Biologisch boeren in Amerika

Werken als honden, eten als koningen

Een nieuwe generatie Amerikaanse boeren staat gereed om ‘het land te dienen’, gedreven door een idealisme dat doet denken aan de Back to the Land-beweging uit de jaren zeventig. ‘Maak kaas, geen oorlog.’

BETER DAN HOE de Farm at the Locusts erbij ligt zou zelfs Anton Pieck het niet bij elkaar hebben kunnen fantaseren. Alleen de wat patserige entree, een automatisch openende poort, zou Pieck eruit hebben gelaten. Na die horde te hebben genomen waant de bezoeker zich een eeuw terug in de tijd. Een minimaal onderhouden landweg slingert door het heuvellandschap richting de oever van de Hudson, alwaar de koloniale villa staat van de eigenaar van dit landgoed - want dat is het, een landgoed in het plaatsje Staatsburg, op nog geen twee uur rijden ten noorden van Manhattan. Hier neemt Andre Balazs, de eigenaar van onder meer de Standard Hotels in Manhattan, Los Angeles en Miami, na een dag hard delegeren een duik in het zwembad.
Een paar honderd meter verderop staat een witgeschilderd boerenhuis van meer dan een eeuw oud: brokkelige schoorsteen, aflopend dak, houten veranda met schommelstoelen. Het ligt ingebed tussen een broeikas en een groentetuin ter grootte van een voetbalveld, die licht neerwaarts glooit opdat de mensen die het land bewerken het geen moment zonder uitzicht op de Hudson hoeven te doen. ‘Aan het einde van een hete dag lopen we naar beneden voor een zwempartij’, zegt Severine Von Tscharner Fleming, die de boerderij op het landgoed runt. De jonge boerin - ze is vorige week dertig geworden - heeft zes mensen onder zich, met wie ze het werk op de Farm at the Locusts klaart. De boeren zijn stuk voor stuk hoog opgeleid en allen jonger dan 27. Zelf heeft Von Tscharner Fleming landbouw gestudeerd aan de prestigieuze University of California in Berkeley. Niet iedereen heeft echter een puur agrarische achtergrond. 'We hebben er ook een die industrieel ontwerp heeft gestudeerd. Het gaat erom dat je als jonge, beginnende boer in staat bent om out of the box te denken.’
Daarnaast werkt ze graag met ambachtslieden: 'Dit is een tachtig jaar oude boerderij, die dit jaar voor het eerst weer in werking is. Voor de restauratiewerkzaamheden heb ik de hulp ingeroepen van een timmerman en een metselaar. Beiden komen enkele dagen per week over uit Brooklyn - daar stikt het van de jonge ambachtslieden die in onze wegwerpcultuur niet genoeg werk kunnen vinden.’
Nog even en de gigantische oude schuur achter het boerenhuis is omgebouwd tot een kaasmakerij. Anticiperend daarop draagt Von Tscharner Fleming een shirtje met daarop de tekst 'Make cheese, not war’. Er is een veldje voor de varkens, die hier een goed buitenleven leiden tot ze gereed zijn 'om te worden gegeten’ - Von Tscharner Fleming houdt niet van het woord 'slachten’. Daarnaast staat de machtige grazende Narcissa, een koe die van een naburige biodynamische boerderij is overgenomen. Om de twee dagen wordt de hoogzwangere Narcissa verplaatst, want dan heeft ze wederom een stuk gras ter grootte van een tennisbaan kaalgevreten. Verder zijn er leg- en scharrelkippen, bijenkorven voor eigen honing, boomgaarden voor appels en peren, verschillende soorten groente en Von Tscharner Flemings eigen projecten: eenden en ganzen.
De boerderij is geheel biologisch: de dieren worden louter gevoed met wat het land te bieden heeft en de groente en het fruit worden met geen enkel chemisch hulpmiddel behandeld. De enige reden dat de boerderij niet aan het predikaat 'biodynamisch’ voldoet, is dat de Farm at the Locusts gebruikmaakt van elektriciteit en fossiele brandstoffen. Het best lijken overigens de legkippen het er te hebben: die hebben als leghok een oude huifkar op wielen, waarvan timmervrouw Alice het dak heeft getransformeerd tot een minuscule groentetuin, 'gewoon, voor de lol’, zegt Von Tscharner Fleming. Het houtwerk heeft Alice in dezelfde stijl gesneden als de oude schuur die straks kaasmakerij wordt.
De zeven jonge boeren en de regelmatig overkomende ambachtslui delen het oude boerenhuis, waar elke avond copieus gedineerd wordt aan de grote boerentafel in de ouderwetse eetkeuken, met dank aan de oogst van eigen land en de kookkunsten van een van de boeren, een jonge chef die nog maar net is afgestudeerd aan het nabijgelegen American Culinary Institute. 'We werken als honden’, zegt Von Tscharner Fleming, 'maar we eten als koningen.’

HET LIJKT allemaal te mooi om waar te zijn, en dat is het ook, erkent Von Tscharner Fleming. 'Onze situatie is niet representatief voor het boerenbedrijf van nu’, zegt ze: 'We krijgen een vast salaris en een ziektekostenverzekering. En alle producten die we verbouwen verkopen we tegen een topprijs.’
Dat is mogelijk dankzij een belastingvoordeel dat landeigenaren in de staat New York krijgen, legt ze uit. 'Als landeigenaren een deel van hun land beschikbaar maken voor biologische landbouw krijgen ze een belastingvoordeel. Zo hoopt de staat New York te voorkomen dat nog meer landbouwgrond verloren gaat aan vakantiehuizen voor rijke New Yorkers. De afgelopen tien jaar is in deze regio veertig procent van de landbouwgrond verdwenen, dat zie je ook aan al die verlaten schuren die op instorten staan. 'Andre (de eigenaar - mvg) heeft van deze regeling gebruik gemaakt en de helft van zijn landgoed voor landbouw beschikbaar gemaakt.’ Maar dat is nog niet het meest bijzondere aan de overeenkomst tussen landeigenaar Balazs en de jonge boeren van de Locusts: Balazs heeft zich contractueel verplicht om alle producten van de boerderij af te nemen tegen marktprijzen. Het is een win-winsituatie, legt Von Tscharner Fleming uit: 'Al onze producten zijn bestemd voor het toprestaurant van het Standard Hotel in Manhattan. Daar verwachten de gasten niets minder dan biologische producten, vers van het land.’
Ook voor Von Tscharner Fleming is het een 'sweet deal’: 'Ik heb de kans om te leren hoe je een niet meer functionerende boerderij operationeel maakt. En iemand anders betaalt.’ Want ja, in het boerenleven is ze nog een beginneling. Dit is ongeveer het traject: je begint als leerling bij een boerderij, soms alleen tegen kost en inwoning. 'Je moet dus bereid zijn om tegen zo goed als geen vergoeding een beroep te kiezen dat een enorme fysieke inspanning van je vergt. Het boerenleven is romantisch, zeker als je het met een groep gelijkdenkende leeftijdgenoten begint, maar het duurt lang voordat je iets begint te verdienen. Goed boeren vereist een vergelijkbaar kennisniveau als dat van een advocaat of dokter, maar de beloning is iets kariger.’ Toch is de onderlinge concurrentie groot. 'De beste, innovatieve, duurzame boerderijen krijgen jaarlijks honderden aanvragen voor de paar leerlingenplekken die ze hebben.’
Na ongeveer vier jaar mag je een treetje hoger, want dan ga je zelf naar een leidinggevende positie. De volgende stap, die Von Tscharner Fleming dus onlangs heeft gezet, is een managementrol. Toch is ook zij, met inmiddels acht jaar ervaring, in de ogen van de Farm Service Agency (FSA), het overheidsprogramma dat sinds de Depressie gunstige leningen aan boeren verstrekt, een novice. Een beginneling. 'Pas na tien jaar kom je in aanmerking voor een lening.’ Voeg daarbij dat de FSA 'niet altijd de methodes begrijpt die jonge boeren prefereren’ - biologisch, kleinschalig - en een van de problemen van progressieve, beginnende boeren wordt duidelijk: toegang tot kapitaal. Dat maakt het moeilijk om de logische vervolgstappen te zetten: eerst het pachten, dan het kopen van land. 'De boerenversie van de Amerikaanse Droom is heel eenvoudig’, zegt Von Tscharner Fleming: 'Elke nacht dromen we van een eigen boerderij op eigen land.’ Het gaat haar zeker lukken. 'Schrijf maar op: binnen vijf jaar heb ik mijn eigen boerderij. Ik regel een lening of ik vind een investeerder.’
Daarvoor zal ze wel de nodige, vooral zakelijke hobbels moeten nemen, weet ze. Dat is deels het gevolg van het landbouwbeleid van de regering-Nixon in de vroege jaren zeventig. In reactie op enorme prijsstijgingen van landbouwproducten koos de toenmalig minister van Landbouw Earl Butz ervoor om middels subsidies op onder meer maïs en soja de voedselprijzen naar beneden te brengen. Dat lukte, althans, het deed de prijzen dalen van met maïs en soja gemaakt voedsel, zoals industrieel verwerkte producten, frisdrank en massa-geproduceerd vlees. De prijzen van verse, biologisch geteelde producten zijn daarentegen sindsdien continu gestegen in de VS. 'Als voedsel goedkoop is vanwege subsidies, dan is het lastig om als kleine beginneling concurrerend te zijn.’
Een ander probleem is toegang tot land, en niet alleen vanwege de strenge leenvoorwaarden van de FSA. In de regio’s waar veel beginnende boeren zich graag vestigen - dicht bij steden als New York, San Francisco of Boston - is de vraag groot naar de biologisch geteelde producten die deze boeren graag leveren. Maar dit zijn ook de gebieden met de duurste grond in de VS. Als de grond 15.000 tot 25.000 dollar per hectare kost, moet je wel heel veel groente, fruit en vlees verkopen om uit de kosten te komen.

KLEINSCHALIG en biologisch boeren is momenteel slechts goed voor twee procent van de Amerikaanse landbouw. Maar de sector groeit snel, maar liefst twintig tot dertig procent volgens schattingen van de American Farm Land Trust. Onder invloed van de almaar groeiende vraag naar gezond en lokaal geproduceerd voedsel lijkt deze trend door te zetten. Zo beginnen kleine, biologische boerderijen overal in het land, maar vooral rond de grote steden, zogeheten CSA’s (community supported agriculture).
Die werken als volgt: consumenten uit de regio worden lid van de CSA en betalen vooraf voor de oogst van een bepaalde boer. Zo krijgen ze het verst denkbare voedsel in huis, en blijven tevens geld, banen en boerenbedrijven behouden voor de eigen gemeenschap. Ook populair zijn de boerenmarkten in zowel grote als kleine plaatsen en de zelfbedieningswinkels in boerderijen die op een soort eresysteem werken: er is geen supervisie in de winkels en klanten worden verondersteld geld achter te laten voor hetgeen ze hebben meegenomen. Het past volgens Von Tscharner Fleming allemaal in de trend 'Je bent wat je eet’: 'Mensen realiseren zich dat hun identiteit gevormd wordt door het soort voedsel dat ze consumeren.’
Zo kon het gebeuren dat 'boer’ opeens bovenaan stond op de lijst 10 Best Green Jobs for the Next Decade van het tijdschrift Fast Company, dat van origine vooral aandacht heeft voor snelgroeiende bedrijven in de technologiesector. De verklaring van het blad: 'Amerika heeft slechts twee miljoen boeren, met een gemiddelde leeftijd van 57. Aangezien de vraag naar duurzaam en lokaal geproduceerd voedsel toeneemt, is er enorme behoefte aan jonge boeren, misschien wel meer dan tien miljoen. Deze moderne boeren zullen kleine ondernemers zijn, met verstand van zowel genetica van gewassen als marketing.’
Behalve met toegang tot geld en land en de oneerlijke concurrentie van grote agrarische bedrijven die gesubsidieerd en op grote schaal gewassen als maïs en soja produceren, worstelen jonge boeren nog met iets anders: de beginselen. Duurzaam boeren is niet eenvoudig en mentoren zijn moeilijk te vinden. Von Tscharner Fleming: 'Er is een kennisgat. De boeren uit de generatie van onze ouders weten niet meer hoe je echt voedsel produceert. En de grootouders zijn niet meer beschikbaar om het ons te leren.’ Dat geldt niet voor de boeren die in de jaren zeventig de Back to the Land-beweging vormden: jonge hippies die zich afkeerden van de opkomende consumptiemaatschappij en de wereld hoopten te verbeteren door duurzaam voedsel te produceren. 'Die mensen waren mijn leraren op Berkeley.’
De nieuwe generatie idealistische boeren is echter geen kopie van die vorige, benadrukt Von Tscharner Fleming: 'Elke generatie heeft een verschillende set verwachtingen en houdingen. Wij willen de landbouw verrijken met do it yourself, ambachtelijkheid, sociale rechtvaardigheid, ondernemingsmodellen gebaseerd op samenwerking, fair trade en een solidair economisch systeem.’

MET 'WE’ BEDOELT Von Tscharner Fleming haar vrienden. Jonge dan wel beginnende boeren in de Hudson Valley en daaromheen, allemaal binnen de radar van New York City. Zoals de boer Tim Heuer (29), die in het plaatsje Wappingers Falls de Common Grounds Farm bestiert. Ook Heuer droomt van een eigen boerderij. Momenteel doet hij het op een lap grond van ongeveer vier hectare die hem ter beschikking is gesteld door het Stony Kill Environmental Center, een non-profitorganisatie die mensen uit de omgeving wil leren wat duurzaam en economisch rendabel boeren behelst. Heuer bedient met zijn CSA 150 gezinnen uit de regio en zet zo'n zestigduizend dollar per hectare om. In de gemeenschapstuin kunnen mensen uit de buurt hun eigen groentetuintje onderhouden.
In de schaduw van een joekel van een eik ligt de 21-jarige Elena Wertenbaker een boek te lezen, Jitterbug Perfume van Tom Robbins. Ze draagt een shirtje met de opdruk 'Franz Kafka’. Wertenbaker komt even op adem na een lange ochtend tomaten plukken en onkruid wieden in de zomerhitte. Vanmiddag staat knoflookknollen wassen op het programma. Wertenbaker besloot tijdens haar studie landbouwwetenschappen aan het Warren Wilson College in Asheville dat ze boer wilde worden, omdat ze op een eenvoudige manier met mensen in een gemeenschap wilde leven. Ze draait er niet omheen: 'Ik ben een zweverig en idealistisch meisje.’
Maar haar idealisme blijft niet alleen bij woorden. Wertenbaker neemt genoegen met werken voor kost, inwoning en wat zakgeld. Die inwoning is niet veel, een cabine zonder stromend water, en het zakgeld ook niet. De kost wel: 'We hebben sinds kort een koe, daarvan maken we de beste zuivelproducten die je je kunt voorstellen. En groente en fruit zijn altijd vers.’
Ze wou dat meer mensen tevreden zouden zijn met een dergelijk leven. 'Er is veel mis met de manier waarop mensen leven’, constateert ze. 'Maar dat is niet hun schuld.’ Zelf moet ze er niet aan denken om met computers en telefoons bezig te moeten zijn, of de hele dag andere mensen vertellen wat ze moeten doen. 'Dit is voor mij de eerlijkste levensstijl. Ik doe gewoon m'n werk, zonder te steunen op een of andere structuur waarbinnen sommige mensen profiteren en andere mensen lijden.’
Niet alle agrarische vrienden van Von Tscharner Fleming zijn piep. Jennifer Phillips van de Gansvoort Farm in Germantown is bijvoorbeeld 54, maar wel beginnend boer want pas in 2004 begonnen. Ze keerde toen terug uit Afrika, waar ze na het behalen van haar doctoraat in agronomie bijna twee decennia aan ontwikkelingsprojecten werkte. De Gansvoort Farm, die ze pacht, heeft ze haar oude functie uit de achttiende eeuw teruggegeven: die van schapenboerderij (ze was eerder getransformeerd tot een appel- en perengaard). 'Ik fok schapen en enkele Devon-koeien op geheel biologische wijze’, zegt ze op een wandeling door haar velden. 'Kijk, dat veld is alweer bijna kaalgegrazen.’
Phillips gebruikt alleen 'humane en duurzame methodes’, zegt ze trots. 'Het idee is om de vruchtbaarheid van de grond te vergroten, de waterkwaliteit en biodiversiteit te beschermen om een zo natuurlijk mogelijke omgeving voor mijn dieren te creëren.’
Nu nog wat meer ermee verdienen. Met haar twaalf koeien en zestig schapen komt ze aan een jaaromzet van 28.000 dollar. 'Dat is niet genoeg’, zegt ze, 'alleen aan hooi en mineralen ben ik al achttienduizend kwijt.’
Phillips kan dit blijven doen omdat ze er een baan als hoogleraar milieubeleid aan het Bard College bij heeft. 'Ik ken nog altijd geen agrarisch ondernemingsmodel dat werkt, behalve big agri met subsidie of een speciale deal met een vaste afnemer.’ Of toch, na enig nadenken: 'Wat de Amish doen - grote families, dus goedkope arbeidskrachten, en bijna geen kosten voor machines en brandstof en dergelijke. Maar dat wordt moeilijk voor een single gal als ik.’
Waarom Phillips dan toch stug blijft boeren? 'Het is interessant, bevredigend en ik houd ervan om uren op het land en tussen de dieren door te brengen.’
Het zijn mensen als Heuer, Wertenbaker, Phillips en al haar andere boerenvrienden en hun besognes en worstelingen die Von Tscharner Fleming aanspoorde tot haar activisme, dat ze graag als volgt samenvat: jonge boeren Amerika echt voedsel te voeden. Daartoe richtte ze onder meer de National Young Farmers Coalition en The Greenhorns (vrij vertaald 'de groentjes’) op. Onder de vlag van die laatste club maakte ze de film The Greenhorns, die sinds mei al op driehonderd plaatsen in het land vertoond is. In de film trekt Von Tscharner Fleming langs jonge en beginnende boeren uit het hele land en laat ze zien voor welke uitdagingen deze 'pioniers’ staan. Een en ander wordt van duiding voorzien door zwaargewichten uit de Amerikaanse food movement als Michael Pollan en Eric Schlosser.
De film biedt maatschappijkritiek - 'Mensen moeten overal eten; zouden we niet ook overal moeten boeren?’ en 'Wat wij doen is postmodern: we bekritiseren het idee dat alles in naam van de vooruitgang altijd goed en wenselijk is’ -, maar schetst ook een even sympathiek als romantisch beeld van het leven als kleine, organische boer - 'wat is er mooier dan de hele dag met je vrienden op het land werken?’
De film eindigt met Von Tscharner Fleming die een toespraak geeft op een congres: 'President Obama praat steeds over programma’s die shovel ready zijn. Nu, wij zijn shovel sharp. De problemen waarvoor dit land staat - werkloosheid, gezondheidszorg, vetzucht, klimaatverandering om er een paar te noemen - kunnen worden opgelost met de hulp van jonge boeren en hun wens om duurzaam te boeren. Wij zijn klaar en staan gereed om het land te dienen.’