Werelds en exotisch

MARTIJN BENDERS
KARAVANSERAI
Nieuw Amsterdam, 92 blz., € 16,50

Na twee jaar gesol met de vreemdelingenpolitie besloot Martijn Benders naar Turkije te verhuizen. Hij had inmiddels een baan aangenomen als ICT’er om garant te kunnen staan voor zijn Turkse vriendin. Maar ook daarmee hielden de bureaucratische plagerijen niet op. Benders koos voor een andere weg en week uit naar de Buyukade, een van de Prinseneilanden bij Istanbul. Zoveel en meer staat te lezen op zijn weblog www.loewak.nl.
Benders won eerder met een gedicht de Dunya Poëzieprijs, in 2003. Uit zijn dit jaar verschenen debuut Karavanserai blijkt dat hij smaak heeft. Hij citeert Henri Michaux en de Hongaarse dichter János Pilinszky. Die leest hij volgens de uitgebreide toelichting beiden in het Engels. Een ‘Karavanserai’ is een overnachtingsplek in het Verre Oosten, waar reizende handelaren met hun waren en dieren veilig kunnen overnachten. Dat de bundel iets dergelijks wil herbergen, sluit ik niet uit. Karavanserai is een rijk maar overladen debuut.
In de eerste van de vier afdelingen, Mare Magnun, geeft Benders definities van begrippen als nacht, doden (‘ze tellen oud geld/ onder het bed’), sterren, heelal, liefde, lente en, in het onderstaande gedicht, de tijd:

De tijd duimt enkel voor zichzelf.
In onze kinderjaren, als hij het grootst is,
zet hij een klink in ons gezicht
eigenlijk bedoeld voor de dood
en zijn trawanten.

Soms komt die te vroeg
in de gedaanten van een liefde.

Soms duurt het te lang, dan
treft die liefde geen paleis meer aan
achter dat deurtje, geen schatkamer, niet
eens
een opgemaakt bed, maar

een stoffige bezemkast
met een dweil, een spinnenweb
en een paniekende mot
die naarstig nog het sleutelgat
van de sterren zoekt.

De gedichten van Benders zijn metaforisch in beeldende zin. Oren zijn bij hem ‘een paar gekrompen vleugels/ naast ons hoofd’. Hij werkt die metaforen hardnekkig uit. Zo bestaat muziek opdat onze oren niet ineenklappen, nu we die vleugels toch al niet meer kunnen uitslaan. Dergelijke wendingen verraden een stevig poëtisch vermogen. Martijn Benders heeft iets wat weinig dichters hebben: guts. Maar soms is hij ook ronduit flauw en vertilt hij zich in dit debuut. ‘Koken kan de maan niet, zelfs een eitje kan beter koken.’ Hier en daar is er een geforceerde en bedachte afbreking die de spontaniteit van de bundel ontkracht, zoals ‘de slaap die vat/ na vat betrekt…’ Bij vlagen is hij werkelijk humoristisch, als hij vakkundig een gospel opblaast of Cupido zijn pijlen in het mos laat dopen terwijl alle meisjes met kogelvrije vesten rondzwermen. Op een bepaald moment klinkt hij als een wat minder verfijnde Oosterhoff, een referentie die me bij geen enkele andere dichter is opgevallen.
De tweede serie, Paleis van Bagassa, bestaat uit gedichten die zich hoofdzakelijk in Istanbul afspelen. Benders vermengt een sprookjeswereld met de echte wereld en daarin is hij verbluffend consequent. Het zijn gedichten waarin je verdwaalt zoals je dat alleen in een werkelijk grote stad kunt. De vertellingen verdringen elkaar. Het Istanbul van Benders heeft iets van een karikatuur, vol kruideniers zonder pensioen, vol verhalen en legendes. ‘Drukpersen kauwen op het nieuws/ als verzadigde ezels’. De stad is bij Benders surreëel en bont. Dit is zeker geen nodeloos ingewikkelde poëzie, wel is het op een bombastische manier veel wat hij beschrijft en oproept.
De poëzie van Benders is op een vreemde manier expliciet. Vaak klinkt hij iets te wijs voor een dichter, weet hij het allemaal te goed en trekt zichtbaar aan de touwtjes. Dat euvel is het meest te merken in de derde serie, Stigma, die bestaat uit een ongebreidelde opsomming van omschrijvingen van de eerste dertien cijfers, van nul tot twaalf. ‘Vijf is aftiteling van de taal.’ Verderop loopt de negen ‘ganse dag in pyama zachtjes nee schuddend/ met zijn waterhoofd’. Die associaties zijn af en toe raak, maar veel te legio. Het verbaast me niet zowel bij de aantekeningen als in zijn uitvoerige dankwoord de naam van de Haagse geschiedenisleraar en ‘magiër’ Ruud Vermeer tegen te komen. Net als deze in de marge publicerende dichter (die aan de wieg stond van een scene waaruit onder meer het Crossing Border Festival is voortgekomen) verraadt Benders met de serie Stigma een belangstelling voor kabbalistiek. Mogelijk heeft de poëzie bij Benders inmiddels dergelijke fascinaties verdrongen – Karavanserai getuigt er nog volop van.
Veel gedichten in het begin van de bundel hebben een duidelijke vorm. Er is telkens een volrijm of halfrijm, vaak op een woord halverwege de regel, soms met een dubbel eindrijm. In de laatste afdeling, De rubberen kamer, klinken meerdere stemmen en technieken door. ‘Spookvertalingen’ noemt Benders die gedichten. Dobbelstenen zijn rond in die rubberen kamer. De beteugelde zang van János Pilinszky blijft herkenbaar in de woorden van Benders, maar wijkt sterk af van de andere gedichten. Ik vraag me af of Martijn Benders met zijn debuut niet te veel tegelijk wil laten zien. Zijn belezenheid had ook uit zijn eigen werk kunnen blijken. In doodlopende stegen is het moeilijk dwalen. Losse vertaalde gedichten rijmen slecht op elkaar. Maar dat mag de uitzonderlijkheid van dit debuut niet overstemmen. De poëzie van Benders is gelijk aan haar onderwerp: werelds en exotisch. De ongepolijstheid van Benders kent een belofte. Een dergelijke brute kracht zal door elk toekomstig keurslijf heen zichtbaar blijven.