Ik had S in geen jaren gezien, dat is het eerste wat ik dacht: in geen jaren. Hen was een van die zeldzame mensen in mijn leven, misschien zelfs wel de enige, die eruit was verdwenen zonder dat ik die verdwijning ooit echt had verwerkt, al deed ik wel alsof, en ook alsof het me niet echt aanging. Zo gaan die dingen soms, zei ik tegen mezelf en anderen, en dat was ook zo, alleen niet in dit geval.

Omdat hun uitstraling een omtrek kent van enkele tientallen meters, zag ik hen al van een grote afstand. Daar liep ik, met mijn kinderwagen en mijn hond. Mijn haar in een suffig knotje, birkenstocks. De zichtbaarheid van het leven dat ik leidde was genadeloos; de uitkomst van een set volstrekt voor de hand liggende verlangens. Al die sturm-und-drang van een decennium geleden, al dat gepraat over nooit dit, dat nooit, het gemak waarmee ik toen in theorie alles overboord gooide, behoeften kon ontkennen omdat ik ze niet had. Niet dat ik dacht dat niets ooit zou veranderen, het enige wat ik me nooit werkelijk heb kunnen voorstellen is dat ik ouder zou worden.

S was altijd iemand geweest naast wie ik me extreem conformistisch had gevoeld, maar nu ik hen na al die jaren plotseling zag op straat, voelde ik mijn eigen menselijkheid verschrompelen om plaats te maken voor pure symboliek. Ik zag mezelf zoals ik vermoedde dat hen me zag: de vijand van alles wat groot en vrij was. Niet alleen was ik gezwicht voor van alles, ik leek dat alles uit te dragen als een wandelend reclamebord. Ik voelde me een huismoeder in de jaren vijftig, met het verschil dat ik te kwader trouw was geweest; dat ik niet zozeer aan het enig mogelijke had gehoorzaamd als wel aan het verkeerde.

Had ik me minder slecht gevoeld na deze toevallige ontmoeting als die anders was verlopen?

We waren vrienden geweest, een soort partners in crime ook, waarbij onze compleet verschillende modes of being onze gezamenlijkheid een poosje lang op een wonderlijke manier bestendigde. S was een soort wervelwind die altijd alweer was gedraaid zodra je had uitgevogeld van welke kant hij kwam aanwaaien. Met het grootste gemak verplaatste hen zich zowel door woonkamers van huisfeestjes als over de wereld. Hen kon je hun volle aandacht geven en met grote intensiteit naar je luisteren, om het volgende moment iemand te ontdekken die achter je stond, een nieuw iemand, onvoorspelbaar en onontgonnen. Hen kwam minstens twintig minuten te laat op afspraken en moest altijd iets eten. Hen dacht snel, anachronistisch, soms slordig maar altijd volstrekt onbevreesd en oorspronkelijk. Hen was genereus maar ook vergeetachtig, en ik denk dat dit het was, dit verdwijnen van hen uit mijn leven: ik voelde me door hen vergeten, en om niet het onderspit te delven vergat ik hen terug.

Natuurlijk volgde ik hen nog online, zoals dat gaat, en ving ik glimpen op van hun leven – de plekken die hen bezocht, de mensen die hen ontmoette, de dingen waarover hen nadacht, dingen die te complex waren om op deze gefragmenteerde manier te doorgronden, waardoor ik ze terzijde schoof, ze afdeed als te vaag en te niche om me ermee te verbinden. Soms stelde ik me voor dat hen naar mijn Instagram-posts keek, en er haast van moest kotsen. Verraad is een ingewikkeld procedé, waarbij degene die zich verraden voelt net zo goed verraad pleegt, alleen al door zich zo te voelen.

Had ik me minder slecht gevoeld na deze toevallige ontmoeting als die anders was verlopen? Als ik mijn eigen, oprechte blijdschap S weer te zien simpelweg in hen weerspiegeld had gezien? Want hoewel hen zich herpakte, had ik gezien wat ik was: een verrassing, en niet per se een aangename. Hen was met iemand anders in gesprek, en ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat ik inbreuk maakte, en meer dan dat, dat ik iemand was geworden met wie hen zich eigenlijk niet wilde associëren. Elke concrete vraag (waar woon je wat doe je hoe zit het eigenlijk qua gender nu?) leek te dom om te stellen, alsof alles wat ik zou zeggen of vragen alleen een bevestiging kon zijn van mijn eigen bourgeoismentaliteit.

Dit is je eigen probleem, zei M later die dag, je bent bang en uit angst vul je alles in. Je vergeet dat andere mensen onzeker zijn en, net als jij, leven in een constante staat van schaamte. Ik dacht hierover na, of beter gezegd, ik lag hiervan wakker. Tot ik op een middag alsnog in slaap viel op de bank, en bedacht dat schrijven een hogere vorm van lafheid is, die je kortstondig het gevoel kan geven moedig te zijn.