Werknemers willen baas in eigen tijd zijn

De besteding van onze tijd lijkt zo langzamerhand een nationaal gezelschapsspel. Iedere werknemer heeft volgens de wet een minimum van twintig vakantiedagen per jaar. Via de CAO’s komen daar gemiddeld nog eens vijf dagen bij. Die vijf ‘bovenwettelijke’ dagen kunnen, als het aan werkgevers en vakbonden ligt, binnenkort ook in geld worden omgezet. Daarnaast moeten werknemers de mogelijkheid krijgen gedurende maximaal vijf jaar zoveel dagen als zij willen op te sparen om er vervolgens langere tijd tussenuit te kunnen. Ook atv-dagen en overuren zouden in zo'n spaarsysteem moeten kunnen worden opgenomen. Werkgevers en werknemers willen de mogelijkheden tot het sparen of uitbetalen van vakantiedagen wettelijk vastleggen.

Deze voorstellen zijn een reactie op het voorstel van minister Melkert om een regeling voor loopbaanonderbreking in te voeren. Die regeling moet het mogelijk maken het werk twee tot zes maanden te onderbreken voor scholing of zorgtaken. De verlofganger krijgt dan in plaats van salaris een uitkering van zeshonderd gulden per maand. Voorwaarde is dat de opengevallen plaatsen worden ingenomen door uitkeringsgerechtigden.
Het voorstel van werkgevers en vakbeweging gaat verder èn minder ver dan dat van de minister. Verder omdat het de keuze van de vrije-tijdsbesteding overlaat aan de werknemer. Die kan de vrije tijd even goed gebruiken om te reizen of piano te spelen als om zich voor te bereiden op een nieuwe stap in zijn carrière of de zorg op zich te nemen voor kinderen of een ziek familielid. Minder ver omdat werkgevers en werknemers de mogelijkheid scheppen vrije tijd om te zetten in geld en omdat ze niet praten over de wijze van herbezetting van de opengevallen plekken. Het eerste is winst voor de vakbeweging, die daarmee de beslissingsvrijheid over de tijdsbesteding voor de werknemers veilig stelt. Het tweede is winst voor de werkgevers, omdat ze door de mogelijkheid vrije tijd ‘terug’ te kopen en de herbezetting naar eigen inzicht te kunnen regelen de zeggenschap over het personeelsbeleid behouden en zelfs uitbreiden.
Daarmee betaalt Melkert een hoge prijs voor zijn klassieke sociaal-democratische regelzucht. Er is alles voor te zeggen om, in een tijd waarin werk hoe langer hoe meer 'topsport’ is geworden, werknemers een ruimere mogelijkheid te bieden tot uithijgen en de tijd nemen voor andere dingen. De financiële ondersteuning daarvan te binden aan herbezetting door een uitkeringsgerechtigde lijkt sympathiek, maar het is de vraag of dat soort zaken vanaf centraal niveau is te regelen. De praktijk bij herbezetting is op z'n zachtst gezegd weerbarstig. Waarom niet alles veel simpeler gehouden: geef werknemers het wettelijke recht tijdelijk gedeeltelijk of helemaal op te houden met werken. Laat hen vrij in de besteding van die tijd. Ondersteun dat met een vorm van bruginkomen. Op bedrijfsniveau ontstaat dan een menu waaruit werknemers jaarlijks keuzen kunnen maken en op basis waarvan de personeelsplanning kan plaatsvinden. Een beperkte mogelijkheid om vrije tijd om te zetten in geld hoort daar ook bij. Mensen hebben behoefte aan tijd. Maar dan wel tijd die van henzelf is. En niet van de baas. Of van de minister.