Werkgevers tegen de inburgering

De meest ontdoken wet ooit is ongetwijfeld die op de registratie van allochtone werknemers. De Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen werd op 1 juli 1993 op voorstel van GroenLinks, VVD en D66 - de toenmalige oppositie - aangenomen. Zij verplicht ondernemingen met meer dan 35 personeelsleden hun werknemers naar hun geboorteland en dat van hun ouders te vragen. Uit de antwoorden kan men afleiden hoeveel allochtone medewerkers het bedrijf telt. De score dient, samen met een plan van aanpak van hoe het aantal allochtone medewerkers op het gewenste peil te brengen danwel te houden, te worden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, waar een en ander ter inzage ligt.

Doel van de wet is via een openbare rapportage meer banen voor allochtonen af te dwingen. Per 1 juni van dit jaar had de eerste rapportage binnen moeten zijn. Het resultaat werd eind vorige week duidelijk: minder dan een procent van de betrokken werkgevers, inclusief de overheid, heeft tot nu toe aan de verplichtingen voldaan.
De massale ontduiking heeft z'n oorzaken. Natuurlijk, de voorlichting kwam laat op gang, want niemand had verwacht dat het wetsvoorstel zou worden aangenomen en bovendien had minister van Sociale Zaken De Vries zich tot het allerlaatst tegen de openbare registratie verzet, hetgeen een voortvarende campagne ook niet echt ten goede was gekomen. Maar de hoofdoorzaak ligt bij de werkgevers en hun organisaties, die vooral bij monde van Rinnooy Kan opriepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid. ‘Te veel administratieve rompslomp’, luidde het verweer, en 'schending van de privacy’. Nonsens. De rompslomp zit niet in die twee vragen, maar in de verplichting een plan van aanpak te maken over de wijze waarop men het aantal allochtone werknemers in het bedrijf op peil denkt te brengen. En de - zeer bescheiden - schending van de privacy moet worden afgewogen tegen het doel dat ermee wordt gediend. Op dit punt heeft de werkgeverscampagne de grenzen verre overschreden. De intensivering van de campagne tegen de wet inspireerde een aantal werkgevers tot het afwikkelen van de registratie op 4 mei… De werkgeversvoorzitter heeft door de regie van zijn campagne bijgedragen aan de schandalige suggestie van een verband tussen de Duitse registratie van joden, die hun 'uitburgering’ ten doel had, en de onderhavige, die op inburgering is gericht.
De hoofdoorzaak van de ontduiking van werkgeverskant ligt in het feit dat in deze wet voor het eerst na de jarenlang slepende discussie over dit onderwerp en na het falen van alle vrijwillige afspraken sprake is van dwang. Het Kamerdebat zal ongetwijfeld opleveren dat alsnog voortvarend aan de registratie moet worden gewerkt. Dijkstal zal de overheidswerkgevers een deadline stellen en Melkert zal de boodschap aan de sociale partners mogen overbrengen. Wellicht valt de beladen term quotering, voor als het straks allemaal onvoldoende werkt. Maar juist om het allemaal te laten werken, moet het debat over meer gaan dan de mate van dwang. Want wat helpt dat als tegelijk de bezuinigingsdrift van de arbeidsbureaus leidt tot de opheffing van de projecten die via individuele trajectbegeleiding langdurig werkloze allochtonen aan banen helpen?