlog. Daarin zijn de Fransen – of beter: Noord-Afrikanen – de bad guys. De gewone Duitse burgers, vrouwen en soldaten zijn de pineut. Gelukkig kent deze geschiedenis ook een held: ene Hermann Saam, burgemeester vanaf 1948 en grote man achter de wederopbouw van Freudenstadt.

Wie iets verder graaft, vindt een heel ander verhaal. Wat de monumenten niet vertellen, is dat bij Freudenstadt een Duitse commandocentrale was gevestigd, een belangrijk steunpunt in de verdediging van het westelijk front. Bovendien had zich hier een groep SS’ers verschanst die tot de laatste snik doorvocht. De Franse agressie kwam dus niet helemaal uit de lucht vallen – nog afgezien van het feit dat Duitsland het buurland als eerste had aangevallen. En burgervader Saam? Die was onder Hitler een hoge diplomaat en NSDAP-lid.

FREUDENSTADT botst met het beeld dat de wereld de afgelopen decennia heeft gekregen van Duitsland. Geen staat lijkt zo voorbeeldig om te gaan met zijn duistere oorlogsverleden. In Spanje en Italië wordt in menig dorpje nog openlijk Franco of Mussolini vereerd. In Japan bezoeken prominente politici geregeld de Yasukuni-tempel in Tokyo, om respect te betuigen aan de daar geëerde oorlogsmisdadigers. Zoiets is in het huidige Duitsland ondenkbaar.

Dat was niet altijd zo. Deze week is het precies een halve eeuw geleden dat in Jeruzalem het proces tegen Adolf Eichmann begon. Zijn spectaculaire ontvoering bracht grote onrust teweeg in Duitsland. Gevreesd werd voor negatieve publiciteit. Niet alleen wist men al minstens een paar jaar dat Eichmann, de man die achter zijn bureau de uitvoering van de shoah plande, zich in Argentinië ophield. Er heerste ook angst dat tijdens het proces het besmette verleden van hooggeplaatste bestuurders van de jonge Bondsrepubliek ter sprake zou komen. Zo had de rechterhand van bondskanselier Adenauer, Hans Globke, de Neurenberger rassenwetten mee opgesteld. Alles werd in het werk gesteld om hem buiten de schijnwerpers te houden – en met succes.

Hoe anders gaat het er tegenwoordig aan toe. In plaats van haar schuld te verdoezelen, heeft Duitsland het boetekleed aangedaan en de portemonnee getrokken. Meer dan 66 miljard euro smartegeld is betaald aan de slachtoffers van het nationaal-socialisme. Nog veel groter is het aandeel van het bruto intellectueel product dat besteed wordt aan wat zo mooi de ‘Aufarbeitung’ van het bruine verleden is gaan heten. Van die geestelijke investering getuigt ook de nieuwste golf tentoonstellingen, monumenten en kritische zelfonderzoeken.

Een van de meest besproken Berlijnse exposities van de laatste tijd was Hitler en de Duitsers, in het Deutsches Historisches Museum, die meer dan 265.000 bezoekers trok. De inhoudelijk voorbeeldige, zij het weinig verrassende, tentoonstelling liet zien dat de nazi’s alleen zo machtig konden worden in wisselwerking met een dolenthousiast volk. Hitlers veelbesproken charisma was niet aangeboren. Hij ontleende het aan de grote steun die hij genoot onder de gewone Duitser. Daarvan getuigden bijvoorbeeld de tentoongestelde verjaardagskaarten uit 1932, die de Führer ontving toen hij 43 werd. ‘Mijn beste vriend Hitler’, schreef Klaus Hunger uit Chemnitz. ‘Ik feliciteer u met uw verjaardag. Ik ben 8 jaar oud.’ Een andere brief begon met de aanhef ‘lieve goede oom Hitler’. Sommige Duitsers stuurden foto’s mee. Vrolijk zwaaiden peuters in uniform naar de camera.

Meer dan 65 jaar na de Tweede Wereldoorlog blijkt het laatste woord over deze geschiedenis nog altijd niet gezegd. Dat werd afgelopen herfst onderstreept door een studie naar de houding van het Auswärtiges Amt, het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, tijdens het nationaal-socialisme. Daarin wordt meedogenloos afgerekend met de mythe dat het ministerie een zekere afstand bewaarde tot het Hitler-regime. Wat te denken van de reiskostendeclaratie van een topdiplomaat? Het doel van zijn trip beschreef hij zonder er doekjes om te winden als de ‘liquidatie van joden in Belgrado’. Het wetenschappelijke werk is ondanks de bijna negenhonderd pagina’s een bestseller geworden. Vooral de nieuwe onthullingen over hoe het ministerie tot ver na de oorlog oorlogsmisdadigers de hand boven het hoofd hield, hebben stof doen opwaaien. Duitsland zal de komende jaren nog vaker worden opgeschrikt door zulke ongemakkelijke waarheden. Na Buitenlandse Zaken onderwerpt Financiën zichzelf aan een kritisch zelfonderzoek. Uit een tussenrapportage is al gebleken dat ook dit ministerie actief betrokken was bij de jodenvervolging, bijvoorbeeld bij de onteigening van joodse burgers. En zelfs de Duitse geheime dienst, een bekend toevluchtsoord voor nazimisdadigers, wil de komende jaren openheid van zaken geven.

Het zijn allemaal tekenen dat een nieuwe fase in de herinnering aan het nationaal-socialisme is aangebroken, denkt Günter Morsch. Hij heeft de leiding over het in een herdenkingsoord veranderde concentratiekamp Sachsenhausen, even ten noorden van Berlijn. Ook hier een gietijzeren poort met het bekende opschrift: Arbeit macht frei. In de omliggende gebouwen werden de gaskamers uitgetest en kregen SS’ers instructies hoe om te gaan met Zyklon-B.

Na de slachtoffers zijn het nu de daders die in het middelpunt van de belangstelling staan, aldus Morsch. En niet alleen in Duitsland. Een bekend voorbeeld is de roman De welwillenden, waarin schrijver Jonathan Littell in de huid van een SS-officier kruipt en als het ware zijn autobiografie schrijft. Günter Morsch: ‘Die nieuwe, internationale aandacht voor daders merken wij in Sachsenhausen ook. Steeds meer nakomelingen van daders wenden zich tot ons. Ze willen weten hoe dat toen gegaan is. Daarbij heerst niet langer een stemming in de zin van “opa was geen nazi”. Er worden ook cursussen gegeven voor mensen die dat eigen familieverleden willen onderzoeken. Die zijn overvol.’

Het is tekenend voor het open vizier waarmee veel Duitsers de confrontatie met het verleden durven aan te gaan. Toch kijkt Norbert Frei, een van de auteurs van het veelgeprezen onderzoek naar de bruine geschiedenis van het ministerie van Buitenlandse Zaken, wel uit om zichzelf als Duitser daarvoor op de borst te kloppen. Niettemin heeft zich de afgelopen twintig jaar een grote verandering voltrokken, bevestigt Frei over de telefoon vanuit New York, waar hij verblijft vanwege een gasthoogleraarschap: ‘De politiek is steeds beter gaan begrijpen dat je onverbloemd moet omgaan met het eigen verleden. Lange tijd werd gedacht dat zulke zelfkritiek het Duitse aanzien in de wereld zou schaden. Maar nu begint het zelfs bij de laatste conservatief te dagen dat het omgekeerde geldt. Je moet er juist wél over praten.’

EN GEPRAAT wordt er. Als er tegenwoordig al kritiek klinkt op de omgang met de geschiedenis in Duitsland, dan is dat eerder dat het te veel van het goede is. In het buitenland wordt soms zelfs lacherig gedaan over het historische sadomasochisme waaraan de Duitse wereldkampioenen herdenken zich zouden onderwerpen. Het is ook nooit goed. Maar wie door het centrum van Berlijn loopt, begrijpt wel waar zulke sentimenten vandaan komen. In de hoofdstad verrijst de laatste jaren iets wat de Amerikanen een memorial mile zouden noemen.

In het middelpunt daarvan, tussen de Brandenburger Tor en Potsdamer Platz, staat het Holocaust monument voor de vermoorde joden van Europa. Volgeladen touringcarbussen stoppen bij de 2711 donkere betonblokken, die nu eens op een golvende zee lijken, dan weer op een sinistere verzameling grafstenen. Aan de overkant van de straat, waar het park Tiergarten begint, ligt één verlaten, scheefstaand betonblok. Het is het nieuwe monument voor de vervolgde homoseksuelen. Een klein raampje biedt uitzicht op een scherm midden in het blok. Daarop wordt een filmpje met zoenende mannen vertoond. Naar goed Berlijns gebruik ging de oprichting van het monument gepaard met stevige politieke discussies. Lesbische vrouwen voelden zich miskend, omdat het kunstwerk uitsluitend aandacht besteedde aan mannelijke slachtoffers van het naziregime. Waarop de tegenpartij riposteerde dat vrouwelijke homo’s ook daadwerkelijk niet vervolgd werden om hun seksuele voorkeur.

Op dit punt kan de Berlijnse bezoeker twee kanten op. Richting Rijksdag staan zelfgeknutselde witte kruizen, die herinneren aan de slachtoffers van de Berlijnse Muur. Daar om de hoek verrijst het monument voor een derde prominente groep slachtoffers van het nationaal-socialisme: de roma en sinti. Wie daarentegen vanuit het Holocaust-monument de andere richting in loopt, belandt bij het brandpunt van het nationaal-socialistische repressieapparaat. Hier lagen de hoofdkwartieren van SS, Gestapo en later het Reichssicherheitshauptamt. Pas vorig jaar heeft de tentoonstellingsruimte van deze ‘Topographie des Terrors’ de deuren geopend, een bewust onopvallend, laag grijs gebouwtje. Het onderwerp op dit moment is – hoe kan het ook anders – het Eichmann-proces.

Wie dan nog niet genoeg geschiedenis heeft gezien, kan verder lopen richting het voormalige station Anhalter Bahnhof. Hier komt over enkele jaren een ‘Centrum tegen verdrijvingen’. Het moet eraan herinneren dat, nadat ze de joden, roma en sinti, homo’s, socialisten en communisten over de kling hadden gejaagd, aan het einde van de oorlog de Duitsers zelf tot slachtoffer werden. Vertriebenen, zo worden de mensen genoemd die na de nederlaag uit Polen, Tsjechië en andere landen zijn verjaagd.

Is het gek dat soms spottend wordt gesproken van ‘herinneringsinflatie’? Wie niet uitkijkt, struikelt in Berlijn over de grote en kleine slachtoffermonumenten. Letterlijk, want de zogenaamde ‘Stolpersteine’ in het trottoir herinneren overal in de stad aan waar bijvoorbeeld gedeporteerde joden hebben gewoond.

Het probleem hiermee is niet het intensieve herinneren op zich, betogen de critici. Het gaat erom dat door alle slachtoffers op één hoop te gooien de nationaal-socialistische misdaden worden gerelativeerd. Jood, homo of Duitse Vertriebene, tegenstanders van Hitler of van de DDR – ze zijn allemaal slachtoffer. En dat is onzin, vindt historicus Peter Reichel, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Hamburg en auteur van een trilogie over de Duitse omgang met het verleden. Als voorbeeld van zulk ‘historisch relativisme’ noemt Reichel het nationale oorlogsmonument in Berlijn, waar deze maand ook koningin Beatrix een krans zal leggen. De zogeheten ‘Neue Wache’ herinnert aan alle ‘slachtoffers van oorlog en heerschappij door middel van geweld’. Reichel: ‘Dat monument veegt alle mogelijke groepen, slachtoffers én daders, op één hoop. Uiteindelijk probeert men zo te ontkomen aan de Duitse hoofdverantwoordelijkheid voor de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog.’

WIE IN DUITSLAND zoekt naar beelden van Hitler of Rudolf Hess in de openbare ruimte vangt bot. Maar de door Reichel gesignaleerde, subtielere relativeringen zijn er wel degelijk. Dat gebeurt vaak door een eenzijdige voorstelling te geven van de nazitijd. Zoals in Freudenstadt, waar alle aandacht uitgaat naar het lijden van de eigen bevolking. Dit beeld van de Duitser als slachtoffer komt de laatste jaren tevens terug in tal van populaire boeken, tv-series en films over de Tweede Wereldoorlog.

Ook in de voormalige DDR staan nog altijd veel monumenten voor de landgenoten die omkwamen bij de ‘Anglo-Amerikaanse’ luchtaanvallen. In andere gevallen worden alle doden zonder onderscheid op één hoop gegooid. Zoals in Heilbronn, waar het bestaande monument ter herinnering aan de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog eenvoudigweg werd aangevuld met de doden van de Tweede Wereldoorlog. Elders in Duitsland is volstaan met het toevoegen van de cijfers ‘1939-1945’.

En dan zijn er nog de Vertriebenen. Prominente vertegenwoordigers hiervan komen op gezette tijden in het nieuws met provocerende uitspraken over de nazitijd. Zo stelde niet zo lang geleden nog een bestuurder de Duitse schuld aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ter discussie. Als bewijs voerde hij de Poolse mobilisatie voorafgaand aan de Duitse inval in 1939 aan. Met andere woorden: Polen was op z’n minst medeschuldig.

Als alternatief voor zulk blind slachtofferisme pleit Reichel ervoor een heel andere boodschap centraal te stellen. Medelijden betonen met de slachtoffers is makkelijk, maar onvoldoende, vindt hij: ‘We moeten ons blijven afvragen hoe het mogelijk is geweest dat uit een burgerlijke maatschappij massamoordenaars voortkwamen. Geen ordinaire schurken, maar juristen en verplegers.’ Aandacht voor de keurige, burgerlijke Duitser als dader dus. Maar is dat niet juist waar de nieuwste tentoonstellingen en onderzoeksrapporten over gaan? Reichel is sceptisch: ‘Daar is de laatste jaren inderdaad wat meer aandacht voor, maar ik betwijfel of de grote massa dat ziet. Waar gaan vandaag de dag de toeristen naartoe in Berlijn? De inhoudelijk prima tentoonstellingen van Topographie des Terrors die ook over de daders gaan? Of het veelbesproken, bombastische Holocaust-monument voor de slachtoffers?’

Het roept de vraag op in hoeverre het voorbeeldige, nieuwe Duitsland schone schijn is. Hebben de burgers, ver weg van de officiële toespraken en tentoonstellingen, in werkelijkheid niet de buik vol van al dat historisch correcte gepraat? Of behoren monumenten als die in Freudenstadt tot de laatste restjes ressentiment? Kleine vlekjes op het blazoen die over een paar jaar ook door een wetenschappelijke commissie worden onderzocht en gecorrigeerd?

Anders dan Reichel neigen de meeste deskundigen naar dat laatste. Günter Morsch plaatst niettemin een kanttekening bij het idee van Duitsland als braafste jongetje van de klas: ‘Je moet niet vergeten dat het de uitkomst van een proces is geweest. De Duitse omgang met het verleden was tot de jaren negentig helemaal niet zo netjes. Voor die tijd waren het vooral de slachtoffers zelf en burgerinitiatieven die iets probeerden op te zetten. Daarbij werden ze eerder tegengewerkt door de autoriteiten. Neem West-Berlijn. Het eerste monument ontstond uitgerekend naar aanleiding van een steen ter herinnering aan de slachtoffers van het communisme. Toen hebben ze er ook maar een steen bij gelegd voor de slachtoffers van het nationaal-socialisme.’

EN TOCH, de grootste bezoekersgroep die Morsch en zijn medewerkers de laatste jaren op het terrein van Sachsenhausen verwelkomen, zijn de Spanjaarden. Vaak jonge mensen die de waarheid willen weten over de Franco-tijd. Zij zijn gefascineerd door hoe open Duitsland met zijn extreem-rechtse verleden omgaat. Norbert Frei denkt dan ook dat de relativerende geschiedschrijving, uitzonderingen daargelaten, tot het verleden behoort: ‘Veel van die oorlogsmonumenten waren onderdeel van de poging na 1945 om de Duitsers voor te stellen als de eerste slachtoffers van Hitler. Iemand als Hannah Arendt heeft daar toen heel sarcastisch over geschreven. Maar ik geloof eerlijk gezegd dat de ontwikkelingen van de laatste jaren, zoals de tentoonstelling over Hitler en de Duitsers en ook het onderzoek waar ik zelf aan heb meegewerkt, representatiever zijn voor het huidige Duitsland.’ Voorzichtig optimistisch dus. Dat betekent niet dat Duitsland nu rustig achterover kan leunen, waarschuwt Frei: ‘Vergeet niet dat ondanks alle positieve ontwikkelingen de omgang met het verleden geen eenrichtingsverkeer is, van het donker van de onwetendheid naar het licht. Iedere maatschappij vergeet ook. Er komen bovendien nieuwe generaties bij die weer voorgelicht moeten worden.’

Houdt het herdenken dan nooit op? Niet als het aan Frei ligt. De geschiedenis van het nationaal-socialisme is volgens hem nooit ‘af’. En mochten toekomstige generaties er toch een punt achter willen zetten, dan meldt het verleden zich zelf wel terug. Zoals op een heuvel in het Zuid-Duitse Thüringen. Hier staat het megalomane Kyffhäuserdenkmal, opgericht in 1896 ter ere van keizer Wilhelm. Bij de ingang, achter de worstenkraam, ligt een gat. Daaromheen staan een geïmproviseerd hek en een houten bord: ‘Denkmal des Paul v. Hindenburg’.

Daar ligt hij dan. Half uitgegraven, met het gezicht schuin naar boven. Het standbeeld van de maarschalk die Hitler in het zadel hielp is vijf meter lang. Naast het gat staat een kleinere versie van hout. Het beeld heeft een bewogen geschiedenis. Opgericht door de nazi’s, werd het na de oorlog neergehaald en begraven. Sinds de pachter van het aanpalende hotel in 2004 de tien ton zware Hindenburg op zijn terrein terugvond, heerst onenigheid over wat te doen met hem. Opnieuw tentoonstellen? Maar hoe? Of toch weer zand erover?

Naar verluidt kon het monument voor Hindenburg de goedkeuring van Hitler wegdragen. De Führer hield zelfs een toespraak bij de inwijding, in 1939. Zijn woorden blijken achteraf visionair: ‘Zo leef je eeuwig voort: in oorlog en in vrede.’ De grote vraag die Duitsland blijft bezighouden is hoe.