Westeinde 16 (1954 - 2011)

In het kamertje van Trinette Koomen werden harten gelucht en tranen geplengd. Deze week verruilt De Groene Amsterdammer het Westeinde voor ‘t Singel.

WAAR KOMT die merkwaardige neiging van mensen toch vandaan dat ze, als het gezellig of intiem moet worden, samenklonteren in het kleinste kamertje? Nee, ik bedoel niet het állerkleinste kamertje waar Geert Mak over schreef bij het honderdtwintigjarige bestaan van De Groene Amsterdammer, en de gedachte die bij hem opkwam als hij op de brede houten wc-bril zat in het pand aan het Westeinde: hier zaten voor mij Frederik van Eeden, Herman Heijermans, Alphons Diepenbrock, Emmy Andriesse, A. Alberts, Rienk Dijkstra, Harriët Freezer, Matthijs Vermeulen, Cas Oorthuys en ‘al die anderen naar wie straten en prijzen genoemd zijn of zullen worden’. Ik bedoel de kamer van het redactiesecretariaat, het hart van de redactie, de werkplek van redactiesecretaresse Trinette Koomen, hoewel werkplek de reikwijdte van haar activiteiten zeer tekortdoet.

Nu het vol dozen staat, de kasten je leeg aangapen en het stof van decennia nog meer dan anders ronddwarrelt omdat De Groene morgen na 57 jaar gaat verhuizen, waren meer dan ooit de geesten rond van al die mensen die ooit aan het Westeinde aan het weekblad werkten. Als de muren konden praten, zouden ze vertellen over de dames en heren - in de woorden van W.F. Hermans ‘de versleten vlinderdassen en oude corsetten’ - die op donderdagmiddag kwamen vergaderen. Anton Koolhaas, C.J. Kelk, Jeanne van Schaik-Willink, J.J. Vriend en Matthijs Vermeulen waren er altijd; Simon Vestdijk, Abel Herzberg, Jacques Presser, Hella Haasse schoven met regelmaat aan. Als meneer Van Leeuwen, directeur van De Groene van 1947 tot 1978, binnenkwam, was dat het teken voor de conciërge de wijn te ontkurken. Er heerste een sfeer, om met Jeanne van Schaik te spreken, ‘van bohémien, van zwier, van ouderwetse tijden’. De joyeuze Kelk zette de toon, als hij binnenkwam met de groet: ‘Minzaam zwaaiend naar alle zijden betreedt de prins het bordeel’, of als hij, na het pimpelen, het pand verliet met binnenstebuiten gekeerde jas.

De muren zouden vertellen over Han Lammers, die behalve Groene-redacteur ook PVDA-lid was, wat tot een clash met collega-redacteur Wouter Gortzak leidde. Zeker toen Gortzak Lammers, inmiddels een van de kopstukken van Nieuw Links, in een café had horen pochen ‘Daar heb ik een krant voor’ - het ging over het in diskrediet brengen van Den Uyl. Ze zouden vertellen over de jonge redacteuren die in de jaren zeventig het pand binnentrokken en nooit moe werden fundamenteel te vergaderen over de politieke koers van ‘de krant’. En over het curieuze conflict tussen hemelbestormers Max Arian en Maarten van Dullemen en directeur Van Leeuwen over de kapotte adresseermachine. Van Leeuwen wil overschakelen op de computer terwijl de jonge redacteuren tegen de aanschaf van die kapitalistische uitvinding zijn en vrijwilligers willen werven - een stapje op weg naar het ideaal van De Groene als ‘aktiesentrum’. Ze zouden vertellen over de nachten dat er tot de deadline op dinsdagochtend werd doorgewerkt, waarna de koerier de verse kopij in de hand kreeg gedrukt. Over de borrels, waar tekenaar Opland tot diep in de jaren negentig pseudo-Russische toespraken hield en strijdliederen aanhief. Over de redacteur met huwelijksproblemen die soms sliep onder zijn bureau.

Maar de meeste verhalen zouden van de muren in het kleine kamertje komen, al was daar heel lang niet zo veel muur te zien, doordat ze van vloer tot plafond bedekt waren met archief. Op een wand met een prikbord na, waarop foto’s van feesten uit de jaren zeventig en uitnodigingen voor lang vervlogen lustra. Trinette Koomen zit in dat kamertje sinds de jaren zestig. Ze had gesolliciteerd op de volgende advertentie: ‘Kleine Amsterdamse uitgeversmaatschappij waar het prettig werkt omdat men er geen nummer is kan aan IJVERIGE EN PIENTERE MEISJES EN JONGENS een zodanige administratieve opleiding geven dat zij met enkele jaren voldoende vakbekwaam zijn om een beste boterham te verdienen…’ Een advertentie die voor de goede lezer een constante in het bestaan van De Groene verraadt: fijne werkplek, weinig geld. Bij het honderdjarig bestaan van het weekblad gaf Opland directeur Van Leeuwen daarom een krentenweger cadeau.

Toen Trinette aan het Westeinde kwam werken, was het pand nog van AEG, dat kantoor hield op de begane grond. Van Leeuwen had een statige kamer op de eerste verdieping - parket op de vloer, moderne gispenmeubels. Het gebouw straalde statige chic uit. De heren-redacteuren zetelden ruim, op de bovenverdieping woonde conciërge Penning met vrouw en drie kinderen: zij bracht dagelijks koffie en thee rond, hij zorgde in de kelder voor de adressering van de wekelijkse nummers. Het geratel van het ponsapparaat klonk door het hele pand. Sem Davids tikte zijn stukken in het tuinhuisje.

En zij zetelde in het kamertje, eerst nog met een collega-secretaresse aan een dubbelbureau, al snel alleen. De heren en dames kwamen binnen met de laatste nieuwtjes, of soms met heel oude, want bij De Groene kon geroddeld worden over mensen die al tijden onder de grond lagen. Er werden harten gelucht en tranen geplengd. ‘Glaasje?’ vroegen de redactrices Anet Bleich en Geke van der Wal aan het eind van de dag, en de fles wijn, die er altijd stond, ging open en de deur dicht. In het kamertje knipte zij de haren van Martin van Amerongen, de eerste hoofdredacteur na de jaren van arbeiderszelfbestuur. De fax kwam er te staan en zij ving niet alleen als eerste de schrijfsels van de huisquerulanten op, maar ook die van de teleurgestelde aanbidsters van de hoofdredacteur.

De houten wc-bril van Geert Mak is er allang niet meer. Bovendien: Van Eeden en Heijermans zaten erop in de redactieburelen aan de Keizersgracht. Zo zie je maar: niet alleen de dozen gaan mee naar ons nieuwe huis aan ‘t Singel, de geesten vergezellen ons ook. En Trinette is er om hen en ons te koesteren.