Werkloosheid in guldens en mensen

De economie groeit als nooit tevoren, de banen vallen bij bosjes uit de paarse hemel, zelfs de langdurige werkloosheid daalt. U herinnert zich wellicht nog de paarse jubel van de derde dinsdag in september.

Voor het eerst sinds jaren meldde de minister van Financiën zelfs een dikke meevaller van 4,7 miljard. Politiek leek zowaar weer leuk te worden. En dan afgelopen week ineens die tegenvaller. Maar liefst 8,4 miljard. Bijna tweemaal zoveel als die smakelijke meevaller. En niet zomaar een tegenvaller, maar een in de sociale zekerheid. De potten waaruit de ziekenfonds-, aow- en werkloosheidsuitkeringen worden betaald, vertonen enorme tekorten.
Het kabinet tast over de oorzaken in het duister. Dat is vreemd, want die oorzaken liggen voor de hand. Er zijn twee mogelijkheden. Of de mensen zijn iets vaker naar de dokter gegaan, iets meer 65 jaar en wat meer werkloos geworden c.q. gebleven dan het kabinet dacht. Of het kabinet wist dat allemaal heel goed, maar heeft andere redenen gehad om de premies lager vast te stellen dan voor het verstrekken van uitkeringen nodig was.
Dat laatste is in elk geval gebeurd. De nationale heilige koe is de koopkracht van de modale werknemer. Deze in de loop der jaren tot mythische proporties uitgegroeide modelmiddenmoter, die de liefde beoordeelt via de maag en de politiek via de portemonnee, kenmerkt zich in de ogen der politici door een wereldbeeld ter grootte van een koopkrachtplaatje. Dit plaatje nu moet, ter voorkoming van zetelverlies, koopkrachtbehoud laten zien, en in verkiezingsjaren bij voorkeur enige koopkrachtgroei. Omdat premies nu eenmaal het netto besteedbaar inkomen drukken, ook al zijn ze er voor algemeen erkende noden als ziekte, ouderdom en werkloosheid, kan het jaarlijks op te stellen koopkrachtplaatje aanzienlijk opfleuren door die premies wat aan de lage kant te houden. Dat scheelt bovendien weer lastige discussies over bezuinigingen op de rijksbegroting. Dat de beheerders van de verschillende fondsen de afgelopen drie jaar in hun adviezen moord en brand hebben geschreeuwd over deze handelwijze, doet niet terzake.
Maar de fraaie koopkrachteffecten van lagere premies lijken niet de enige oorzaak. Er waren ook voorspellingen die die lagere premies rechtvaardigden. Opvallend is in dat verband de prognose over de verwachte daling van het aantal werklozen in 1996. Het CPB voorspelde in de Macro Economische Verkenningen dat er in 1996 25.000 mensen minder zouden zijn met een ww-uitkering dan in 1995. Arbeidsvoorziening telde eind 1995 nog 867.00 ww'ers; eind 1996 waren dat er 866.000. Een daling, inderdaad. Maar niet met 25.000. Vanwaar het verschil? Flip Buurmeijer, die tegenwoordig de uitvoering van de sociale zekerheid coördineert, stelde in NRC Handelsblad droogjes vast: ‘Het CPB heeft de banengroei wel goed voorspeld, maar zich vergist in wie die banen krijgen.’ Dat waren niet de uitkeringsgerechtigden, maar vooral herintredende vrouwen en schoolverlaters, kortom mensen die geen uitkering hadden. Het verschil is dik twee miljard gulden aan ww-uitkeringen. We hebben er een nieuw werkloosheidscijfer bij. In guldens in plaats van in mensen.