Richard Sennett over arbeid en welbevinden

‘Werk is niet alleen een loonstrook’

Socioloog Richard Sennett schreef een serie boeken over de sociale en persoonlijke betekenis van werk. Hij voorspelde de economie van onzekere contracten, arbeid die aan inhoud en status inboet en toenemende ongelijkheid. Maar hij is onverwacht optimistischer geworden.

Chicago, beursvloer, 1996 © Burt Glinn / Magnum / HH

Iemand die nietsvermoedend zou binnengaan bij socioloog Richard Sennett zou de indruk kunnen krijgen op bezoek te zijn bij een winnaar van de moderne tijd. De vermaarde hoogleraar van een reeks topuniversiteiten ontvangt aan huis, in een ruim bemeten penthouse in hartje Londen. Hij vertelt over zijn werk op een paar continenten, een adviseurschap bij de VN, en als iemand belt voor zijn vrouw (ook een succesvolle socioloog) loopt hij aan de telefoon even haar gangen na door Azië en de Verenigde Staten, om uiteindelijk aan te bevelen haar later te bellen in hun andere huis in New York.

In een reeks boeken en essays over een tijdspanne van decennia ontpopt Sennett zich eerder als het tegendeel: als iemand met een diep wantrouwen jegens de nieuwe mondiale klasse, iemand die tegenwicht wil bieden aan het idee dat de samenleving een markt is waar de flexibele, mobiele mens zijn vleugels kan uitslaan door sneller, ondernemender en doortastender te zijn dan zijn concurrenten.

Sennett (1943) begon als onderzoeker met een reeks boeken over steden en hun sociale functie. Hij vestigde zijn naam in 1977 met The Fall of Public Man, waarin hij het ideaal beschreef van een stad waar de inwoners zich open en dienstbaar opstelden aan de gemeenschap, zoals in Europese hoofdsteden in de achttiende en negentiende eeuw. Maar de meeste van zijn – negen – boeken gaan over werk en aspecten daarvan: klassenbewustzijn, respect en de relatie ervan tot werk, de nieuwe normen en waarden voor arbeid die de laatste decennia opkwamen en het verlies van de oude. Hij schreef over de nieuwe, flexibele economie die vanaf de jaren negentig opkwam en de effecten ervan op mensen in westerse landen en hun maatschappij.

In 2008 begon Sennett aan een trilogie over de werkende mens, de homo faber. De ambachtsman was de eerste in de serie, een boek over de menselijke impuls om goed werk te leveren als verrijking en doel op zichzelf. Een paar jaar later schreef hij Samen: Een pleidooi voor samenwerken en solidariteit, waarin hij meer samenwerking op de werkvloer en in de stad als tegenwicht suggereert tegen het groeiende politieke tribalisme. Dit jaar rondde hij zijn trilogie af met Building and Dwelling: Ethics for the City.

Al sinds Richard Sennett over werk begon te schrijven, meer dan veertig jaar geleden, bezag hij het als een urgent thema. Werk kan ons bevrijden en voldaan maken, maar ook onderdrukken en kleiner maken. In die veertig jaar beschreef Sennett trends die grote invloed hebben gehad op het leven van miljoenen mensen, van het opknippen van het productieproces van grote, hiërarchische bedrijven tot de toename van prestatienormen en flexwerk. Ook nu voorziet hij grote veranderingen – andere dan waar onze politiek nu grotendeels om draait.

‘Een van de dingen die me mijn hele leven als onderzoeker heeft beziggehouden is de relatie tussen mensen en machines’, zegt hij boven een kopje Nespresso. ‘Ik schreef er al, ik durf het bijna niet te zeggen, vijftig jaar geleden over in The Hidden Injuries of Class. Ik interviewde voor dat boek arbeidersfamilies in Boston. Veel van de banen waar die families op dreven werden bedreigd door automatisering. Destijds ging het om mechanische automatisering. Die is overgegaan in elektronische automatisering. De effecten daarvan gaan veel verder en dieper in de beroepsbevolking ingrijpen.

Ik word regelmatig gevraagd wat ik denk van immigratie en de effecten daarvan voor “inheemse” werkers, maar de effecten van migratie zijn echt verwaarloosbaar vergeleken met hoe de samenleving in de komende tien, vijftien jaar zal worden getransformeerd door elektronische automatisering. Volgens de berekeningen van mijn onderzoeksgroep worden in een worst case scenario drie tot 4,5 procent van de bestaande banen bedreigd door immigratie. In het geval van elektronische automatisering komen we uit op 26 tot dertig. Dat zijn cijfers voor Groot-Brittannië, maar ik ben er zeker van dat voor Nederland de cijfers soortgelijk zijn.

De reden daarvoor is simpel. In automatisering oude stijl rekende je uit hoeveel het kostte om een machine te bouwen en te bedienen, en daarna hoeveel het kostte om dezelfde hoeveelheid producten te laten maken door mensen. Veel banen werden nooit geautomatiseerd, omdat je altijd iemand kon vinden die het goedkoper kon doen. Maar de kosten voor elektronische automatisering zijn vaak triviaal. Als je bijvoorbeeld software voor stemherkenning wilt kopen, waarmee je mensen kunt vervangen die de telefoon aannemen, dan kun je algoritmen bijna van de plank kopen die hetzelfde werk doen voor een fractie van de prijs.

Bedrijven als Google en Microsoft zien een economisch model voor zich waarbij allerlei soorten werk wordt vervangen door algoritmen, omdat zij meeverdienen aan de licenties en de ondersteunende diensten die een klant daarvoor nodig heeft. Dat betekent een enorme verschuiving van wat automatisering betekent. Een heel scala van banen voor de middenklasse en arbeidersklasse wordt bedreigd. We hebben fundamentele revisies nodig om daar iets aan te doen.’

Zoals welke?

‘In de IT-sector zie je een terugkeer van het monopoliemodel dat je in de VS een eeuw geleden zag in staal, olie en dergelijke. Dat werd toen door de overheid opgebroken. Nu zal hetzelfde moeten gebeuren met Google, Amazon en de grote tech-firma’s als we greep willen krijgen op de kapitalistische structuur daaronder. Het meeste kapitaal in die sector wordt verdiend met vampiermodellen, waarbij via surveillance en gedragsmonitoring een beeld wordt gemaakt van mensen waar via reclame op kan worden verdiend.

Het is heel jammer dat er al zoveel misbruik is van alle nieuwe technologie die de laatste decennia is ontwikkeld, terwijl we pas in de beginfase van die technologische verandering zijn. Dit was een van de redenen voor mij om De ambachtsman te schrijven. Het is als Pandora’s doos: we weten niet wat we met al die nieuwe technologieën moeten, dus we gebruiken ze op de meest simpele manier. Het is niet zo dat ik de nieuwe technologieën per definitie wantrouw. Maar we moeten ze wel op manieren inzetten waarop ze goed werk en samenwerking mogelijk maken.

Neem e-mail. Dat is waarschijnlijk de meest gebruikte vorm van communicatie op de werkvloer en de meest antisociale manier van communiceren in een werkomgeving die je zou kunnen verzinnen. Het is een puur eendimensionale en letterlijke manier van communiceren, destructief voor de hele rijkdom en context van samenwerken.

Mijn eigen model voor goed samenwerken is altijd muziek maken geweest. Wat er gebeurt tijdens repeteren is voor mij een model voor open manieren om goed werk te doen, met veel communicatie die niet-verbaal is en niet-bewust. Idealiter zou nieuwe technologie dergelijke samenwerking in werk kunnen faciliteren. Technologie-experts denken over dezelfde vraag na. Op het Massachusetts Institute of Technology, waar ik werk, zijn veel mensen bezig met manieren om de persoon-tot-persoon-ervaring terug te krijgen in de communicatie met vreemden.’

‘De effecten van migratie zijn verwaarloosbaar vergeleken met hoe de samenleving zal worden getransformeerd door elektronische automatisering’

Muziek is een terugkerend thema in Sennetts werk en zijn eerste ambitie. Als kind trainde hij om cellist te worden, tot een handblessure hem dwong die droom op te geven. Een andere levenservaring waar hij vaak op teruggrijpt, is zijn jeugd in de achterstandswijk Cabrini-Green in Chicago, een wijk die in de VS nationale faam zou krijgen als low-end ghetto. Sennett is kind van Russische emigranten die samen hadden gevochten in de Spaanse Burgeroorlog. Zijn vader verliet het gezin al toen Richard klein was, zodat hij opgroeide in een eenoudergezin dat vaak lange tijd van een uitkering leefde. Geen geïsoleerd bestaan, overigens: Sennetts moeder was een actieve communiste met een uitgebreid sociaal en activistisch leven.

Als vijftienjarige verliet Sennett zijn ouderlijk huis en wist zich in de jaren daarna met muziek te onderhouden. Zijn carrière eindigde abrupt toen hij problemen kreeg met een pees in zijn hand en een medische operatie mislukte. Hij vond een nieuwe toekomst in een studie sociologie aan Harvard, promoveerde in de cultuurgeschiedenis en vond zijn plaats in de wetenschap.

De armoede uit zijn jeugd heeft Sennett achter zich gelaten, al zit hij ’s avonds het liefst in een arbeiderspub in de buurt. De muziek is wel gebleven. Uit de hal loop je direct tegen een vleugel aan, bladmuziek en een cello op standaard. Het huis is licht en smaakvol ingericht, strak wit met houten meubels, kunst en objecten uit verschillende hoeken van de wereld. Langs de hele lengte lopen hoge ramen die uitkijken op gerenoveerde industriële gebouwen uit de negentiende eeuw en een lang balkon met olijfbomen, bamboe en ander groen. Sennett zit aan het hoofd van zijn eettafel in een zwart-wit gestreept shirt, zijn beide handen om zijn koffiekopje gevouwen, soms met gekruiste armen op de borst en heldere, oplettende ogen. Hij denkt tijdens het gesprek soms na en zoekt dan naar de juiste formulering van zijn ideeën. Het gesprek komt op zijn gedachten over respect, innovatie en meritocratie.

‘Het is een grote ironie van onze tijd dat veel banen die goed betaald worden heel mechanisch zijn en maar weinig ruimte laten voor keuze en innovatie’, zegt hij. ‘Veel banen in de financiële sector, bijvoorbeeld. Bij microsecond trading draait niets om keuzes. Het is een vrij domme baan, waar mensen enorme sommen geld voor krijgen. Ik begon daarover te schrijven in The Corrosion of Character. Kleine ondernemers, die in ons systeem onder druk staan, zijn veel innovatiever dan mensen die voor een groot bedrijf een gestandaardiseerde routinetaak doen.

Toch blijven we met het waanbeeld zitten dat ons systeem innovatie beloont, een van de gevaarlijkste mythes van het moderne kapitalisme. Af en toe gebeurt dat wel, zoals bij Bill Gates. Maar veel bankiers en juristen hebben een machtspositie en repliceren die. Er is geen verband tussen competentie en klasse. Dat is een van de bitterheden die dit systeem voortbrengt: mensen in de midden- en arbeidersklassen voelen dat de notie van meritocratie, die hun voorgehouden wordt, vals is. Maar het blijft een krachtige ideologie.

Het idee is tegengesteld aan de notie van goed werk doen. Er zit een bevrediging in goed werk doen, die niet te maken heeft met geld verdienen. Dat is waarom veel mensen de wetenschap in gaan of in overheidsdienst. Maar ook voor slecht betaald werk met een lage status is dit waar. Een van de dingen die ik merkte toen ik aan De ambachtsman werkte, is dat mensen in slecht betaalde banen zichzelf een set definities gaven van wat goed werk was. In het ziekenhuis onderzochten we bijvoorbeeld verpleeghulpen, begeleiders en schoonmakers. Zij halen respect uit arbeid op een manier die voor anderen soms stom zou lijken. Iets heel mooi schoonmaken, bijvoorbeeld, of een praatje houden met mensen voor wie de dokters geen tijd hadden.

Dat aspect van werk is uit het perspectief van de business school onzichtbaar. Mensen in kleine winkels die er een eer in scheppen hun klanten te leren kennen – een betrokkenheid bij werk die niet bestaat in de neoliberale visie op arbeid en die niet wordt beloond. Ik heb het zelf onlangs gezien. Ik was erg ziek en lag in het ziekenhuis. Mensen brachten me om drie uur ’s nachts een kopje thee, met als enige beloning dat het hen zich beter liet voelen, net als mij. Ik ben onder de indruk van hoe mensen, ondanks de druk die het systeem op ze legt manieren vinden om hun werk iets te laten betekenen. Mensen hebben betekenis nodig uit werk en sociale contacten op dat werk om zich aan andere mensen te relateren. Het is niet alleen een markt en een loonstrook, een middel voor een doel. Maar dat is wel een probleem met veel werk: je krijgt de betekenis niet van boven, die moet je dus zelf maken.

‘Dit systeem beschermt een heel eigenaardige klasse en brengt veel wonden toe aan de mensen daaronder’ © Jiri Büller / Lumen

Helaas is de nieuwe economie, die vanaf de jaren negentig is ontstaan, daar vijandig aan. De ideologie van die nieuwe economie zegt dat je een loser bent als je lang in een baan blijft, dat je mobiel moet zijn, met draagbare vaardigheden die je overal kunt inzetten, dat je voortdurend nieuwe vaardigheden wil leren en bereid bent de oude te vergeten. Dat is strijdig met de menselijke aandrang om iets goed te leren en er eer in te scheppen het goed te doen. Het systeem van de nieuwe economie zoekt mensen die steeds mobiel willen zijn, die het prima vinden om steeds iets nieuws te doen, steeds ergens anders, die zich nergens aan committeren en het niet erg vinden dat niemand loyaliteit voelt aan hen. Maar de meeste mensen steken niet zo in elkaar. Dit systeem beschermt een heel eigenaardige klasse en brengt veel wonden toe aan de mensen daaronder. Het verplicht hen om betekenis voor zichzelf te creëren waar het systeem hen geen betekenis toekent.’

Een plek waar dit systeem zichtbaar is, zijn de tempels van de nieuwe economie, vertelt Sennett. ‘Het lukte me om voor mijn laatste boek, Building and Dwelling, het Googleplex in New York binnen te dringen, het kantoor waar Google-medewerkers werken. Het is vol pingpongtafels, sushibars, stomerijen, alles om je “blij op het werk” te houden. Maar wat zo’n omgeving niet kan doen is het werk betekenisvol maken in zichzelf. In ons onderzoek vonden we dat twintigers zo’n speelomgeving prima vinden, maar zodra mensen stabiele relaties hebben buiten hun werk, een partner en met name kinderen, zoeken ze iets anders in hun werk: een carrièrepad, langere sociale relaties met collega’s, eer van hun werk. Op dat punt beginnen hun visie op werk en hun leven uit elkaar te lopen en wordt het werk daar wat het is: iets dat alleen aantrekkelijk is voor jonge, ongebonden mensen.’

Maar het arbeidsmodel van de toekomst lijkt eerder te zijn wat Uber en Deliveroo doen: verplichtingen aan je werknemers ontduiken door ze voor te doen als ‘ondernemers’.

‘Ja en nee. We hebben in verschillende landen al stakingen en rechtszaken tegen Uber en andere bedrijven gezien. Zij verdelen hun personeel als controlemechanisme. Maar Deliveroo loopt op dit punt achter. Mensen op dit werkniveau willen het tijdelijk doen voor het geld, maar slikken het niet op lange termijn. Uit al mijn onderzoek bleek: tijdelijke werknemers willen allemaal bij een organisatie horen en nemen daar een lager salaris en meer verplichtingen voor op de koop toe. Ik merkte het bij interviews met tijdelijke en vaste verplegers: in vaste dienst hebben ze een ander soort respect dat ze vinden in een sterkere band met collega’s en patiënten.

Er zullen nieuwe Deliveroos en Ubers komen, voor juristen, dokters, et cetera. Maar mensen zullen na een tijd hun hakken in het zand zetten. Ze willen niet in zo’n kwetsbare situatie blijven zitten, waar je werkt voor een algoritme, waar je geen werk meer hebt als je bij dat algoritme in een slecht blaadje staa. Je bent dan in dienst bij een sorteermechanisme dat dertig procent van je loon neemt. Dat pikken mensen niet op langere termijn. Ik ben daarin voorzichtig optimistisch. Zeker als er linkse regeringen aan de macht zouden komen, zoals Labour in Groot-Brittannië.’

In de nieuwe economie, die Sennett op de korrel neemt, is ook een lage status ingeruimd voor handwerk. In zijn boeken is een terugkerend thema juist lof voor dat handwerk: de menselijke behoefte om dingen met de handen te maken en de verrijking die dat betekent voor de mens. Het lijkt alsof Sennetts bewondering daarvoor is overgeslagen op onze tijd, met hipsters die zich op stadslandbouw hebben gestort, op ambachtelijk bier en handgemaakte alles. Hoe ziet de auteur van De ambachtsman dat?

‘Dat is een van de bitterheden die dit systeem voortbrengt: mensen in de midden- en arbeidersklassen voelen dat de notie van meritocratie vals is’

‘De westerse filosofie en het westerse wereldbeeld hebben zich altijd moeilijk verhouden tot het lichaam. Maar dit is niet een dualistische wereld, waarin fysiek en mentaal gescheiden zijn. Mensen halen veel voldoening uit het doen van fysieke beweging of werk. Ze zijn mentaal meer geëngageerd als hun lichaam ook geëngageerd is. Dat is een diepe structuur onder het idee dat mensen het fijn vinden om met hun handen te werken. Er wordt iets geactiveerd in je brein als je handelingen verricht op een voorwerp en je handen meesterschap oefenen en ontwikkelen. Veel ambachtschap is een extreem intelligente activiteit, toegepast op dingen.

Er is ook een romantische overlap – “ambachtelijk, organisch, slow” – al die onzin. De voldoening gaat veel dieper dan alleen het romantische idee van met je handen in de aarde zitten. In de architectuur en stadsplanning gingen mensen een jaar of vijftien geleden uitsluitend tekenen op scherm. Nu zie je mensen terugkeren naar het potlood of een elektronische versie daarvan. Er zit iets in de fysieke daad van tekenen die de persoon absorbeert. En er komt iets anders bij: de onzekerheden van de hand, de onregelmatigheden bij het behandelen van een object, iets dat me erg fascineert. Het gaat echt niet alleen om werken met beitels en objecten. Een ambacht kan ook zitten in het maken van onze omgeving, iets waar ik in mijn laatste boek over schrijf.’

U ziet dat boek als een afsluiting van uw reeks over de werkende mens. Hoe past een boek over stadsontwerp en stedenbouw daarin?

‘Mijn trilogie over de homo faber begon met een idee over werken met weerstand en moeilijkheden, de uitdaging die ons engageert en dwingt tot het zoeken en oplossen van problemen. De ultieme uitdaging is hoe we moeten werken met weerstand, moeilijkheden en complexiteit in onze fysieke omgeving. Ik ontwikkelde tijdens mijn leven een theorie over open systemen. En toen ik met mijn boeken over homo faber begon, realiseerde ik me dat ik mijn hele leven had geschreven over de sociale complexiteit van samenwerken, zowel in relatie tot objecten als tot onze bebouwde omgeving.

Dit boek gaat ook over maken, niet van voorwerpen maar van een plek. Een van de belangrijkste vragen voor ons, nu het leven steeds meer in steden plaatsvindt, is hoe we steden maken die democratisch en open zijn. Die vraag moeten we koppelen aan de bedreigingen van klimaatverandering. Over de hele wereld zie je dat de methode van bouwen heel gesloten en uniform is. Het zijn grote bedrijven die het bouwwerk doen, conglomeraten soms. De economie van nu begunstigt grote, voor één doel gebouwde projecten die door internationaal opererende investeerders worden gefinancierd. De gebouwen die dat oplevert, zijn gesloten, inflexibel en niet veerkrachtig.’

‘We moeten nieuwe vormen van bouwen ontwikkelen, die adaptiever zijn, op kleinere schaal, en minder opdringerig. We weten wel veel over verschillende materialen, maar niet hoe we dat op het niveau van steden, inclusief megasteden als New York en Londen, moeten aanpakken. De steden van nu zijn te rigide gebouwd om zich flexibel aan te passen aan extremen van heet en koud. En we blijven zo bouwen, alsof klimaatverandering niet bestaat. Misschien wat eco-materialen hier en daar, maar daar blijft het bij.

Ik raakte hier tijdens werk voor de Verenigde Naties door gegrepen, ik besefte daar de mondiale reikwijdte van het probleem. De voor één doel gebouwde, gesloten steden zijn een recept voor technologische achterlijkheid. Een stad is niet zoals een iPhone die je elk jaar kunt inwisselen voor een nieuwe. Als je een stad bouwt als Dubai, en je steekt daar een biljoen dollar in, dan is het erg moeilijk om die aan te passen aan het feit dat het daar nog twintig graden heter gaat worden dan nu. Mensen lopen daar straks al gevaar door hun gebouw te verlaten. Alle koelingsplannen moeten worden aangepast, want Dubai is heel inflexibel gebouwd. Dat was voor de investeerders niet erg: zij wisten wat ze terugkregen. Maar wij hebben een stad die niet duurzaam is.

Dubai maakt het verband duidelijk tussen klimaatverandering en de manier waarop onze economie nu is ingericht. Het is helder dat er een verband bestaat tussen klimaatverandering en kapitalisme, dat er zeer grote economische belangen in de weg staan bij het aanpakken van klimaatverandering. We zouden daarom een andere discussie moeten hebben over het kapitalisme dan alleen over het feit dat een klein aantal mensen veel geld heeft. Grote ongelijkheid is vreselijk, maar klimaatverandering gaat over ons overleven. We moeten veel economische structuren afbreken om met klimaatverandering te kunnen omgaan.’

Klopt het dat u optimistischer bent dan een paar jaar geleden over of zoiets kan lukken?

‘Ja. Ik ben oud, ik ben erg ziek geweest, en ik ben niet meer ver verwijderd van sterven. Maar ik denk dat het leven doorgaat zonder mij. Het idee dat je een brommerige oude dag in gaat als je oud bent, dat je denkt dat de wereld naar de knoppen gaat, dat is niet hoe ik wil sterven. En ik zie de tekenen bij de jongeren in Europa, de VS en in landen daarbuiten. Ik denk dat zij niet suïcidaal zijn op de zelfbeschadigende manier van rechts. De achteruit kijkende masturbatie waar uiterst rechts zich aan overgeeft, heeft hun niets te bieden.

Ik geloof dat de nieuwe generatie jongeren in dat opzicht is ontwaakt. De jongeren van nu zijn een veel bewustere generatie dan de mijne was. Misschien is het alleen mijn manier om de dood weg te houden. Maar ja, ik ben optimistischer, en ook linkser dan ik vroeger was. Ik dacht zelf op middelbare leeftijd ook dat de maatschappij op instorten stond. Dat geloof ik helemaal niet meer. Ik denk dat we grote problemen hebben, maar dat mensen ze zullen aanpakken.’

Tegelijk is een aantal van uw negatieve voorspellingen over toenemende ongelijkheid en versnippering en uitholling van werk uitgekomen.

‘Dat klopt, maar ik heb het gevoel niet dat de zaken nog zullen verslechteren. Toen het neoliberale regime vorm kreeg, in de jaren negentig, werd dat gesteld als de toekomst: iedereen zou ondernemer worden, beter, flexibeler en rijker worden. Dat moment is voorbij. Ik zie echt dat die ideologie afbrokkelt.’

Verwacht u ook een opstand tegen de mentaliteit van de samenleving die daarbij hoort?

‘Ik hoop het.’