H.J.A. Hofland

Wereldleider Howard Dean

NEW YORK — Is dit de kandidaat-wereldleider? Howard Dean, de Democraat uit Vermont — afgestudeerd medicus en naar ouderwetse maatstaven gewoon gematigd links van het centrum; voor de Republikeinen de tegenstander die ze het liefst hebben — denkt dat hij de voorverkiezingen kan winnen en dan door de partijconventie tot presidentskandidaat zal worden uitgeroepen om George W. Bush te verslaan.

Is daar enige kans op? Mijn instinct, en meer niet, zegt me dat het mogelijk is, aangenomen dat de trends die nu de binnenlandse politiek bepalen — de oorlog en het begrotingstekort — zich op dezelfde manier voortzetten. Dat betekent over iets minder dan een jaar een verstikkende stagnatie. Dean, met het voorbehoud dat hij zich zal gedragen zoals hij nu doet, is dan de enige die de allure van de bevrijder zal hebben, enigszins zoals John F. Kennedy en ook Bill Clinton destijds, met zijn belofte dat «old times are gone».

Dat heeft Dean dan te danken aan zijn persoonlijkheid, zijn slagvaardige monterheid, zijn wijze van uitdrukken, die niet belast is met de ronkende retoriek die in Washington officieel wordt gesproken, kortom aan zijn aanstekelijke natuurtalent. Het zijn allemaal ongrijpbare eigenschappen, maar daarmee wordt nu eenmaal de grondslag gelegd voor de populariteit. Wie die niet heeft, moet niet aan deze moordende politieke veldtocht van nu nog elf maanden beginnen.

Dan komt het politieke programma. Tot afgrijzen van iedereen die zich rechts van het centrum bevindt, overweegt Dean de deregulering en privatiseringen van de afgelopen twintig jaar geleidelijk ongedaan te maken. Het verbaast me dat het nog geen geweldige krantenkoppen heeft opgeleverd. Het is ook nog maar een ideetje.

Deans progressiviteit heeft hem intussen al de steun opgeleverd van de grootste vakbonden. Het is waar: zoals in vrijwel alle landen van het Westen is in Amerika «de arbeid» steeds minder georganiseerd. Dat wil niet zeggen dat daarmee de sociale tegenstellingen zijn verdwenen. Het land heeft een lange periode van groeiende werkloosheid achter de rug. De werkgelegenheid trekt de laatste maanden wat aan, maar daarmee is de achteruitgang van de laatste jaren niet gecompenseerd. Door 11 september en de eerste maanden van de oorlog in Irak is de politieke tegenstelling wel verdoezeld maar niet verdwenen.

Bij het aantreden van Bush schreef de columnist William Pfaff dat de Amerikaanse samenleving zich onder dit conservatieve bewind in de richting van een plutocratie zal bewegen. De enorme belastingverlagingen, voornamelijk ten goede komend aan de burgerij die al in goeden doen is, beves tigen dat vermoeden. Het conflict dat deze week ontstond over Medicare, de wetgeving aangaande medicijnen op recept voor ouderen, wijst op hetzelfde. Eerste berekeningen leren dat de ouderen erop vooruitgaan, maar dat de farmaceu tische industrie er ook aan merkelijk beter van wordt. In het algemeen loopt door het beleid van deze regering een strakke lijn. Of het nu om het beschermen van het nationale milieu gaat of om de proble matiek van Kyoto, de belangen van de grote industrie staan voorop.

Dit blijft voor de kiezer niet verborgen, vooral als het fameuze «trickle down effect» (als het bedrijfsleven profiteert, zal de burger dat te zijner tijd ook merken) uitblijft. Drie jaar Bush is lang genoeg om te concluderen dat zijn nationale sociale en economische politiek de meeste Amerikanen niet heeft gegeven wat ze is beloofd. Jonathan Alter, columnist van Newsweek, verdedigt de stelling dat de economische politiek van deze regering voor het eerst sinds misschien wel tientallen jaren bij het minder betaalde of werkloze deel van het volk een klassenbewustzijn doet her leven. Howard Dean is de enige van de Democratische kandi daten die het electoraat direct daarop aanspreekt.

Dan komen we aan de buitenlandse politiek. Hier is Dean zuinig met zijn argumenten. Vanaf het begin was hij tegen de oorlog in Irak. Maar wat wil hij nu? Moet Amerika op een andere manier volhouden? Heeft hij een ontwerp voor een exit strategy? Nog niets van gehoord. Maar is dat erg? Voorlopig niet. Volgens de laatste opiniepeilingen van CNN vindt 54 procent van de Amerikanen dat Bush niet kan worden vertrouwd; 56 procent zou hem niet opnieuw kiezen. De Republikeinen zien het onheil naderen, de eerste «attack ad» is al op de televisie verschenen: wie tegen de opperbevelhebber is, helpt de terroristen. In de tijd van Clinton waren de campagnes moordend. Ik denk dat het kinderspel zal zijn vergeleken met wat we de komende maanden zullen meemaken.

Zondag keek en luisterde ik naar een andere Democratische kandidaat, ex-generaal Wesley Clark. Een uur lang verklaarde hij nauwkeurig en, althans voor mij, meeslepend wat er aan het voorspel tot de oorlog mankeerde, met welke leugens dit alles gepaard was gegaan, hoe hij zich voorstelde de gesloopte bondgenootschappen weer op te bouwen en wat er in Irak en de rest van het Midden-Oosten moest gebeuren. Een voorbeeldige intellectuele exercitie in buitenlandse politiek, van een verstandig man bij wie zelfs een poging tot retoriek ontbrak.

Mijn president, dacht ik. Maar hij mist iets, hij is te netjes om de demagoog te zijn die hier verkiezingen kan winnen. Hij heeft het niet. Howard Dean wel. President Dean? Nog een jaar.