Werkterrein: zeedijk

Vorige week berichtten de kranten over de opkomst van de gevaarlijke drug ‘crack’ in Nederland. Onzin, meent Maikel Grootfaam, gebruiker. Het verhaal van een kenner. Over freebasen, hosselen, messen, snowcookers en slipgevaar.

MAIKEL GROOTFAAM, 34 jaar. Vijftien jaar gebruiker, heeft driehonderd gulden per dag nodig voor cocaine en heroine. Zonder vaste verblijfplaats, zonder uitkering. Gebruikt geen methadon. Werkterrein de Zeedijk. Meer dan honderd keer opgepakt, in totaal zes jaar vastgezeten wegens overtreding van de opiumwet.
‘De Zeedijk is de plek waar je het leert, de Zeedijk is een school. Dat zegt iedereen, ook de jongens die een kilo goud om hun nek hebben. Als je daar niet slaagt, kan je nergens op de wereld een business beginnen. Jongens die vroeger in de stront zaten, zijn er groot geworden. Elke dag doe ik nieuwe kennis op. Je moet je verstand gebruiken, jezelf beschermen, iets opbouwen. Je concentreert je op de business, op het hosselen. Je wilt een zakenman worden. Je moet werken om een man te zijn. Ik zie het als werk, anderen vinden het crimineel. Die mensen zijn dom. Eigenlijk zijn wij zelfstandigen, zijn we heel creatief. Wij maken het geld sneller, gebruikers zijn heel slim.
Ik heb geen uitkering, ik moet overleven. Driehonderd gulden per dag heb ik nodig voor dope. Ik ben runner, ik breng klanten aan bij een dealer. Er zijn drie soorten salaris. Ik word door de baas betaald, vraag aan de klant iets meer dan de ballen kosten, en ik krijg mazzels van de klanten. Ik werk correct, daarom verdien ik het geld vrij snel.
Je kan bijna niemand vertrouwen op de Dijk. Er zitten een boel klootzakken tussen de junken, ze verlinken je om niks. Op de Dijk staan ze gezellig te babbelen met de politie, ze worden nooit opgepakt, krijgen geen handboeien om als ze worden gearresteerd. Meestal worden ze meteen weer vrijgelaten. Je weet dan meteen dat het verraders zijn. Ze gaan ook nooit de bajes in.
Soms begint de dag te gek, stap ik lekker uit bed. Als ik die nacht tenminste een bed had. Meestal ben ik chagrijnig. Ik bewaar nooit dope. Als ik iets bewaar kan ik niet slapen. Of ik geef wat aan de mensen bij wie ik op dat moment in huis woon. Ik moet altijd op blijven passen als ik ergens slaap. Soms ben ik oververmoeid en val ik aan tafel in slaap, tijdens het roken. Dan jatten ze het onder mijn neus vandaan. Daarom kan ik beter mijzelf ermee voldouwen. Zij verdienen het niet. En als je ze dan dope hebt gegeven, is het nog niet goed. Ze laten je nooit met rust. Je zit rustig op je gemak te genieten, je hebt keihard gewerkt. Dan kijken ze je aan, zo van: komt er nog wat. Omdat je bij ze in huis woont. Die mensen denken dan dat ik een heleboel op zak heb, maar dat is niet zo. Die mensen spuiten de dope in een keer weg, net of ze niks gehad hebben. Ik rook het rustig op. Dan gaan ze zeuren: o, dat shotje is weer misgegaan, of: mijn rock (korrel coke) is gevallen. Dan ga je helpen zoeken en jatten ze je dope van tafel. Als je dope hebt rennen ze voor je, dan ben je de koning. Als je niets meer hebt te roken, kennen ze je niet.
Als ik geen slaapplaats heb, loop ik soms achtenveertig uur aan een stuk door over de Wallen, dan ben je rijp voor een bullit. Als zo'n agent je niet mag, kan alles fout gaan. Daarom ben ik heel voorzichtig. Er valt niets te schieten op de Dijk, maar ze lopen wel met die pistolen rond.’
'IK GEBRUIK MEER coke dan heroine. Heroine is een medicijn, een opiaat. Je kan er oud mee worden. Coke geeft energie, die heb je nodig om te kunnen werken. Ik snuif het niet, ik rook het. Het maken van base is simpel: je hebt een lepeltje, cocaine, ammoniak en water nodig. De coke verwarm je in de ammoniak. Als de ammoniak te hard gaat koken, verliest de coke zijn kracht, dan krijg je geen flash. Coke is net voedsel. Een stoofpot moet laag om de vitamines te behouden. Je houdt een korrel over, die rook je in een pijpje.
De politie in Rotterdam en de kranten hebben het steeds over crack, maar dat heb je helemaal niet in Nederland. Het is gekookte cocaine, base. In Rotterdam hebben ze die voorgekookte coke al voor een tientje. Ik kook de dope zelf, dan weet ik wat erin zit. In Rotterdam donderen ze van alles in der dope: palfium, talkpoeder, cafeine, maagzout of snow-cooker. Als het maar wit is. Van die rommel word je gek, niet van de coke. Ik heb het wel eens gerookt, ik kreeg vreselijk jeuk en huidirritatie.
Ik heb nog een poosje in Rotterdam gewoond, tegen mijn zin. Een dealer had me veertig pakjes gegeven, voor de handel. Toen kwam het slipgevaar. Zo noemen we dat, als je met dope van anderen op zak loopt. Ik blowde alles op en kon het niet terugbetalen. De dealer zocht me, hij was heel boos. Je weet niet of zo'n man je een mes in je kankerlijer douwt. Ik kon niet langer in Amsterdam blijven, junken praten als gekken. Wegwezen dus, naar een andere stad. Na een tijdje zou hij wel afkoelen. Ik naar Rotterdam.
Het was een puinzooi in Rotterdam, ik wist niet hoe snel ik weer naar Amsterdam moest. Ze kunnen niet tegen de gebruikers op. Het gaat de regering te veel geld kosten. De oplossing komt uiteindelijk weer van de gebruiker.
In Amsterdam is het niet veel beter voor gebruikers. Toen ik vijftien jaar geleden met de dope begon, was het nog gezellig op de Dijk. Je had de Cotton Club, de heroine lag er op tafel. De politie wist van niets, je maakte ze wijs dat het kaneel was. En bij weed zei je dat het thee uit een ver land was. De Zeedijk leeft niet meer sinds de renovatie. Het is een stuk saaier geworden, een slap zooitje. Die toeristen komen alleen maar om ons te zien.
Tegenwoordig word je als een beest behandeld op de Dijk. Op bureau Warmoes wemelt het van de racisten. Ze gaan op negerjacht. Als ik met een blanke sta te praten, gaan ze er meteen van uit dat ik deal en niet die blanke. Een blanke verkoopt niet aan een zwarte, dat kan niet. Een blanke gebruiker kan vaak doorlopen, een neger krijgt meteen een Dijkverbod. Niet alle Surinamers die over de Wallen lopen, zijn gebruikers. De politie denkt automatisch: die zwarte zal wel drugs bij zich hebben, Nee, misschien gaat die zwarte wel bingo spelen bij de Mata Hari.
Ik ben meer dan honderd keer opgepakt. Wij snappen niets meer van al die verordeningen. Niets mogen we meer. Het messenverbod kan ik nog wel begrijpen, er is ooit een agent doodgestoken door een gebruiker. Je mag niet met z'n vieren op een hoek staan. Je mag iemand geen gulden geven als die crepeert van de honger, dan denken ze weer dat het voor drugs is. Je mag niet blijven staan, moet altijd doorlopen. Je mag geen bier drinken, je mag niet op straat roken, je zuurverdiende geld wordt in beslag genomen. Rechercheurs zijn verplicht zich te legitimeren, of ze je kennen of niet. Doen ze niet.
Of ze grijpen een gebruiker bij de strot en stompen hem in de maag omdat ze hem die ballen uit zijn mond willen laten spugen. Veel agenten willen die ballen niet, dat scheelt ze een proces verbaal. Daar hebben ze geen trek in, helemaal naar het bureau. Dan moet zo'n jongen de dope doorslikken. Daar genieten ze van, als zo'n jongen paars wordt omdat die ballen in zijn maag kapot gaan. Dat is de manier niet. Iemand kan op heterdaad betrapt worden, dat vind ik veel netter. Dan verdient een agent zijn strepen. Niet iemand als tipgever gaan gebruiken. De agent moet het zelf doen, dan krijgt hij er hart voor. Niet op deze manier, gebruikers tegen elkaar uitspelen. Ze doen hun werk, ik heb wel begrip voor ze. Ze pakken de dope af van de gebruiker om de dealer te kunnen vinden. De gebruiker wordt onder druk gezet. Het is een spel van kat en muis.’
'IK HEB EEN GOEDE jeugd gehad. We woonden aan de Tugelaweg, vlak bij het Krugerplein. Ik had een krantenwijk, na school hielp ik mijn moeder met koken en schoonmaken. Ze was, en is, een lieve, sterke vrouw. Ze heeft acht kinderen opgevoed. Ze is clever. Altijd was ik bij haar. Ze zei dat ik veel op mijn vader leek. Mijn vader was een knappe kerel, een Indiaan. Hij was lasser. Hij ging al in de jaren zestig naar Nederland. Daarna liet hij ons uit Suriname overkomen, dat heeft hem duizenden guldens gekost. Ik was drie toen ik naar Nederland kwam, toen ik zeven was is pa verdronken. Ze hebben hem gevonden in het water bij de Mauritskade, tegenover het Tropenmuseum. In de winter, het ijs was nog dun. Hij kon veel drinken, kwam vaak in het cafe. Ik weet zeker dat ze hem die avond met drie of vier man in elkaar hebben gerost, anders was hij nooit in het water terecht gekomen.
Ieder weekend ging ik uit, ik had drie verschillende kostuums en speciale overjassen. Mijn moeder zag dat graag, ik vond het soms te houterig en te stijf. Daar flipte ik op. We gingen uit, naar een dancing, altijd meisjes erbij. Mijn moeder werd helemaal gek van die vriendinnen, altijd bezoek, brieven en telefoontjes. Daarna iets flikken, stoned van de weed rennen over de spoordijk, neuken in de bosjes. Kwam ik thuis met het smeer van de treinbaan aan mijn dure kleuren. Kostuum naar de klote, mijn moeder op tilt.
Na de LTS volgde ik een opleiding bij Stork in Haarlem, motoren maken. Ik rookte wel eens een jointje weed, niet te veel want dan werden mijn ogen rood, als een vampier. Toch had mijn baas het door; als hij langs kwam zette hij mijn lasbril af en begon hij te lachen. Door de scheiding en de dope ben ik met werken gestopt.
Ik ben vier jaar getrouwd geweest. Mijn schoonvader wilde niet dat ik met haar trouwde. Zijn vrouw was doodgegaan na de geboorte van hun dochter. Ze was zijn oogappel, hij zag zijn dochter als zijn vrouw. Die kerel was helemaal gek. Ineens was mijn vrouw verdwenen, met het kind. Ik bleef alleen achter in de woning. Het wiegje stond er nog, de muren kwamen op me af. Mijn zoon is nu vijftien. Veertien jaar en negen maanden heb ik hem niet gezien. Ik heb enkel een paar foto’s van hem.
Ik ben toen bij een musicus in huis gaan wonen. We verkochten weed. Hard werken, business doen. Het hele huis zat dagelijks stampvol, ik moest alles doen voor de klanten, ik leek wel een inktvis. Stofzuigen, de deur openmaken, thee zetten, parfum spuiten tegen de stank, kijken of er geen politie komt. Zo'n huis moet netjes zijn, niet opvallen. Goede vitrages, nette gordijnen, de deur een beetje geschilderd, huisregels, nooit bezoek na tien uur. Alsof het een chic huis is. Het moet er zo stil zijn dat je een muis voorbij kunt horen rennen. De spullen en de woning waren niet van mij, dus als er iets gejat werd kreeg ik de schuld.
Ik spaarde geld, samen met die musicus. Hij heeft alles gejat, woont nu in Suriname, in een prachtig huis met een lap grond. Ik heb niks. Mijn vrouw weg, mijn kind weg, ook nog eens mijn spaargeld weg. Ik hield mijn hart vast. Ik wilde naar de Bijlmer en van een dak af springen. Ik hield het niet meer vol. Toen ben ik aan de dope gegaan.’
'HET IS HARDER en duurder geworden op de Dijk. We moeten meer uren draaien voor een fucking beetje dope. We worden overal verjaagd, we worden er helemaal gek van. Kijk naar metro Wibautstraat, daar wordt gedeald en gespoten te midden van schoolkinderen. Wat een kolerebende. Geef die gebruikers een pand. Vroeger hadden we nog de junkieboot bij het Centraal Station. Iedereen heeft een hekel aan junkies. Wij moeten het zelf doen. De jongens slapen op straat, in de kou, voor de deur van het Leger des Heils.
Veel jongens gaan kapot, liggen met aids in rusthuizen. Ze gaan achter elkaar dood. Spuiters zijn niet schoon genoeg. Ik rook alleen maar. De meeste Surinamers spuiten niet. Het bloed is niet makkelijk. Je kan het bloed niet zomaar uit je lichaam halen en er water en citroen in spuiten, en ook nog eens versneden dope. Het bloed is je geest.
Afkicken is niet makkelijk, de meeste gebruikers vallen weer terug in de kuil. Wij gebruiken veel energie elke dag, wij zijn heel sterke mensen, heel actief, we stoppen er veel tijd in. Daarom moet je als je weer clean bent zorgen dat je bezigheden hebt. Maar in de Jellinek moet je je problemen vertellen, mag je tijdens de therapie niet verliefd raken op een meisje, krijg je dagelijks piscontrole, mag je hoogstens een beetje zwemmen.
Methadon weiger ik, dat is rommel, gif. Ik wil die dubbele verslaving niet. Ik heb genoeg mensen gezien die door de methadon naar de tering zijn gegaan. Ze lopen rond als robotten, als de Terminator.
Een paar jaar geleden ben ik neergestoken op de Dijk. Ik had een bal verkocht aan een man, hij zei dat het spul niet goed was. Ik wilde hem zijn geld teruggeven, maar daar ging het niet om. Die jongen mocht mij niet, wilde mij opruimen. Het was een echte moordenaar. Hij had al zes mensen neergestoken. Het mes stak nog in mijn lichaam. De man was zo geschrokken dat hij het er niet meer uit trok. Ik liep van de apotheek naar de bakker, heb zelf het mes eruit getrokken. Ik ging steeds sneller ademen, moest even gaan liggen. Ik dacht, shit, het is met me gedaan. Ik kon niet meer op een long ademen, werd helemaal hysterisch. Toch wilde ik achter die kankerlijer aan, ik dood, jij ook dood. Toen dacht ik, laat ze eerst mij maar repareren.
Twee maanden in het ziekenhuis gelegen, na een zware hart- en longoperatie. Vierenveertig hechtingen. Toen ik er uit kwam liep ik gebogen over de Dijk, ik was bang dat ik zou openspatten. Kom ik die lijer tegen, het enige wat hij tegen me zegt is: ben je naar de politie geweest? Meer niet. Hij is een natuurlijke dood gestorven. God heeft hem gestraft. Hij werd zomaar ziek, hij lag op zijn sterfbed te sufferen. Hij heeft mij gevraagd of ik hem wou vergeven, zijn moeder had mijn moeder gebeld. Ik wilde hem niet vredig laten doodgaan. Ik denk nu dat ik toen te wreed was. Maar die gozer heeft mijn leven kapot gemaakt, ik ben nu afgekeurd, invalide. Zijn geest gaat niet naar het natuurlijke huis terug, waar de geest vandaan komt. Zijn geest had geen kracht om te stijgen.’
'AL MIJN BROERS en zussen werken, hebben diploma’s. Ik ben de enige die gebruikt. Ik ben aan de dope geraakt door verdriet, ik raakte twee mensen kwijt. Ik heb daar nooit een antwoord op gevonden. Ik kon de pijn niet hanteren. Ik had een moordenaar kunnen worden. Of een gek. Ik heb voor de dope gekozen. Ik ben niet verslaafd. Ik ben een gebruiker, geen junk. Een gebruiker gebruikt stuff, een junkie wordt gebruikt door de stuff. Ik ken mezelf goed, ik weet wie ik ben. Ik heb een bezigheid, verwen mezelf. Ik werk ervoor. Ik heb een boel geleerd, ik leef een stabiel leven, ik weet wat ik wil. Ik zou iets met zaken willen doen, ik heb het in me zitten. Sexbusiness, iets met kleding, een koffieshop, muziek.
Ik streef naar een doel, ik ben niet zo geboren, daar blijf ik in geloven. Ik red het wel. De geestelijkheid die ik heb is puur als die van een baby. Soms heb ik spijt, meestal niet. Het gaat lukken, eens zal ik een nieuw mens worden. Mijn moeder zei eens tegen me: jouw God leeft. Dat was een pak van mijn hart, ik was zo gelukkig. Toen wist ik dat ik het goed gedaan had. Ik heb haar pas nog gebeld, ik blijf haar kindje.’