Werken met ruimte

Carl Andre gebruikt vaak hout voor zijn sculpturen, waarbij de omvang van de delen wordt bepaald door hun gewicht: hij wil ze zelf kunnen dragen.

HET BEELD Palisade van Carl Andre wordt gevormd door dertien staande blokken hout, strak in lijn tegen elkaar aan gezet. De blokken zijn even groot, in onze centimeters 30 x 30 x 90, maar eigenlijk iets groter. Het hout (western red cedar) komt uit Amerikaanse houtzagerijen waar zulke balken standaard in inches worden geleverd (12 x 12). Driemaal de dikte (36) is de hoogte van een blok - net iets hoger dan de 90 centimeter die de kunstenaar overigens, in catalogi, af en toe ook zelf aangeeft voor werken die in Europa gemaakt zijn. Zoals andere beelden die met dit soort blokken zijn samengesteld, is Palisade in de eerste plaats een massief volume dat stevig op de grond staat. Het is oorspronkelijk gemaakt in 1976 in een New Yorkse galerie waar, op grond van de ruimtelijke omstandigheden daar, de totale lengte van het beeld (390 cm) is bepaald. Het zoeken van de plek in een gegeven ruimte, waardoor het beeld een dwingende aanwezigheid kan krijgen, is een wezenlijk aspect in Andre’s kunst. Dat zien we bijvoorbeeld bij Weir dat hij in 1983 in Den Haag heeft gemaakt: een vierkant beeld van negen van die staande blokken met daartussen twaalf liggende, precies ingepast in een afgemeten Berlage-kabinet. Een weir is een stuwdam in meestal een smalle stroom, of ook een bouwsel in stromend water om vis in te vangen. Het is dus, zoals vaak bij Andre, een suggestieve titel die de smalte van de ruimte verbindt met het robuuste beeld dat op de bodem zwaar is terwijl de ruimte naar boven open blijft.
Afgezien van een enkele keer in het begin maakt Carl Andre geen ontwerptekeningen voor zijn sculptuur en ook geen proefopstellingen. Daarentegen kan hij, behalve over natuur en een helder ruimtelijk voorstellingsvermogen, over materialen beschikken die hij op een gegeven moment zo gestandaardiseerd had, en zich eigen gemaakt, dat hij ze kan gebruiken met het vertrouwde gemak waarmee een tekenaar houtskool gebruikt. De materialen zijn, in hoofdzaak, metaal (ijzer, aluminium, koper, lood), steen, en hout - over het algemeen in zulke overzichtelijke en grote vormen en maten gesneden dat ze niet alleen goed tegen elkaar passen maar, qua gewicht, ook nog door hem zelf hanteerbaar zijn. Eind jaren zeventig heeft hij me eens zijn monumentale Stone Field Sculpture laten zien: een statig permanent arrangement van zware gletsjerkeien op een driehoekig grasveld nabij het museum in Hartford, Connecticut. Bij het maken daarvan had hij het eigenlijk jammer gevonden dat er machines gebruikt moesten worden om de keien op hun plaats te takelen. De gewone handzame afstand tussen maker en werk was daardoor te groot geworden. De hoogte van de houten blokken van Palisade en Weir is niet zozeer omdat 90 het mooie strakke drievoud is van 30, maar vooral, heeft de beeldhouwer me ooit verteld, omdat die maat een gewicht aan hout oplevert dat hij nog net zelf kan dragen.
Ik heb hem bij gelegenheid ze ook zien rondslepen. Carl Andre heeft geen vast atelier. Hij werkt met de ruimte die tot zijn beschikking komt. Het lijkt me dat hij voor het maken van Palisade in New York, in 1976, een idee en plan had voor wat hij daar zou kunnen en willen maken. Het zou hout zijn. Dan wordt een hoeveelheid blokken aangevoerd. Hij had, al slepend, vormen kunnen proberen. De blokken zijn draagbaar om altijd die vrijheid te behouden. Maar misschien had hij al besloten tot die compacte lijn van dertien blokken. Omdat dertien een priemgetal, en ondeelbaar, is, heeft de sculptuur ook iets strikt onveranderlijks. Ik geloof dat in New York Palisade dicht langs de wand in de lengterichting van de ruimte stond opgesteld. Een tijdje later kwam het werk in het museum in Eindhoven waar de zalen groter en breder zijn. In 1978 was het daar deel van een grote expositie van houten beelden, Wood geheten. Het stond toen, dacht ik, in de lengte in het midden van een kabinet. In diezelfde tentoonstelling had Andre ook nieuw werk gemaakt, waaronder een lijn van 25 blokken, dwars door de ruimte, van wand tot wand - de titel was Dike, een Hollandse variant van Palisade. Toen de expositie klaar was, had de kunstenaar, alleen, er in het fraaie, schemerachtige namiddaglicht nog in rondgelopen. De volgende dag vond ik een briefje. Wellicht niet mijn beste tentoonstelling, schreef hij, maar zeker de mooiste.
Later aarzelde ik. Moest ik Palisade, dat inmiddels was aangekocht, toch niet omwisselen voor het veel dramatischer Dike dat ook zo mooi paste? Carl Andre vond van niet. We hebben er nooit meer over gesproken. Hij had gelijk. Uiteindelijk is Palisade in zijn ondoorgrondelijkheid als abstracte vorm, maar toch in zijn samenstelling overzichtelijk, een schitterend compact beeld dat waar het ook in het museum staat onweerlegbaar zichzelf is. We konden het zetten hoe we wilden maar niet met de uiteinden tegen een wand. Het moest ruimtelijk casual en laconiek blijven. Het hout ruikt ook lekker.

PS Voor meer: zie Carl Andre Sculptor 1996, Oktagon Verlag (1996)