Oorlog is niet in het Chinese belang

Wereldmacht van een andere soort

Heuglijk nieuws voor de wereld: het ingeboren Chinese superioriteitsgevoel zal niet tot problemen leiden. De Chinezen verdedigen hun belangen, ze zoeken macht, invloed en erkenning, maar ze zijn er niet op uit andere landen met geweld te onderwerpen. Alleen in vrede kan China gedijen.

LATEN WE er geen doekjes om winden. Die opbloei van China, daar zijn we niet echt gerust op. Natuurlijk, we kunnen veel van de Chinezen leren. Van hun energie, doorzettingsvermogen en hun vermogen om tegenslagen te incasseren of, zoals ze zelf zeggen, bitterheid te eten. Van hun spaarzin en ideeën over de harmonie der dingen, en van hun naleving van confucianistische deugden zoals respect en bescheidenheid en zorg voor de ouderen, voorzover die niet bij de postmaoïstische generatie verloren zijn gegaan. En we kunnen goed aan de Chinezen verdienen. Maar China als wereldmacht, daar zijn veel westerlingen toch huiverig voor. Waarom eigenlijk? Om die vraag te beantwoorden moeten we het wezen van de relatie tussen China en de buitenwereld ontrafelen.

China’s internationale optreden is een verlengstuk van de nationale politiek. De internationale agenda van Peking is dan ook onbegrijpelijk als we de binnenlandse prioriteiten buiten beschouwing laten. En de onuitgesproken prioriteit nummer 0 is: de onbeperkte voortzetting van de macht van de communistische partij. Dat vereist prioriteit nummer 1: sociale stabiliteit, en die is pas mogelijk als de mensen tevreden zijn zodat er geen reden is om protesterend de straat op te gaan. Tevreden mensen krijg je alleen als de economie uitbundig blijft groeien, niet alleen kwantitatief maar vooral ook kwalitatief. Maar daar kan China niet meer alleen voor zorgen. Om te groeien heeft het de buitenwereld nodig. Economische relaties met China krijgen dus een politieke lading. Met andere woorden: landen die zakendoen met China helpen de communistische partij om in het zadel te blijven. Landen die de partij weg willen hebben, zouden China dus economisch moeten boycotten, wat echter behalve volstrekt onrealistisch ook snijden in eigen vlees zou zijn.

Laten we ervan uitgaan dat de Chinese leiders erin slagen de vele binnenlandse problemen de baas te blijven. Essentieel zijn de sanering van het milieu, de compensatie van een groeiend tekort aan arbeidskrachten door een grotere productiviteit, en de overgang naar een nieuw ontwikkelingspatroon waarin het niet meer gaat om de groei van het bruto binnenlands product maar om die van het bruto binnenlands geluk. Eenvoudig zal dat niet worden. Lokale en provinciale besturen hebben de mond vol van de nieuwe gelukseconomie, die het oude ‘onevenwichtige, ongecoördineerde en onhoudbare’ model moet vervangen. Maar die termen, die ze van de nationale leiders overgenomen hebben, zijn in hun verhaal clichés geworden, net zoals het te pas en vooral te onpas gebruikte woord 'harmonieus’. Nabauwen van de officiële slagwoorden betekent geen enkele garantie dat de maatschappij inderdaad gelukkig en harmonieus zal worden. De lokale leiders hebben veel meer baat bij het oude wildgroeimodel, en nog altijd geldt voor hen het oude gezegde: de bergen zijn hoog en de keizer is ver.

Als China zijn binnenlandse problemen weet te overwinnen, dan zal het zeker de grootste economische mogendheid van de wereld worden. In de laatste tweeduizend jaar is dat gedurende achttien eeuwen zo geweest. In de huidige economie speelt het buitenland echter een veel prominentere rol dan vóór de inzinking van de 'Eeuw der Vernedering’ (1839-1949). Vroeger had China geen koloniën om grondstoffen te leveren, maar dat hoefde ook niet want grondstoffen had het zelf genoeg. De pogingen die Engeland vanaf het eind van de achttiende eeuw deed om China open te leggen voor Britse industriële producten mislukten totaal. China had ze gewoon niet nodig. Bovendien waren de behoeften relatief beperkt, want meer dan negentig procent van de bevolking bestond uit arme boeren die buiten het economische circuit leefden. Wel had China een aanzienlijke export, voornamelijk van thee, porselein, zijde en katoen. Daarvoor werd betaald in Mexicaanse dollars of in zilver, en vanaf het begin van de negentiende eeuw steeds meer met geld uit de illegale handel in opium.

SINDS HET BEGIN van de economische revolutie in 1978 heeft China het buitenland hard nodig. Aanvankelijk was dat voor im- en export van goederen en diensten en voor de levering van grondstoffen, technologie en halffabrikaten. Later werd het buitenland ook onmisbaar als bestemming voor Chinese investeringen - met een derde van de deviezenreserves van de wereld in kas lijkt China te klein te zijn geworden voor zichzelf - en in toenemende mate als voedselleverancier. De rest van de wereld staat daarmee in dienst van de ontwikkeling van China tot grootmacht. Zo ziet men dat tenminste in het Rijk van het Midden zelf, en zo hoort het volgens de traditionele zienswijze ook: de volken buiten het Hemelse Rijk konden slechts deel krijgen aan de beschaving als ze in de keizer hun meerdere erkenden. De handel tussen een vazalstaat en China was niet zozeer een zakelijke relatie maar eerder een keizerlijke gunst.

In dat licht gezien zal het niet verbazen dat de Amerikaanse weigering om bepaalde Chinese investeringen te accepteren in China als een grove belediging overkomt. Een goed voorbeeld was de geplande overname in 2005 van het Amerikaanse oliebedrijf Unocal door CNOOC, de grootste Chinese producent van offshore-olie en -gas. Hoewel CNOOC verreweg de hoogste bieder was, stak de Amerikaanse Senaat een stokje voor de deal met het oog op de nationale veiligheid. Daarom ook ging in 2010 een miljardencontract van het Amerikaanse telecommunicatiebedrijf Sprint Nextel met de Chinese bedrijven Huawei en ZTE niet door. De Amerikaanse regering vertrouwde de relaties van Huawei en ZTE met de Chinese militairen niet.

In China zelf zijn alle instrumenten aanwezig om buitenlandse bedrijven te gebruiken voor de eigen ontwikkeling. Zo zijn, één voorbeeld uit duizenden, hogesnelheidstreinen die gebouwd waren met Japanse en Duitse technologie nagemaakt, verder ontwikkeld en vervolgens op de Chinese en internationale markt verkocht. Ze kunnen harder rijden en zijn goedkoper dan de originele modellen. De joint venture, jarenlang de enige bedrijfsvorm voor buitenlandse investeringen, bood alle gelegenheid aan de Chinese partner om er met de door de buitenlandse partner ingebrachte technologie vandoor te gaan. De politiek van 'nationale innovatie’ die tegenwoordig van kracht is, is wat eleganter maar heeft grotendeels dezelfde bedoeling: overheveling van buitenlandse technologische kennis naar China, zodat de economische groei op een nieuwe leest kan worden geschoeid. Tegelijk bevoordeelt de staat de eigen (staats)bedrijven. Buitenlandse bedrijven blijven voor China belangrijk, vooral zolang ze technologie in huis hebben waarover China zelf nog niet beschikt, maar hun rol wordt steeds meer een dienende, zoals het vazalstaten betaamt.

In China’s betrekkingen met economisch zwakkere landen zijn tekenen te bespeuren die aan de relatie tussen keizer en vazal doen denken. Dat geldt met name voor Mongolië, enkele Afrikaanse landen en voormalige vazalstaten in Oost- en Zuidoost-Azië. De Chinese troepen die in 1979 Vietnam binnenvielen, kwamen de Vietnamezen een lesje leren voor hun invasie in het Cambodja van Pol Pot. Het was dezelfde mentaliteit waarmee vroeger de keizer een opstandige vazal tot de orde riep, alleen liep het in 1979 slecht voor de Chinezen af. Een erkenning van het primaatschap van China door de vazalstaten nieuwe stijl hoeft misschien niet meer expliciet te zijn, maar moet wel in hun gedrag tot uitdrukking komen. >

De keizer kon geen andere relatie met de buitenwereld hebben dan die tussen vorst en vazal. De benaming 'vazalstaat’ heeft in Chinese ogen niets pejoratiefs, en in die van de oude vazallen evenmin. Het was juist een eer om deel te krijgen aan de Chinese beschaving. Bovendien betaalde de keizer de ontvangen schatting dubbel en dwars terug en garandeerde hij in tijd van nood de defensie van de vazalstaat, die in veel gevallen dienst deed als buffer tussen het Hemelse Rijk en barbarenland. De keizer beschermde de vazal en bemoeide zich niet met diens binnenlandse aangelegenheden. Maar de vazal moest wel geregeld bij de keizer zijn opwachting maken om hem in de ceremonie van de kowtow (waarbij drie maal negen keer met het voorhoofd op de grond diende te worden gebonkt) te erkennen als de meerdere. In 1793 weigerde de Britse lord George Macartney, gezant van Zijne Majesteit, te 'kowtowen’ voor de Qianlong-keizer. Hij ging met lege handen naar huis. Ruim twee eeuwen later had een andere gezant uit Engeland, premier David Cameron, er geen enkele moeite mee het verlangde respect te betonen. Hij betuigde de nieuwe keizers in Peking alle eer, en met een stapel contracten keerde hij terug naar Londen.

ONGETWIJFELD zal China in andere landen, vazalstaten of niet, veel minder tussenbeide komen dan destijds de Sovjet-Unie in haar satellieten of de Verenigde Staten in hun Latijns-Amerikaanse achtertuin. Dat is voor de hele wereld een plezierig vooruitzicht. Sinds de maoïstische internationale zendingsdrang voorbij is, beweert China dat elk land recht heeft op zijn eigen politieke en sociaal-economische systeem en dat andere landen niet moeten proberen dat te veranderen. Landen moeten hun eigen problemen oplossen, zonder inmenging van buitenaf. Van China hoeft men dan ook geen unilaterale politieacties, invasies, strafexpedities of humanitaire militaire operaties te verwachten. China wil zijn systeem aan niemand opleggen, en dat kan ook niet want dat systeem is onlosmakelijk verbonden met de unieke Chinese beschaving.

Natuurlijk kan niet-inmenging ook een vorm van inmenging zijn. China zegt zich niet te willen bemoeien met de binnenlandse drama’s van, bijvoorbeeld, Zimbabwe of Birma, maar het is met de regimes van die landen wel uitgebreide economische samenwerking aangegaan en houdt hen daardoor in het zadel. Neem de internationale paria Birma. Deze extreem-rechtse dictatuur zou al lang van het toneel verdwenen zijn als het niet de volle steun had van het neocommunistische bewind in Peking. Die steun is niet gratis. Chinese houtbedrijven zijn druk doende Birma te ontbossen. China is bezig een oliepijplijn, een gaspijplijn, spoorlijnen en snelwegen aan te leggen die de door China verbeterde havens aan de Birmese kust verbinden met de Zuid-Chinese provincie Yunnan. Dat maakt de reis van Chinese olietankers uit het Midden-Oosten en Afrika 2900 kilometer korter en bespaart hun de gevaren van de door piraten geteisterde Straat van Malakka.

Niet-inmenging houdt voor China evenmin in dat het afzijdig blijft als het zijn belangen geschaad acht. Dat kan nare botsingen opleveren tussen de Chinese waarden en die van het betreffende andere land. Buitenlandse regeringen worden nu routinematig met sancties bedreigd als ze de dalai lama ontvangen. China liet een topbijeenkomst met de Europese Unie niet doorgaan als represaille voor de ontvangst van de Tibetaanse leider door de Franse president Sarkozy, die op dat moment EU-voorzitter was. De export naar Japan van zeldzame aarden, onmisbaar voor de hightechindustrie, werd stopgezet om Japan te straffen voor de arrestatie van een Chinese zeeman. De organisatoren van internationale filmfestivals worden onder druk gezet om films over de onderdrukking in Tibet of Xinjiang van het programma af te voeren. Enzovoort.

Sinds de Bandoeng-conferentie (1955), die de aanzet gaf tot de oprichting van de Beweging van Niet-Gebonden Landen, is niet-inmenging het leidende beginsel van de Chinese buitenlandse politiek, en dat is het officieel nog altijd. Maar het is met dat principe hetzelfde als met China’s zelfgeproclameerde leiderschap van de arme landen: op den duur niet meer houdbaar. Als nieuwe grote mogendheid krijgt China, of het dat nu wil of niet, internationale verantwoordelijkheden die soms een vorm van inmenging noodzakelijk maken. China heeft dat zelf zonder woorden ook erkend, bijvoorbeeld door substantiële bijdragen te leveren aan VN-vredesmissies, het initiatief te nemen tot het zeslandenoverleg over Noord-Korea en oorlogsschepen te sturen naar de Golf van Aden ter bestrijding van de Somalische piraten daar.

Van Washington krijgt China op het punt van zijn internationale verantwoordelijkheden nu eens lof en dan weer blaam uitgedeeld. Als Peking volgens zijn critici geen responsible stakeholder is, dan kan dat verschillende redenen hebben: China meent dat het er nog niet aan toe is om zijn nek uit te steken, er is onenigheid tussen leidende groepen, of optreden is niet in het Chinese belang. Zo weigerde China om de torpedering in 2010 van het Zuid-Koreaanse oorlogsschip Cheonan door Noord-Korea te veroordelen. President Obama vond dat 'opzettelijke blindheid’, en dat zei hij ook tegen zijn collega Hu. Het is niet bekend of Hu aan Obama de reden van China’s houding heeft uitgelegd: dat was de angst om het Noord-Koreaanse regime door een internationale veroordeling te destabiliseren, terwijl Peking dat bewind juist stabiel wil houden.

De wereld zal zeker last gaan krijgen van het ingeboren Chinese superioriteitsgevoel, maar het is de vraag of dat ernstigere situaties zal opleveren dan de nietsontziende Amerikaanse dadendrang waardoor de mensheid de afgelopen jaren is geteisterd. De Chinezen hebben geen missionerende taak. Ze verdedigen hun belangen, ze zoeken macht, invloed en erkenning, maar ze zijn er niet op uit andere landen met geweld te onderwerpen, laat staan in te lijven - tenzij wellicht wanneer dat zou kunnen dienen als nationalistische bliksemafleider van hoog opgelopen binnenlandse spanningen. Maar oorlog is niet in het Chinese belang. Ruim drie decennia vrede hebben een ongekende economische ontwikkeling mogelijk gemaakt. Alleen in vrede kan China gedijen. Dat is voor de rest van de wereld heuglijk nieuws.

China wil eerder erkenning van zijn grandeur dan feitelijke macht over niet-Chinezen. Was dat niet precies de reden waarom admiraal Zheng He tientallen jaren vóór Columbus naar verre landen reisde? Dat deed hij niet om de bewoners te onderwerpen, maar om hen hulde te laten brengen aan de keizer. In het verleden hebben de Han-Chinezen de niet-Chinese volken om hen heen vaak met geweld onder hun gezag gebracht, als buffers tussen de Chinese beschaving en de barbaren. Met die etnische minderheden in eigen land zijn er al problemen genoeg. Niet-Chinezen zullen altijd als outsiders worden beschouwd, al wonen ze nóg zo lang in China. Naturalisatie van buitenlanders tot Chinees is dan ook zeldzaam. Dat betekent niet dat het de Chinezen niet kan schelen wat de wereld over hen denkt, integendeel, daar zijn ze nog altijd uiterst gevoelig voor. Een mondiale campagne moet goodwill, begrip en bewondering kweken die China’s positie als wereldmogendheid moeten schragen. Deze soft power wordt op allerlei manieren ontplooid: giften en zachte leningen, diplomatieke offensieven, gratis bouw van stadions, culturele en educatieve uitwisselingsprogramma’s, vestiging in de hele wereld van Confucius-instituten voor taal en cultuur, ontwikkeling van de Chinese filmindustrie, lancering van internationale kranten en radio- en tv-nieuwszenders met wereldwijd bereik. Of dat laatste zal aanslaan is twijfelachtig. De wereld zit immers niet te springen om Chinese propaganda en gecensureerd nieuws.

Het soft power-offensief moet de mensheid ervan overtuigen dat China’s opkomst vreedzaam zal zijn, dat het land niet uit is op de wereldhegemonie en dat iedereen wel zal varen bij de bloei van China. Het uiteindelijke doel is de opbouw van een confucianistische 'harmonieuze wereld’. Wie kan daartegen zijn? Jammer dat de gebeurtenissen in China zelf vaak een andere taal spreken. Joseph Nye, de man die het begrip 'soft power’ heeft uitgevonden, vindt dat China zijn kostbare mondiale goodwilloffensief zelf ondermijnt. Het harde optreden tegen Tibetanen en Oejgoeren, de vervolging van dissidenten en hun advocaten, de manische censuur, al deze fanatieke pogingen tot handhaving van de sociale stabiliteit maken het Chinese bewind er in de buitenwereld niet sympathieker op. Vrede en harmonie vloeken met de golf van arrestaties en verdwijningen die zich na de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan Liu Xiaobo in beweging zette en daarna als gevolg van de revoluties in de Arabische wereld een sinds 'Tiananmen’ ongekende hoogte heeft bereikt. De ziekelijke angst voor binnenlandse kritiek weegt kennelijk zwaarder dan het kweken van buitenlandse goodwill. Waarschijnlijk speelt ook een andere binnenlandse factor mee: in 2012 worden de topfuncties in de partij opnieuw verdeeld, en in de strijd om de macht willen de kanshebbers niet voor elkaar onderdoen in orthodoxie.

Ook van de Chinese militairen horen we niets over culturele uitwisselingen of wereldharmonie, maar over een 'combinatie van offensieve en defensieve operaties’, over raketten 'met zowel nucleaire als conventionele slagkracht’, over de ontwikkeling van een marine die de oceanen gaat bevaren. Dat is in lijn met de nieuwe taakopvatting van het Volksbevrijdingsleger: niet meer alleen de verdediging van de Chinese grenzen, maar de verdediging van de nationale belangen, en die omspannen thans de hele wereld. China heeft nog geen militaire bases in het buitenland, maar dat is slechts een kwestie van tijd. Het grote risico ligt in het felle nationalisme van de militairen, dat ze in tijden van nood zouden kunnen aanspreken om onbezonnen avonturen te beginnen. Ze weten dat China bij voortdurende vrede alles te winnen heeft. Maar als China in een hoog opgelopen economisch of politiek conflict het onderspit zou dreigen te delven, zullen ze zeker doen waarvoor ze zijn opgeleid: vechten.

OP ECONOMISCH GEBIED zal China de wereld nog grote verrassingen kunnen bereiden. Het Rijk van het Midden heeft de basisregels van de wereldeconomie nooit echt geaccepteerd. Het leeft die regels alleen na als het zo uitkomt. Dat proberen wel meer landen, maar uiteindelijk zijn ze bereid de regels te aanvaarden, ook al is dat in hun nadeel. Het internationale handelssysteem is gebaseerd op wederzijds voordeel. China let voornamelijk op het voordeel voor zichzelf. Met de massale overheidssteun aan staatsbedrijven concurreert China binnen- en buitenlandse particuliere bedrijven uit de markt. Gezien de omvang van de Chinese economie zal de rest van de wereld vaak geen andere keus hebben dan mee te doen aan de globalisering met Chinese karakteristieken. Geleidelijk aan zal de yuan - in 2011 gebruikt in niet meer dan 0,2 procent van de internationale transacties - convertibel worden, en dan is het alleen nog een kwestie van tijd voordat de Chinese munt de dollar als internationaal betaalmiddel ernstige concurrentie gaat aandoen of hem zelfs vervangen. Nu al is China’s financiële macht zo groot dat wereldinstituties als het IMF en de Wereldbank worden gepasseerd. Twee Chinese staatsbanken hebben in 2009 en 2010 meer geld geleend aan regeringen en bedrijven in de ontwikkelingslanden dan de Wereldbank.

De terugkeer naar de top ziet China als een herstel van de natuurlijke verhoudingen in de wereld. Tegelijk is het ervan overtuigd dat 'vijandige krachten’ - lees: westerse regeringen en organisaties en hun Chinese handlangers in separatistische en dissidente bewegingen - erop uit zijn de partij onderuit te halen en China’s ontwikkeling tot grootmacht te verhinderen. Vijandige krachten zijn er zeker. Maar wanneer Chinese leiders die standaardterm gebruiken, vegen ze voor het gemak iedereen in binnen- en buitenland die kritiek op de partij heeft op één hoop. Wie iets op de partij heeft aan te merken, geldt al snel als anti-Chinees. De vereenzelviging van de regerende elite met het land is typerend voor China, waar de keizer niet alleen de politieke leider was maar ook de incarnatie van de Chinese beschaving zelf. Met het westerse idee dat regeringen komen en gaan maar dat het land blijft, moet je in China niet aankomen. De regering is het land, en als zij valt, vervalt het land tot wanorde of chaos. Buitenlanders dienen te weten dat kritiek op een deelaspect van de Chinese samenleving al snel wordt opgevat als totaalkritiek op China en zijn politieke systeem. Daarbij speelt ook nog altijd de oude slachtoffermentaliteit mee, relict van de Eeuw der Vernedering.

Een bron van conflict zal de kwestie van de universele waarden blijven. De Chinezen zien de westerse opvattingen over individuele mensenrechten en democratie als cultureel bepaalde zaken die niet van toepassing zijn op China. Democratie is voor hen op z'n best tijdverlies en op z'n slechtst chaos, en mensenrechten zijn sentimentele onzin. Ze vinden ook dat het Westen onbetrouwbaar is omdat het die vermeende universele waarden als wapens hanteert om China klein te krijgen en daarbij gebruikmaakt van wereldorganisaties die in feite westerse organisaties zijn. Een debat hierover moet gevoerd worden, tenzij het Westen wil capituleren. We moeten proberen de beste elementen van beide standpunten te verenigen, of anders moeten we het er met elkaar over eens worden dat het legitiem is van mening te verschillen. Daar is wel haast bij, want intussen maakt Peking in veel arme landen school met zijn autoritaire maar buitengewoon efficiënte ontwikkelingsmodel dat in de tijd van één generatie de bordjes op deze aarde verhangen heeft.

Dit is het slothoofdstuk van het boek Verbijsterend China: Wereldmacht van een andere soort van Jan van der Putten, dat op 12 mei wordt gepresenteerd met een debat over China bij boekhandel Donner in Rotterdam