Westers leedvermaak om Turkije is wrang

Wie het nieuws volgt moet het zijn opgevallen: er gaat geen dag voorbij zonder dat het over Turkije of Turkse Nederlanders gaat. Enkele voorbeelden: afgelopen weekend meldde NRC Handelsblad dat moskeeorganisatie Milli Görüs tientallen Turks-Nederlandse jongeren heeft meegenomen naar een kamp in Turkije, om hen aldaar te laten onderwijzen door een omstreden imam. Een week eerder kwam de nosmet het bericht dat de Turkse overheid bezig is om weekendscholen op te zetten voor jonge Turkse Nederlanders zodat zij de Turkse taal beter leren, net zoals de geschiedenis en godsdienst van het land van hun ouders. Over beide nieuwsfeiten ontstond de nodige ophef, en terecht. Want waarom moeten jongeren, waarvan soms de ouders veelal in Nederland zijn geboren, worden aangesproken als ‘jonge Turken die in het buitenland wonen’ en waarom moeten zij ‘de banden versterken met het vaderland’ met geld van de Turkse staat?

Natuurlijk moeten we bij dit soort activiteiten vraagtekens zetten, maar er is wel iets curieus aan de hand. Want: Turkije geeft al veel langer geld aan Turks-Nederlandse organisaties voor ‘behoud van de Turkse cultuur’ en clubs die het evangelie van president Erdogan (en zijn voorgangers) willen prediken. En ook Milli Görüs – volgens eigen zeggen een organisatie met vijftig afdelingen en vijftienduizend leden – staat al veel langer als oerconservatief bekend. Het bezoekje aan de geestelijke die vindt dat je vrouwen mag slaan bevestigt dat alleen maar.

De ‘gewone’ Turk is het grootste slachtoffer van het (wan)beleid van de president

De gretigheid waarmee op dit Turkse nieuws wordt gereageerd doet vermoeden dat er ook minder zuivere motieven een rol spelen. Dat raadsleden van de pvv gaan roeptoeteren is te verwachten, maar dat er zo massaal wordt afgegeven op Turkije en Turkse Nederlanders heeft iets akeligs.

Hetzelfde mechanisme trad in werking bij de kelderende koers van de Turkse lira: eigen schuld, dikke bult en het is hun verdiende loon. ‘Als het over Turkije gaat, komt bij veel mensen de stoom uit de oren. Dat begint zo langzamerhand gevaarlijke proporties aan te nemen’, concludeerde AD-columnist Özcan Akyol vorige week. ‘Dat Turkije nu op een faillissement afstevent, is voor hordes lieden op internet én in opiniestukken een reden om op subtiele (of ronduit lompe) manier een zekere tevredenheid hierover tentoon te spreiden. Alles en iedereen moet kapot.’ De fractievoorzitter van de Rotterdamse pvvschreef op sociale media: ‘Nooit vrij reizen voor Turken. Nederland, vooral Rotterdam, is al overspoeld door ongeïntegreerde niet-westerse Erdogan Turken!’

Natuurlijk komt het wantrouwen en de haat tegenover Turkije grotendeels door Erdogans dictatoriale beleid en zijn bizarre opstelling tegenover het Westen. Alles uit Turkije is tegenwoordig verdacht. Maar niet vergeten moet worden dat de helft van Turkije en een aanzienlijk deel van de Turkse Nederlanders, de mensen die je minder hoort en ziet, zich niet achter de president scharen. Zij leven het liefst in een land met democratische waarden. Dat de ‘gewone’ Turk het grootste slachtoffer is van de financiële wanorde en het (wan)beleid van de president maakt het westerse leedvermaak extra wrang.