De teloorgang van de verzorgingsstaat

Werken of wegwezen

De AOW, de bijstand en de WW waren niet bedoeld om mensen rijk te maken, maar om ze waardigheid te bieden. Een partij overstijgend ideaal dat nu wegkwijnt als een oude soldaat.

Medium eve 2440 19 b
Waterlooplein, Amsterdam, 1956 © Ed van der Elsken / Nederlands Fotomuseum

De verzorgingsstaat ligt al weer enkele decennia onder vuur. Hij heet in het tegenwoordige publieke debat regelmatig zelfs al verdwenen – want gestolen of overbodig. ‘Gestolen’ is de verzorgingsstaat in het verhaal van de pvv, waar immigranten ervandoor zijn met kinderbijslag, bijstand, huursubsidie, uitkeringen. Het zou fijn zijn als onze verzorgingsstaat er nog was, maar helaas, via open grenzen lekt ons zuurverdiende geld weg naar cultuurvreemde elementen.

‘Overbodig’ is de verzorgingsstaat in het verhaal van de vvd, waar men vindt dat collectieve regelingen om mensen vooruit te helpen amper meer nodig zijn. Iedereen die wil kan immers gratis een diploma halen dat toegang geeft tot werk, en het is stoerder om je zelf tegen ziekte en ouderdom te verzekeren dan je hand op te houden. Mark Rutte’s beeld van de ‘hardwerkende Nederlander’ vangt de twee opvattingen in één uitdrukking: er zijn afhankelijke mensen die vaak een kleurtje hebben en er zijn witte mensen die graag de handen uit de mouwen steken. De combinatie maakt een verzorgingsstaat uit de tijd.

Feitelijker was de analyse van socioloog Kees Schuyt uit 2013 dat de hedendaagse verzorgingsstaat een steeds ‘rommeliger’ pakket van voorzieningen en regelingen biedt, met bijvoorbeeld toeslagen voor zorg, wonen en kinderen waar dusdanige groepen mensen aanspraak op maken dat de urgentie van die regelingen zoek raakt. ‘Als bijna de helft of meer dan de helft van alle huishoudens tot de rechthebbende verzorgden gaat behoren, hetgeen in feite neerkomt op het rondpompen van geldstromen, is er iets grondig mis met de gehele architectuur van het gebouw van de verzorgingsstaat.’

Schuyt schetste de verzorgingsstaat dan ook als een ‘belangrijke, maar aflopende maatschappijvorm’ en bepleitte het opnieuw ordenen van onze noden (waarin het collectief moet voorzien) en onze wensen (die iedereen zelf moet regelen). Met sobere collectieve regelingen voor ouderdom en ziekte, en meer sparen of investeren voor onderwijs, zorg en pensioen. Econoom Flip de Kam schreef in 2015 in dezelfde geest dat de verzorgingsstaat ‘de littekens van tal van ingrijpende maatregelen draagt’, en dat bij het te verwachten structureel lagere groeitempo van de economie nieuwe bezuinigingen onvermijdelijk zullen zijn.

Maar is daarmee de verzorgingsstaat opgeheven, of is er iets anders aan de hand? Zo’n beetje de helft van de collectieve uitgaven gaat nog altijd op aan sociale uitkeringen en zorg. De steun daarvoor onder de bevolking (‘het welbegrepen eigenbelang’) is ondubbelzinnig. Wat er feitelijk gebeurt is dat al enige decennia wordt geprobeerd de balans tussen rechten en plichten te herstellen, in de veronderstelling dat mensen zich te weinig aan hun plichten gelegen laten liggen. Als de staat maar wat minder hulp opdringt, nemen burgers het wel op zich om de solidariteit in de steigers te zetten. Links wijst daarvoor vooral graag op de zelfontplooiing en creativiteit die horen bij het buurtinitiatief, het broodfonds en het vrijwilligerswerk, rechts vooral op de noodzaak de publieke uitgaven terug te dringen.

Hoezeer men elkaar op die noemer vindt bleek nog eens in de troonrede van 2013. Daarin zei koning Willem-Alexander namens de regering vvd-pvda: ‘Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.’

Die mededeling landde niet lekker, want burgers meenden dat ze al behoorlijk wat eigen verantwoordelijkheid droegen. Met name de pvda krabbelde in de jaren daarop terug van dit onverhoedse afscheid. pvda-lijsttrekker Lodewijk Asscher voert deze dagen uitdrukkelijk campagne vóór de verzorgingsstaat: ‘Ik pleit voor een progressief patriottisme. Trots op Nederland moeten we niet alleen overlaten aan rechtse partijen die dan met een vlaggetje gaan wapperen. We moeten juist trots zijn op onze verzorgingsstaat. Trots dat we ervoor kiezen dat iemand die pech heeft hulp krijgt.’ Daar spreekt nog altijd een zekere verlegenheid uit, alsof niet het succes van de voorzieningen als zodanig reden is om trots te zijn en alsof solidariteit gekoppeld aan de natie net wat meer betekenis heeft dan solidariteit met de mensen om je heen. Het is ook de vraag of het nog op tijd is.

Maar zeuren over de pvda, iedereen kan het, iedereen doet het. De verzorgingsstaat was nog niet zo heel lang geleden een partij overstijgend ideaal. Tegenwoordig denken we graag terug aan Willem Drees als de aartsvader van het Nederland dat systematisch omziet naar ouderen, werkzoekenden, zieken en andere behoeftigen. En we weten dat Drees liever over een ‘waarborgstaat’ of ‘garantiestaat’ sprak dan over een verzorgingsstaat. Maar waar ging die waarborgstaat precies over?

We interpreteren dat tegenwoordig als waarschuwing tegen te grote overheidsuitgaven. En hoewel het dat ook zeker was, speelde er een ander punt mee. Namelijk dat een deel van de inwoners van Nederland dusdanig arm was dat ze bij hun kinderen of juist bij hun ouders moesten bedelen, dat ze honger hadden, van de hand in de tand leefden of van kerk en buurt afhankelijk waren. De ‘waarborg’ was niet alleen tegen het over de balk smijten van publiek geld, maar ook tegen de vernedering van je hand op moeten houden, je buitengesloten weten van onderwijs en cultuur omdat je het niet kon betalen, en je daardoor weer buitengesloten weten van de politiek en de maatschappij omdat je er de ballen van snapte.

‘Ik wilde een wet maken, mijnheer de voorzitter, waarop iedere burger een beroep kon doen met opgeheven hoofd’

Wie zich afvraagt hoe het ook weer zat, kan bijvoorbeeld terecht bij de nu lopende tentoonstelling van het werk van fotograaf en filmer Ed van der Elsken in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Je ziet bijvoorbeeld in Found Footage de bewoners van het Waterlooplein of de Nieuwmarkt met grote gezinnen in eenkamerappartementen aan het begin van de jaren zestig. Vier kinderen in één klein bed, de ouders die volkomen geïntimideerd in de draaiende camera staren en in het huisje valt de kalk van de muren.

Of anders bij de film The Spirit of 1945 van Ken Loach uit 2013, waarin hij met archiefmateriaal en interviews teruggaat naar het moment dat de (Engelse) verzorgingsstaat werd opgericht, direct na de Tweede Wereldoorlog. Ik had niks, alleen een bed vol luizen, laat Loach een oudere man vertellen, je zag ze en hoorde ze de hele nacht knetteren. Als we volledige werkgelegenheid konden bereiken door tegen de Duitsers te vechten, zo laat Loach voormalig Labour-minister Tony Benn zeggen, waarom zouden we dan geen volledige werkgelegenheid kunnen bereiken door huizen te bouwen en scholen en ziekenhuizen te laten draaien?

De verzorgingsstaat die zo tot stand komt, is een van de grote vernieuwingen uit de moderne geschiedenis. Naast civiele rechten (op een eerlijk proces) en politieke rechten (om te mogen stemmen) had iedere burger nu ook sociale rechten. Het statusverschil, tussen mensen die genoeg geld hadden om alle zorg voor zichzelf te regelen en mensen die dat niet hadden, verdween. Deze welfare state maakte doktersrekeningen, ontslag en intimidatie door hoge heren een stuk minder bedreigend voor gewone mensen – en dat was een onomstreden ideaal. Maar het was Gerard Veldkamp die daarom de Ongevallenwet uit 1921 verving door de Wet op de arbeidsongeschiktheid in 1966 en het was Marga Klompé die de bijstand invoerde in 1963. Ze waren lid van de kvp, een van de voorgangers van het cda, dat tegenwoordig wat stil is over deze erfenis.

Klompé gaf in 1963 bij haar toelichting op de bijstandswet in de Tweede Kamer tamelijk nauwkeurig aan wat voor haar de kern van de zaak was. ‘Wanneer nu een burger niet in staat is deze verantwoordelijkheid waar te maken, heeft de overheid de plicht hem bij te staan zonder onderscheid des persoons, zonder te kijken naar rang en stand of naar de vraag, of de oorzaak, waardoor die burger bijstand nodig heeft, voortkomt uit een zeer individuele situatie of dat deze oorzaak bij een grote groep voorkomt. Ik wilde een wet maken, mijnheer de voorzitter, waarop iedere burger een beroep kon doen met opgeheven hoofd, en waardoor hij niet in een atmosfeer zou worden geplaatst, die in strijd zou zijn met zijn vrijheid en met de waardigheid van zijn menselijke persoon.’

Drees’ verzorgingsstaat was sober, die van kvp’ers Klompé en Veldkamp al een stuk minder. Maar de uitkeringen waren laag, de verpleeghuizen waren nog net wat minder van kwaliteit dan nu en persoonsgebonden budget, rugzakje en keukentafelgesprek waren ver te zoeken. Het wezen school echter niet in riante of juist sobere regelingen, maar in het tegengaan van vernedering. De noodwet van Drees en de latere aow, de bijstandswet en de WW waren niet bedoeld om mensen slapend rijk te maken of de overheid groot, maar om waardigheid te bieden – om mensen te verlossen van de noodzaak hun hand op te houden bij hun omgeving, om met de pet in de hand te staan.

De verzorgingsstaat was geen opdracht maar een uitnodiging. Deze zorgde ervoor dat je je medemensen kon aankijken – omdat je geld had om naar de bakker te gaan, genoeg kleren om daar onbeschaamd binnen te komen en genoeg school om aan het lopende gesprek voor de toonbank mee te doen. Een zeker minimum aan waardigheid was de ‘waarborg’, niet dat de overheidsuitgaven binnen de perken bleven.

Hierover bestond brede politieke overeenstemming. Het leidde tot het verzekeren van meer mensen tegen meer risico’s op meer terreinen. Niet alleen ouderen, maar ook zieken en studenten deden mee. Niet alleen tegen armoede maar ook tegen werkloosheid werd gewaarborgd. Niet alleen inkomen maar ook huisvesting en scholing werd geboden. Zo ontstond veel meer vrijheid voor veel meer mensen. Tegelijkertijd lag de uitvoering van die sociale zekerheid oorspronkelijk grotendeels in handen van de zuilen en hun vertegenwoordigers. Maar naarmate de welvaart toenam, professionaliseerde en groeide die verzorgingsstaat. Meer betaalde krachten, minder vrijwilligers, en meer voorzieningen voor meer mensen. Niet meer zelf de corporatie beheren, maar het overlaten aan betaalde bestuurders; niet alleen huursubsidie voor alleenstaande moeders, maar ook een OV-kaart voor studenten.

Het meegroeien van de verzorgingsstaat met de economie leidde tot onvermijdelijke bezuinigingen die volgen op recessies. Deze zijn keer op keer langs dezelfde lijnen georganiseerd: burgers hebben te veel rechten, te weinig plichten. We grijpen daarbij met enige regelmaat terug op het beeld van het ‘sociaal contract’ om die verhouding te herstellen, met het ‘participatiecontract’ voor nieuwkomers als recent en zeker niet meest geslaagde voorbeeld. De teneur is: afspraak is afspraak, ook burgers moeten zich inspannen. De gelijke verdeling van waardigheid raakt daarbij wat uit beeld.

We vinden bijvoorbeeld het dwingen van de gebruikers van de verzorgingsstaat niet zo’n punt – terwijl we met gebruikers van alcohol, vlees, vliegtuig of andere sociale dan wel ecologische rampjes bepaald behoedzaam omspringen. Het dwingen van mensen tot werk, culturele aanpassing of het verlenen van zorg voor naasten vinden we amper nog problematisch. Daar moeten we niet bij voorbaat krampachtig over doen.

‘Trots op Nederland moeten we niet alleen overlaten aan rechtse ­partijen die dan met een vlaggetje gaan wapperen’

Er zat natuurlijk ook bazigheid in de klassieke verzorgingsstaat, waar jouw zuil goed in de gaten hield of je wel echt ziek was en dus niet kon werken, wel echt je best deed om je gezin en je huishouden aan kant te houden. Maar de belofte van een beter leven lag om de hoek. Tegenwoordig ligt de nadruk op het stoppen met overlast bezorgen door een uitkering, of rare gewoonten of overtuigingen af te zweren. Echt welkom voel je je niet wanneer je de baan die je eerst betaald deed nu als verplicht vrijwilligerswerk moet doen, wanneer je heel hard probeert in te burgeren en toch niet aan de bak komt.

Zo raakt in de verdrukking dat waardigheid geen product van individuen is maar van een beschaving. Het is een open deur dat het ‘sociaal contract’ ook tot uitdrukking komt in collectieve arbeidsovereenkomsten of gegarandeerde bijstand – geen ‘plichten’ waar burgers zich aan moeten houden maar ‘rechten’ waar burgers aanspraak op kunnen maken. Omdat je anders feodale toestanden legitimeert. Maar toch worden staat, markt en middenveld bepaald minder verantwoordelijk gehouden voor de reproductie van fatsoen dan individuele leden van de samenleving.

Het probleem ligt vooral bij mensen die niet werken, of die agressief zijn of onverdraagzaam. Die moeten ‘normaal’ doen. De anti-asiel-actievoerders die zich gillend voor de auto van staatssecretaris Klaas Dijkhoff werpen (‘dikke bmw!’) moeten ‘normaal’ doen. Dat ze misschien de pest in hebben omdat de overheid niet bij machte is gebleken tijdig de asielzoekers door het land te spreiden, of omdat de corporaties de voorraad sociale huurwoningen niet aanvullen, blijft op de achtergrond. Fanatiek gelovigen moeten al evenzeer ‘normaal’ doen, maar ze leven in een omgeving waar zwarte en witte scholen bestaan en waar uitsluiting op basis van je naam de normaalste zaak van de wereld is.

Het blijft opmerkelijk dat bevolking, beleid en wetenschap met vallen en opstaan sleutelen aan de vernieuwing van de verzorgingsstaat, en deze in het publieke debat regelmatig dood verklaard wordt. Bij de andere twee bouwstenen van de moderne samenleving – de parlementaire democratie en de rechtsstaat – is dat verlangen om ze dood te verklaren er amper. Misschien omdat zelfs de grootste of rijkste conservatief baat heeft bij spreekrecht of omdat parlement en rechter niet zoveel geld kosten. Misschien omdat de aarzeling van Drees terecht was, omdat het woord verzorging vooral weerzin opwekt en ergernis over foute woorden een fijne emotie is.

Hoe dan ook zullen krimp en groei de manieren waarop we pensioenen, zorg en onderwijs organiseren telkens opnieuw onder druk zetten. ‘Insiders’ zullen zich altijd zo breed mogelijk maken ten koste van ‘outsiders’, of dat nu op de arbeidsmarkt of de woningmarkt of elders is.

De verzorgingsstaat die er is om waardigheid gelijk te verdelen overleeft dat geweld niet met alleen de emancipatie-agenda van ‘zelf doen’ en ‘menselijke maat’, laat staan met het semi-pornografische ‘mensen in hun kracht zetten’. Want we bezien de wereld deze dagen door verkaasd matglas – waarbij de kaas staat voor de hang naar traditie en voor de hang naar handel. De drang om culturele eenheid te scheppen en de drang om de collectieve lasten omlaag te brengen ten faveure van de export zadelen mensen telkens opnieuw in hun eentje op met opdrachten: het is aanpassen of werken of wegwezen. Het gros van de mensen maakt wel wat van die opdracht. Dat je moet inburgeren en je brood verdienen en je naasten onderhouden – niemand zal een robuust argument kunnen maken dat daar iets wezenlijk fout aan is.

Maar naarmate individuele kenmerken als talent, doorzettingsvermogen en aanpassingsbereidheid meer de doorslag geven in welke mate je daarin slaagt, wordt de oorspronkelijke verzorgingsstaat meer en meer een oude soldaat die niet doodgaat maar langzaam wegkwijnt. De verhalen van de mensen uit de mooie serie Schuldig worden dan precies dat: verhalen op tv, een andere wereld van krabbelaars en scharrelaars, tot ontzetting van de rest van het land gekoeioneerd door uwv, Belastingdienst en schuldeisers namens Wehkamp en Nuon. Maar ja, ze zullen het er wel naar gemaakt hebben.

Het zou daarom goed zijn om bij de discussie over de verzorgingsstaat niet alleen in te gaan op de vraag wie het moet doen (overheid, sociale partners en belangengroepen of de burgers zelf) of wie ergens recht op hebben (iedereen via algemene regelingen of alleen sommigen via specifieke regelingen) maar ook op de vraag: wat wordt er ook weer gemaakt? En dan nog eens terug te gaan naar het uitgangspunt dat er geen geld wordt uitgedeeld maar dat er waardigheid wordt georganiseerd – de mogelijkheid voor leden van de samenleving de eye ball-test te doen, elkaar ‘recht aan te kijken’, zoals de filosoof Philip Pettit dat verwoordde. De grondgedachte van gelijkheid schuilt immers niet in de transfer van inkomen van rijk naar arm, maar in de overdracht van status op manieren die bij de tijd passen. Solidariteit in uitvoering is altijd een product van de tijd. Het heeft geen zin om de functies van de oorspronkelijke verzorgingsstaat terug te willen halen. Mensen blijven langer leven, doen dat in veel meer uiteenlopende gezinsverbanden, en hebben vooral ook meer opleiding nodig om productief te blijven.

De kunst is de reproductie van waardigheid, omdat het anders een kwestie van poen, kleur en talent is wie rechten krijgt. Op zoek naar een nieuwe toekomst voor de verzorgingsstaat gebruikt de econoom Anton Hemerijck de term ‘sociale investeringsstaat’ en dat drukt de wederkerigheid adequater uit dan het wat tautologische ‘participatiesamenleving’. De vitaliteit van de verzorgingsstaat hangt in die redenering af van het aantal productieve belastingbetalers, hoeveel kennis en kunde ze hebben en het gemak waarmee ze door de samenleving (arbeidsmarkt, maar ook zorg en onderwijs) kunnen bewegen. Niet van de individuele keuze van mensen om zorg op zich te nemen of de cultuur van Nederland aan te hangen, maar van de mate waarin de overheid erin slaagt de arbeidsmarkt, het onderwijsstelsel en de zorginstellingen dienstbaar te maken aan de wensen van moderne mensen. Voorzieningen als kinderopvang, scholing en bijscholing, arbeidsmarktregulering en bescherming tegen armoede zijn daarin geen specifieke terugvalopties voor stakkers, maar universele bouwstenen van de publieke verantwoordelijkheid voor waardigheid.

De oude soldaat kán nog flink marcheren. Of het de politiek gaat lukken, is een open vraag. De huidige regelgeving is zo complex dat als de huidige rampen met het persoonsgebonden budget en de Belastingdienst achter de rug zijn, er zich direct weer nieuwe stof voor conflicten tussen politieke partijen zal aandienen. En dat is natuurlijk minstens zo interessant.