Menno Hurenkamp

Werkende armen

Stel je verdient zes dollar per uur als schappenvuller. En stel je betaalt maandelijks zeshonderd dollar huur voor een caravan op dertig kilometer van je werkplek. Beide zijn gangbare bedragen in de Verenigde Staten. Dan doe je trouw je werk, je neemt je «eigen verantwoordelijkheid», en toch houd je niet genoeg geld over om normaal te eten — laat staan een ziektekostenverzekering af te sluiten. Ongelukkige speling van het lot? In The Working Poor: Invisible in America laat David Shipler zien dat tientallen miljoenen werkende Amerikanen ergens op of onder de armoedegrens leven. Hun baantjes — ze hebben er vaak meer dan één — brengen nauwelijks of niet genoeg geld op om een gewoon leven te leiden, dat wil zeggen met eigen onderdak, zonder hongerige kinderen. Elf procent van de Amerikaanse huishoudens is food insecure, ze weten niet of ze genoeg geld hebben om te eten. 43 miljoen volwassen Amerikanen zijn onverzekerd tegen ziektekosten.

Het negentiende-eeuwse verschijnsel van werken en toch arm zijn steekt ook in Nederland weer de kop op. Nu valt over wat arm is te twisten — hou het erop dat vanzelfsprekende uitgaven voor zaken als voedsel en onderwijs voor arme mensen niet vanzelfsprekend zijn, aan het begin noch aan het eind van de maand. Uit recent onderzoek van het economisch instituut Nyfer blijkt dat in Nederland het aantal arme huishoudens mét werk groeit. (Dat onderzoek werd overigens gedaan in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken. Op de website van het departement ontbreekt iedere verwijzing, terwijl andere Nyfer-klussen keurig vermeld staan.) Terwijl het aantal armen met een uitkering afneemt, komen er meer armen met een baan. In heel Europa stijgt het aantal working poor, met Engeland als koploper. De Labour-regering heeft daar niet kunnen of willen verhinderen dat — afhankelijk van de definitie van armoede — twaalf tot 27 procent van de werknemers een inkomen onder de armoedegrens heeft. De mensen die ondanks een baan op zwart zaad zitten, zijn veelal eerste-generatie-allochtonen, jonge ondernemers of alleenstaande moeders — de enige regio waar deze laatste groep minder risico loopt is Scandinavië, waar goed georganiseerde kinder opvang maakt dat zij een normale baan kunnen nemen. Het Nederlandse arbeidsmarktbeleid versterkt deze ontwikkeling. Het snijden in gesubsidieerd werk, het commercialiseren van de kinderopvang, het demoniseren van het gebruik van sociale voorzieningen maakt dat de zeven procent van de werknemers die nu als arm in de boeken staat, zeker zal stijgen. Het algemene idee is dat armoede iets tijdelijks is, een woestijn waar de voormalige uitkeringstrekker doorheen moet om gelouterd aan de maatschappij deel te nemen. Voor zo’n 250.000 and counting huishoudens in Nederland is dat flauwekul. Het is veelal niet even op een houtje bijten maar over een periode van jaren geen cent te makken hebben, omdat het werk slecht blijft betalen, tijdelijk is of omdat promotie door gebrek aan opleiding onmogelijk is. Het is met een lampje zoeken naar plannen onder regerende politici om daar iets aan te veranderen. Dat werken loont wordt zo 21ste-eeuwse newspeak, een uitdrukking van de conservatieve overtuiging dat je krijgt wat je verdient. Gerard Reve zei het al: arme mensen zijn slecht, anders zouden ze niet arm zijn.