Werkelijk een vakman

tekening: Dick Tuinder

In het Verzameld werk van Franz Kafka, net opnieuw uitgegeven, is stilstand de ideale situatie, zij het dat er altijd iets lonkt aan de andere kant van de deur. Maar echt de moed om die met één soepele be-weging te openen, hebben zijn personages niet en had, zo leek het, Kafka zelf evenmin.

Medium kafkacover1 1

FRANZ KAFKA
VERZAMELD WERK
met een nawoord van Marjolijn Februari; verschillende vertalers
Querido, 1083 blz., € 17,50

ERNST PAWEL
THE NIGHTMARE OF REASON: A LIFE OF FRANZ KAFKA
Farrar, Straus & Giroux 1984, 466 blz., € 40,25
HET LEVEN VAN FRANZ KAFKA
Vertaald door Jos Perry
Van Gennep (antiquarisch)

PAUL AUSTER
GROUND WORK: SELECTED POEMS
AND ESSAYS, 1970-1979
Faber 1991, 226 blz., ca. € 8,- (antiquarisch)

De Amerikaanse schrijver Paul Auster, bekend van onder andere The Invention of Solitude en The New York Trilogy, is een groot bewonderaar van Franz Kafka (1883-1924). In zijn boek Ground Work, uit 1990, eert hij zijn held met het stuk Pages for Kafka. Auster citeert niet uit het oeuvre van Kafka, even-min presenteert hij analyses of interpretaties van een van de titels van de Praags-Duits-joodse schrijver. Auster stelt zich daarentegen Kafka zélf voor; hij zet hem overeind, draait hem in de juiste richting en geeft hem een duwtje in de rug zodat hij op weg kan.
De openingszinnen van het stuk van Auster
luiden: ‘He wanders to the promised land. That is to say: he moves from one place to another, and dreams continually of stopping.’ Kafka droomt in dit verhaal weliswaar van stoppen, maar eenmaal in beweging gezet, houdt hij geen halt meer, hij blíjft lopen,
zonder overigens ooit ergens aan te komen.
Want zo gaat dat met beloofde landen. En zo gaat dat met Kafka. Dat hij nergens arriveert, is niet uitslui-tend te wijten aan het imaginaire karakter van beloofde landen. Kafka wil nergens aankomen, er is geen bestemming die hij wil bereiken. Auster: ‘Whatever is given to him, he will refuse. Whatever is spread before him, he will turn his back on.’ Kafka wil alleen maar doorgaan, en dat toch eigenlijk ook niet. Kaf-ka weet niet wat hij wil, in het verhaal van Auster is hij een uitgesproken onpraktisch iemand. Hij staat buiten de werkelijkheid.
In de roman The Information (1995) van Martin Amis – Kafka kent onder schrijvers nog altijd
talloze bewonderaars – functioneert Kafka, samen met enkele andere wereldvreemde schrijvers, als een soort grap. In de roman van Amis is de stofzuiger van het gezin van de auteur Richard Tull op een ge-geven moment defect en Tull wordt er door zijn vrouw op uit gestuurd om het apparaat te laten repare-ren. Ploeterend met de stofzuiger op zijn nek houdt Richard zichzelf voor, ja, raakt hij er zelfs van over-tuigd, ‘dat ook Samuel Beckett op een of ander kwetsbaar moment in zijn leven gedwongen was ge-weest een stofzuiger weg te brengen. Céline ook, Kafka misschien ook – als er toen al stofzuigers wa-ren.’ En dat is dus niet het geval. Dat wil zeggen, er waren geloof ik toen inderdaad nog geen stofzui-gers, maar was Kafka toch met een stofzuiger op pad gegaan, dan was hij hoe dan ook nooit met dat ding weer thuisgekomen. Je kon Kafka bepaald niet om een boodschap sturen.
Kafka’s leven was, net als zijn werk, een eeuwig op weg naar niets, inderdaad, zoals in de song van de Talking Heads A Road to Nowhere. In de beroemde videoclip van dit nummer lijkt de toch al een sterke uiterlijke gelijkenis met Kafka vertonende zanger David Byrne helemaal op Kafka, terwijl hij zich
eeuwig voortbeweegt in een soort zwembadpas.
We moeten er natuurlijk voor waken Kafka’s leven en zijn verhalen en romans op één hoop te gooien. Milan Kundera merkte eens op: ‘Op het moment dat Kafka meer aandacht krijgt dan Josef K. begint Kaf-ka’s postume dood.’ Maar in het geval van Kafka is de verleiding wel bijzonder groot om je leven en werken voor te stellen als een onontwarbaar kluwen. Kafka was een schrijver die werkelijk voor zijn werk leefde. En zijn werk was onlosmakelijk verbonden met zijn leven. Ernst Pawel schreef over Kafka naar aanleiding van de meer dan vijfhonderd brieven die hij aan Felice Bauer schreef dat die brieven samen beschouwd kunnen worden als Kafka’s langste roman, ‘de enige die hij ooit heeft afgemaakt’. Kafka schreef volgens Pawel geen brieven omdat hij per se antwoord wilde: ‘Op een enkele uitzondering na is de correspondentie van Kafka evenals het merendeel van zijn werk een dialoog met zichzelf.’
Met Pawel is de schrijver genoemd van de beste biografie die over Kafka is geschreven. Het boek heeft de fraaie titel The Nightmare of Reason (in het Nederlands verschenen onder de iets minder spannende titel Het leven van Franz Kafka). Op een gegeven moment mondt deze biografie uit in een beschrijving van de strijd die Kafka moest voeren om uren te creëren waarin hij zich aan het schrijven kon wijden. Zijn werk in het verzekeringswezen – dat was zijn beroep: verzekeringsman – scheen hij redelijk goed uit te voeren, maar het was duidelijk dat daar zijn hart niet lag. Hij was, om het zo maar eens te zeggen, een vreemde op zijn werk en hij verlangde op een raar soort opdringerig bescheiden manier van ande-ren eveneens dat ze hem als die vreemde zagen en behandelden.
Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat er iets kokets in zijn gedrag zat. Uit die door Pawel geschre-ven biografie komt, waarschijnlijk onbedoeld, niet de meest sympathieke man naar voren. Kafka woonde als volwassen man bij zijn ouders thuis, klaagde daarover, maar ondernam geen stappen om het huis definitief te verlaten. De simpelste handeling werd een bezoeking. Milena Jesenská schreef in een brief aan Max Brod: ‘Bent u wel eens met hem [met Kafka dus] in een postkantoor geweest? Als hij aan de tekst van een telegram sleutelt en hoofdschuddend een loket uitzoekt dat hem het meest aanstaat, als hij vervolgens zonder ook maar een flauwe notie te hebben waarom en waarvoor, van het ene loket naar het andere zwerft. Ach nee, deze hele wereld is en blijft voor hem een raadsel. Een geheimzinnig myste-rie. Zijn boeken zijn verbijsterend. Hij zelf is veel verbijsterender.’

Daadkrachtiger dan hij blijkbaar in het postkantoor was, was Kafka bij vlagen tijdens het schrijven. Dat schrijven vond voornamelijk ’s nachts plaats, in een roesachtige toestand. Hij werkte niet zelden aan verschillende projecten tegelijk, en vrijwel niets maakte hij af. Maar hij werkte wel vlot. Het beroemde verhaal De gedaanteverwisseling (over Gregor Samsa die in een kever verandert; en niet in een kakker-lak, zoals nogal wat mensen schijnen te denken) schreef Kafka tussen 17 november 1912 en 7 decem-ber van datzelfde jaar, terwijl hij in diezelfde periode aan zijn eerste roman Amerika werkte.
En zo snel als hij schreef, zo voortvarend wordt de lezer in de verhalen en romans getrokken. Kafka was werkelijk een vakman.
In De gedaanteverwisseling gaat hij recht op zijn doel af. Het verhaal zet als volgt in: ‘Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monster-achtig ongedierte was veranderd.’ Dat is geen half werk; Kafka legt meteen zijn voornaamste troef op tafel. Wat volgt is de beschrijving door de ogen van de hoofdpersoon zélf van zichzelf als een gigantisch insect. De tweede alinea opent met een vraag: ‘Wat is er met mij gebeurd?’ Meteen daarop volgt de opmerking: ‘Het was geen droom.’ En dat wordt het ook niet meer, een droom, Kafka belazert je niet als schrijver, hij is altijd eerlijk, hij schudt halverwege de verhalen die hij vertelt niet opeens allerlei apen uit de mouw, volkomen logisch worden we stap voor stap een wereld binnengevoerd die volkomen krank-zinnig is, maar die eigenlijk toch ook weer niet zo veel krankzinniger is dan de wereld van alledag.
Het is eerlijk gezegd een behoorlijk wonder, die vlotheid van Kafka’s proza. In de roman Amerika zien we het hem ook al doen. De hoofdpersoon, de zestienjarige Karl Rossmann, komt aan in Amerika met een schip. Voordat iedereen echt van boord gaat, keert hij nog snel even terug naar het binnenste van de boot om zijn vergeten paraplu te halen: ‘Beneden merkte hij tot zijn misnoegen dat een gang die zijn weg zeer verkort zou hebben voor het eerst was afgesloten, wat waarschijnlijk in verband stond met het ontschepen van al de passagiers en moest moeizaam naar trappen zoeken die elkaar steeds opvolg-den, door voortdurend andere zijgangen, door een lege hut met een verlaten schrijftafel, tot hij werkelijk, daar hij deze weg maar één of twee keer en altijd in groot gezelschap was gegaan, absoluut verdwaald was.’ Ook daar heeft Kafka het al met al binnen één bladzijde voor elkaar dat we allemaal samen met de hoofdpersoon de weg kwijt zijn. Geen wonder dat we nooit ergens arriveren.
Wat Auster doet in zijn Pages for Kafka, Kafka een duwtje in de rug geven om hem aan het lopen te krij-gen, is dan ook eigenlijk gruwelijk. Stilstand is bij Kafka de ideale situatie – in zijn werk en in zijn leven – zij het dat er altijd iets lonkt aan de andere kant van de deur. Maar echt de moed om die met één soepe-le beweging te openen, hebben zijn personages niet en had, zo leek het, Kafka zelf evenmin.
Achter de deur wachtte vermoedelijk weinig goeds. Kafka heeft die gedachte vormgegeven in proza dat concreet en vlot is. Je kúnt de stilstand doorbreken en op weg gaan, maar dan is het weer beter in elk geval niet aan te komen. Het beste is het, zoals Kafka deed wanneer hij daartoe tenminste in staat werd gesteld, om zo veel mogelijk bij jezelf te blijven, eenzaam, in een donkere werkkamer, terwijl je schrijft dat de stukken er vanaf vliegen.