Wereldreiziger, vergeten revolutionair

Georg Forster, Het vuur nog geenszins gedoofd. Een reis door de Lage Landen in 1790. Vertaald door Gerlof Janzen, € 27,90

Zeventien was Georg Forster toen hij op 13 juli 1772 in Plymouth aan boord ging van de Resolution, het schip waarmee Captain James Cook aan zijn tweede reis om de wereld begon. Drie jaar, om precies te zijn 1111 dagen, zouden ze wegblijven. Nog geen twee jaar later verscheen in Londen het door Forster geschreven verslag van die reis, A Voyage Round the World, kort daarna in Berlijn gevolgd door de vrijwel tegelijkertijd door hemzelf gemaakte Duitse vertaling. De Engelse versie werd door Cooks eigen verslag in de schaduw gesteld, literair en wetenschappelijk volkomen ten onrechte, de Duitse versie werd een regelrechte sensatie.
Reise um die Welt staat aan het begin van de grote Europese traditie van de reisliteratuur en daarmee tevens van de culturele antropologie; Wieland en Goethe staken hun bewondering niet onder stoelen of banken, Alexander von Humboldt verslond het boek en noemde Forster ‘de helderste ster uit zijn jeugd’. Toch zou de werkelijke omvang van Forsters talent pas veel later blijken. Op uitdrukkelijk verzoek van zijn vader, de 'natuurkundige’ Johann Reinhold Forster, had de jonge Georg de reis als tekenaar mogen meemaken, maar die tekeningen van onbekende, inmiddels ten dele uitgestorven planten en dieren, bijna zeshonderd in getal, hebben twee eeuwen lang in ontoegankelijke archieven gelegen. Pas in 2008 is een deel ervan publiekelijk toegankelijk gemaakt in een schitterende herdruk van het reisjournaal in 'Die andere Bibliothek’ van Eichborn Verlag.
Hoewel Forsters onwaarschijnlijke leven nog altijd wacht op een grote biografie zijn de essentiële data welbekend. Georg is de oudste zoon van een ambitieuze dorpspastoor en all round wetenschapsman uit een gehucht in de buurt van Danzig, indertijd behorend tot het Poolse Pruisen. Vader Forster was bevriend met Lichtenberg - nog zo'n genie van de Verlichting op z'n humaanst - die hem in zijn Londense correspondentie typeert als 'de meest uitzonderlijke man’ die hij in Engeland had ontmoet. 'Had hij zelf het bevel over het schip gehad en had hij naast zijn grote talenten de beschikking gehad over de ervaring van captain Cook, dan zouden we nu drie keer zo veel weten.’ Dat schreef Lichtenberg in 1775, toen het reisboek er nog lang niet was. In zoon Georg ziet Lichtenberg 'een voortreffelijke tekenaar’, niet veel later zou blijken dat hij zijn vader in 'uitzonderlijkheid’ nog verre overtrof.
Georg was een wonderkind en een polyglot. Toen hij tien was nam zijn vader hem al mee op een studiereis dwars door Rusland. In opdracht van tsarina Catharina moest hij het gebied rond de Wolga bestuderen met het oog op de vestiging van Duitse boeren. Via Königsberg, Riga, Petersburg en Moskou belandde het duo in de Zuid-Russische steppen, waar de levensomstandigheden in alle opzichten erbarmelijk waren. Gedurende hun verblijf in Wolgograd (later Stalingrad) ging Georg voor het eerst van zijn leven, en tevens voor het laatst, heel even naar school, hij bleek er niets meer te kunnen leren. Op zijn dertiende vertaalde hij een Russische geschiedenis van het tsarenrijk in perfect Engels. Later, toen vader en zoon, straatarm, naar Londen verhuisden, was het vooral Georg die als vertaler voor brood op de plank zorgde, al was vader fellow van de prestigieuze Royal Society. Zijn beroemdste vertaling: het reisjournaal van de Franse kapitein Bougainville naar Tahiti.
En dat was een vertaling met gevolgen. Kort na - en waarschijnlijk als gevolg van - die vertaling kreeg vader Forster een brief van de admiraliteit, een soort ministerie van Marine, met het verzoek Cook te begeleiden. Hij was ook de beoogde auteur van het reisjournaal, maar als gevolg van talloze conflicten met Cook werd hij buitenspel gezet, waarna zoon Georg het karwei overnam. Diens Reise um die Welt zou het verslag van Bougainville in precisie, onbevooroordeeldheid, scherpte van visie en omvang verre overtreffen. Omgerekend naar een meer gebruikelijk formaat en lay-out telt het plusminus vijftienhonderd pagina’s adembenemende lectuur; Georgs heldere, vaak schitterende stijl is, logischerwijs, in geen opzicht aangetast door de beruchte pompeusheid van Duitse academici. De lezer waant zichzelf de ontdekker van nieuwe werelden, als in een jongensboek voor volwassenen. Om misverstanden te voorkomen: ontdekkingsreizen dienden niet zozeer het avontuur of de wetenschap, het ging primair om geopolitieke, lees: imperialistische doelen, maar daarvan is bij Forster niets te merken.
'Zeer ongelukkig’ noemt hij het 'dat al onze ontdekkingen zoveel onschuldige mensen het leven moeten hebben gekost.’ Erger nog is de onherstelbare schade die deze volkeren is aangedaan 'door de aantasting van hun zedelijke grondslagen’. Dat hij niet overtuigd was van de principiële superioriteit van de westerse cultuur blijkt op vele plaatsen, tegelijkertijd stelt hij het beeld van de 'nobele wilde’ op empirische gronden bij.
Tweemaal bezocht Cook Tahiti, dat als geen plek op aarde de fantasieën van de verlichte Europese man verhitte. Van wantrouwen, zo blijkt, was geen sprake, men wisselde geschenken uit en was wederzijds tegemoetkomend. Forster verdiepte zich in de taal van de 'indianen’, op hun beurt bonden die hun loshangende haar naar Europees voorbeeld achter hun hoofd bijeen. De Tahitianen maakten indruk door de behendigheid waarmee ze zwommen en doken, zozeer dat Forster dacht met amfibieën van doen te hebben. En ja, ze waren inderdaad charmant en ontwapenend, en zeker, hij vertelt het enigszins besmuikt, de matrozen waren 'geheel en al betoverd’ door de schoonheid en charmes van de jonge meisjes die aan boord kwamen; niet onwaarschijnlijk dat ze ook hemzelf in de geheimen van de seksualiteit hebben ingewijd.
Een tweede grote reis ondernam Forster dertien jaar later, in 1790, dus een jaar na het uitbreken van de Franse Revolutie. De jonge Alexander von Humboldt was zijn reisgenoot, Parijs de uiteindelijke bestemming, de Lage Landen en Engeland vormden het belangrijkste reisdoel. Het driedelige boek dat hij hierover tussen 1791 en 1794 zou publiceren, is opnieuw een kolossaal werk, minder omvangrijk dan Reise um die Welt, uiteraard minder exotisch, maar historisch en politiek rijk en gefundeerd. Opvallend zijn bovendien de vele passages, soms met de lengte van complete essays, waarin Forster zich een uitmuntend, analytisch ingesteld kenner betoont van beeldende kunst, architectuur en stedenbouw.
Zo is hij in Keulen enthousiast over de - nog torenloze - Dom; historici menen zelfs dat Forster indirect de aanzet heeft gegeven tot de voltooiing, die in 1842 begon. Dat zou, als het waar is, getuigen van een wrange ironie, want Forster laat geen gelegenheid onbenut om het katholicisme te bespotten. Af en toe horen we al de toon van Heine. De stad, zegt Forster, telt 42.000 inwoners, 'waaronder tweeduizend dragers van soutanes en monnikspijen, maar minstens zoveel hoeren en bedelaars’. Afkeer van het katholicisme blijft hem gedurende de hele reis parten spelen, in Aken bijvoorbeeld, waar de troon van deze christenvorst hem zeer eigentijdse rebelse gedachten ontlokt. En meer nog, later, in België, waar de katholieke kerk een heel volk lijkt te hebben lamgeslagen.
Daar, in de koets onderweg van Luik naar Leuven, dat wil zeggen: bij hoofdstuk twaalf van de oorspronkelijke uitgave, begint de Nederlandse editie van dit reisboek. De universiteit van Leuven krijgt er flink van langs, corruptie is er vanzelfsprekend, de bibliotheek 'onbeduidend’ - logisch, aangezien de hele universiteit op theologische leest is geschoeid. Talloos zijn de passages waarin Forster de Belgische clerus verwijt haar tijdgenoten de meest krasse onzin als onfeilbare waarheid te verkopen en niets dan 'zalige onwetendheid en blinde gehoorzaamheid’ te prediken. En waar hij ook komt, overal ontwaart hij 'een jammerlijk gebrek aan elan’, overal ziet hij traagheid en onverschilligheid, overal 'kleine, miezerige lieden’, de Brabanders zijn 'geboren knechten’. Hoewel, geboren? 'Brabant is beroemd om zijn bijgelovigheid, dankzij de gruwelijke politiek van Philips die het zwaard liet rondwoelen in de ingewanden van zijn zelfdenkende onderdanen en iedere andersgezinde naar de brandstapel stuurde.’
Als Forster de Nederlandse grens overtrekt is alles plotseling anders. Weliswaar hebben de dorpelingen nog steeds 'afschuwelijke gezichten met harde gelaatstrekken’, maar in vergelijking met de 'Brabantse slampamperigheid’ valt hun 'opgewektheid en bedrijvigheid’ op, speciaal die van 'een paar flinke, gedecideerde deernen, die zich met gelijke ijver over de koetsiers als over de paarden ontfermden’.
Nederland is 'het land van de ware vrijheid’, conversatie en wetenschap staan er op een hoog niveau, ook constateert hij 'een opmerkelijk respect jegens buitenlanders’, gebaseerd op 'een gevoel van eigenwaarde’ dat nooit afdaalt tot het 'niveau van kleinzielige ijdelheid van de pietlut’. En 'de Haagse kringen doen niet onder voor de meest ontwikkelde in Engeland en Frankrijk’, sterker nog: 'Op excellente wijze zijn hier, zoals trouwens overal in Holland, natuurhistorische kennis alsmede eruditie op het klassieke en humanistische vlak, veel algemener verbreid dan in menig ander land.’ Logisch dat hij zeer te spreken is over Felix Meritis in Amsterdam en Teylers Museum in Haarlem.
Kritiek is er ook, gelukkig. Op vreselijk declamerende en als molenwieken gesticulerende acteurs in de Hollandse Comedie. Op de Hollandse zuinigheid en spaarzaamheid die soms op 'verachtelijke hebzucht’ uitlopen. Op kalmte die op onverschilligheid en eenvoud die op eenzijdigheid lijkt. Maar het zijn de schaduwtinten van de portretschilder die weet dat hij zijn personage op die manier alleen maar geloofwaardiger en stralender kan laten schitteren.
Het boek eindigt voortijdig, namelijk als Forster en Humboldt via Leiden en Maassluis in Hellevoetsluis arriveren, waar ze de boot naar Engeland nemen. Over hun verblijf aldaar en het daaropvolgende in Parijs zijn we op de hoogte via brieven en latere opstellen. In de vroege zomer van 1790, de gelukkigste fase van de Revolutie, was het tweetal getuige van de aanleg van het grootste amfitheater ter wereld op het Champ-de-Mars, waar vertegenwoordigers van alle standen bij betrokken waren. In januari 1793, als Franse troepen Mainz bezetten, is Forster een van de oprichters van de democratische Mainzer Republik, waar hij, voor het eerst op Duitse bodem, de algehele persvrijheid afroept. Andermaal reist hij naar Parijs, nu om aansluiting van Mainz bij Frankrijk te bepleiten. Maar in oktober 1793 wordt het kleine republikeinse gebied al weer door Duitse antirevolutionaire troepen heroverd en kan Forster niet meer terug. Een paar maanden later, nog geen veertig jaar oud, krijgt hij een fatale longontsteking.
In het nationalistische Duitsland raakte het werk van deze grote auteur in vergetelheid, Georg Forster gold tot diep in de twintigste eeuw als nestbevuiler, landverrader, internationalist en revolutionair. En het is waar: de bestorming van de Bastille zag hij als een feest, ook als het bewijs trouwens dat filosofische boeken grootse veranderingen in de realiteit konden bewerkstelligen. Pas ver na de Tweede Wereldoorlog begon zijn herontdekking. Tot gebeurtenissen die vergelijkbaar zijn met die van Quatorze Juillet zal de introductie van zijn werk in het restauratieve Nederland van nu waarschijnlijk niet leiden, een feestdag is het wel degelijk.

Het boek van Forster wordt gepresenteerd in het Goethe Institut, Herengracht 470, Amsterdam, op 8 december om 20.00 uur met medewerking van Christoph Buchwald, Nelleke Noordervliet en Cyrille Offermans

GEORG FORSTER
HET VUUR NOG GEENSZINS GEDOOFD: EEN REIS DOOR DE LAGE LANDEN
Cossee, 251 blz., € 26,90