Werken en treinen rond de klok

De grote cao-conflicten van de laatste jaren gaan niet meer over geld, maar over tijd. Van supermarkt tot ziekenhuis en van bank tot bus, overal gaat de discussie over de uitruil tussen arbeidstijdverkorting en flexibilisering. Anders gezegd, over korter werken, maar wel onregelmatiger.

Zo ook het conflict dat deze week bijna tot een treinstaking had geleid. Dat ging om de manier waarop de 36-urige werkweek bij NS-Reizigers, het deel van het spoorbedrijf dat u en mij van A naar B brengt, zou worden ingevoerd. Die 36-urige werkweek was onderdeel van de begin dit jaar afgesloten cao en die was weer het resultaat van het zogeheten ‘heideakkoord’, dat bonden en NS vorig jaar na een rumoerige periode met elkaar sloten. Daarin werd afgesproken dat de modernisering van het bedrijf als een gezamenlijke verantwoordelijkheid zou worden beleefd. Het was een overeenkomst van het soort dat doorgaans direkt het predikaat 'historisch’ meekrijgt. Waarbij overigens na verloop van tijd pas blijkt of dat ook verdiend is.
In dit geval was het dat niet. Dat is beide partijen te verwijten. De NS-directie spande zich niet bovenmatig in het personeel te confronteren met de consequenties van de nieuwe status van het bedrijf. Terwijl men toch moet weten dat het gros van de werknemers in een bedrijf met een dergelijke bureaucratisch-ambtelijke cultuur aan zekerheid gehecht is, zoals de klanten aan de aankomst- en vertrektijden. Daarmee lieten zij het feitelijk aan de bonden over. Die lieten het op hun beurt eveneens afweten. Ook dat is niet vreemd. Want niet alleen is het onderwerp van de cao-conflicten veranderd, ook de mensen die de discussies moeten voeren zijn niet meer wie ze vroeger waren.
In de goede oude tijd praatte je als bond met louter kostwinners. Tijd liet zich in die dagen eenvoudig substitueren door geld. Wilde de werkgever overwerk, ploegendiensten of anderszins buiten kantooruren iets geregeld hebben, dan plaatste je daar als vakbond een flinke toeslag bij en iedereen was tevreden.
Zo overzichtelijk zit de wereld niet meer in elkaar. Naast de kostwinner hebben we inmiddels anderhalf- en tweeverdieners. En die hebben niet allemaal dezelfde belangen. Waar flexibilisering voor de een het uitkleden van baan en beroep is, biedt die voor de ander juist een ideale mogelijkheid om werk en zorg te combineren.
Neem het voorbeeld van de postbodes. Een paar jaar geleden begon PTT op kleine schaal een experiment met de postbezorging. Waar vroeger de postbode eerst naar kantoor ging om de post te sorteren om die vervolgens rond te brengen, werd sorteren en distribueren nu gesplitst. Na de sortering werd de post in bakken bij de postbode thuis bezorgd. Die zorgde vervolgens voor de distributie.
Wat gebeurde er? In de betreffende wijken verdween de klassieke postbode - man, wit, kostwinner - om plaats te maken voor flexibele krachten - vrouwen, jongeren. De bonden schreeuwden moord en brand: hier dreigde immers een complete beroepsgroep om zeep te worden geholpen en het nieuwe werk was bovendien slecht van kwaliteit. De reacties van de postbodes-nieuwe-stijl waren echter heel anders: dit was nog eens werk dat je goed kon combineren met de zorg voor kinderen of met andere activiteiten op een dag.
Het voorbeeld geeft aan dat in de discussie over flexibilisering niet meer op voorhand vastligt wat goede en wat slechte kwaliteit van de arbeid is, of wat goede of slechte werktijden zijn. De oorzaak is dat de werknemers niet langer een homogene groep vormen met eenduidige en gemakkelijk onder één noemer te brengen belangen. Wie die discussie goed wil voeren, moet beginnen met het in kaart brengen van die gedifferentieerde belangen en daaraan vervolgens op kleine schaal praktische experimenten koppelen. Daar kun je wat van opsteken over de mogelijkheden en beperkingen van verschillende oplossingen en eens een concrete discussie voeren over de combinatie van betaald werk en zorg.
Dan zijn de werknemers/bondsleden tenminste ook eens onderwerp van hun eigen discussie, in plaats van lijdend voorwerp. Want in de praktijk blinken zowel werkgevers als bonden uit in het voeren van discussies over flexibilisering, waarin werknemers/leden binnen de kortste keren de draad kwijt zijn - opvallend hoe slecht geïnterviewde spoorwerknemers in staat waren aan te geven waar de onderhandelaars nu eigenlijk ruzie over hadden - en waarin de relatie tussen de afspraken op papier en de uitkomsten in de praktijk bijgevolg willekeurig zijn. Reden waarom over enige tijd zal blijken dat het NS-akkoord van dit weekeind niet een werkelijk akkoord is, maar alleen een deken die beide partijen over het probleem hebben gelegd om er even vanaf te zijn.
Nu naar de politiek, want de werkvloer is niet het enige strijdperk in het debat over tijd en de verhouding tussen arbeid en zorg. Via een stevige verruiming van de arbeidstijdenwet, het oprekken van de openingstijden voor winkels, het afschaffen van beperkingen voor uitzendbureaus en de arbeidsplicht voor bijstandsmoeders met kinderen van vijf jaar en ouder, heeft het kabinet al een paar forse stappen gezet op weg naar de 24-uurseconomie.
Maar soms willen mensen toch ook nog wel eens wat anders dan werk, werk en nog eens werk en geheel zonder bescherming kan de nieuwe werknemer toch ook weer niet. En dus komt er een wet op de loopbaanonderbreking en ligt de wet die het recht op deeltijdarbeid moet regelen nu bij de Eerste Kamer. En een week of wat geleden installeerde minister Melkert bovendien de commissie Dagindeling. Wat moet die commissie doen? In de woorden van de minister zodanige tijdmodellen ontwerpen dat vrouwen niets meer in de weg staat om aan het werk te gaan.
Over een paar jaar zal bovenmeester Staat met het van parlementaire goedkeuring voorziene dienstrooster voor goed burgerschap in de hand zijn burgers (v/m) streng doch rechtvaardig de weg naar de arbeid wijzen. De treinen rijden eindelijk de klok rond. In plaats van de 25-urige werkweek hebben we om dat mogelijk te maken de 24-uurscrèche. Wie dan nog een pleidooi houdt om mensen de keus te laten zelf de opvoeding van de kinderen ter hand te nemen, zal worden weggehoond als iemand met ongeëmancipeerde standpunten uit de vorige eeuw. Dat risico neem ik graag.