Zeventig jaar Volksrepubliek

Westerse fabels over China

Terwijl het Westen ervan overtuigd bleef dat China de democratische westerse waarden zou overnemen, groeide het land uit tot supermacht. Het is niet de verwachte aanwinst van het Westen geworden, maar zijn grote tegenspeler.

Nieuw schoolgebouw in een nieuwbouwwijk van Lankao County, Henan, China © Thomas Peter / Reuters / ANP

In de tijd dat China nog op een andere, ons vrijwel onbekende planeet lag, had de Grote Roerganger Mao Zedong voor de aardbewoners een megaproject in petto: de wereldrevolutie. Dat plan mislukte even knetterend als de buitenaardse pogingen om van de Chinees een Nieuwe Mens te maken. Wat wel lukte was een massale verpaupering, de liquidatie van tientallen miljoenen mensen door honger en geweld en een diepe traumatisering van de samenleving. Ideologisch fanatisme veranderde de utopie in een nachtmerrie.

Niet lang na Mao’s dood kwam China onder Deng Xiaoping terug naar de aarde. Marx moest wijken voor de markt, de klassenstrijd voor economische ontwikkeling, en geld stonk niet meer. Deng en de twee leiders na hem stelden hun land economisch open voor de buitenwereld. Daardoor is China onherkenbaar gemoderniseerd en zijn honderden miljoenen armen welvarend geworden. De huidige leider Xi Jinping heeft zich voorgenomen het karwei af te maken. In het Nieuwe Tijdperk dat hij heeft uitgeroepen moet China wereldleider worden.

Die ambitie komt niet uit de lucht vallen. Wereldleiderschap is voor China niets nieuws. Het land heeft zichzelf een paar duizend jaar lang aangeduid als tianxia, ‘alles onder de hemel’, bestuurd door niemand minder dan de tianzi, de ‘zoon van de hemel’ in hoogsteigen persoon. Die term gaf aan dat de heerschappij van de Hemelzoon – het westerse woord ‘keizer’ is een gebrekkige aanduiding voor de Chinese alleenheerser – zich in concentrische cirkels uitstrekte over de hele aarde, met het keizerlijk paleis als middelpunt. Hoe verder een gebied van het centrum vandaan lag, des te zwakker de keizerlijke controle, maar vaste grenzen in de westerse zin van het woord waren er niet. De macht van de keizer was dus in principe onbeperkt. Dat de rest van de wereld daarvan geen weet had of er zich niets van aantrok, deed voor de Chinezen niet ter zake. China was immers niet een natiestaat maar een beschavingsstaat, en er was maar één beschaving: de Chinese.

De tegenwoordig normale naam voor China is Zhongguo, dat letterlijk ‘Middenland’ betekent. Het is het Rijk van het Midden, het Centrum van de Wereld. China was en is voor de Chinezen per definitie het land dat dankzij zijn beschaving, uitvindingen, cultuur, kunst en staatsordening veruit superieur is aan de rest van de mensheid. Economisch was het tot het midden van de negentiende eeuw de machtigste staat ter wereld. Tijdens de ‘Eeuw der Vernedering’ die volgde kreeg het gevoel van trots en grandeur een haast fatale knauw. Het grandioze Rijk van het Midden verwerd tot een machteloze, semikoloniale, leeggeplukte en praktisch mislukte staat. Totdat in 1949 Mao aan de slag ging om van de ‘zieke man van Azië’ een communistische heilsstaat te maken.

De Mao nieuwe stijl, Xi Jinping, zoekt opnieuw de heilsstaat, maar dan in een versie waarin de Grote Roerganger zich niet zou herkennen. En net als Mao zoekt ook Xi het wereldleiderschap. Het gaat echter niet meer om de ideologische hegemonie maar om economische, technologische en militaire macht en vooral om respect voor de grandeur van het herboren Rijk van het Midden. Xi wil van China een gigantisch Singapore maken: rijk en welvarend, zonder vervuiling en corruptie, zonder discussie en kritiek, autoritair bestuurd door één enkele partij en voor onbepaalde tijd door één enkele man: hijzelf.

Iedere Chinees moet een Nieuwe Mens worden, die onder volledige controle van de partij met Xi’s Chinese Droom meedroomt over de ‘grote verjonging van de Chinese natie’. In vertaling: China moet in volle glorie herrijzen en weer het rijkste en machtigste land worden dat zich door de rest van de wereld niets meer zal laten gezeggen. Op het wereldtoneel ziet Xi voor China, hij heeft het zelf gezegd, maar één plaats: het centrum. Het oude begrip tianxia duidt nu het expansieve China van Xi aan, dat net als het China van de keizers geen grenzen kent.

De Volksrepubliek, de huidige incarnatie van het Eeuwige China, is druk bezig haar economische, technologische en militaire achterstand weg te werken en een eigen wereldorde op te bouwen, dit alles om de plaats te heroveren die haar volgens eigen overtuiging toekomt: die van natuurlijke wereldleider. Hoe kan het land met de meeste inwoners, de oudste beschaving en weldra de grootste economie immers een andere positie innemen dan de leidende? De Eeuw der Vernedering was slechts een tijdelijke verstoring van de natuurlijke orde geweest. In Xi’s Droom zal het herrezen Hemelse Rijk dankzij zijn economische, politieke en militaire macht, zijn wijsheid, waarden en cultuur alom respect afdwingen. China’s herwonnen glorie moet het volk vervullen van nationale trots en dankbaarheid jegens zijn hoogste leider, die is wat vroeger de keizer was: de personificatie van China zelf.

Steeds meer drukt China zijn stempel op de wereld. Maar ondanks de lawine van nieuws is er veel over China dat de wereld niet weet. Natuurlijk, het land is te groot en te veelzijdig, en zijn geschiedenis te lang om ook maar bij benadering een toereikende achtergrondkennis te krijgen. Daar komen de censuur en de geslotenheid van de overheid nog bij. Het kennisgebrek is echter behalve kwantitatief vooral ook kwalitatief. Over essentiële Chinese zaken bestaan nog altijd hardnekkige misvattingen. Nu tussen de leider van het Westen en de leider van het Oosten de strijd om de wereldhegemonie is ontbrand, is het zaak om het wanbegrip zo snel mogelijk uit de weg te ruimen. Kennis over wat het herrezen Rijk van het Midden werkelijk drijft, is urgenter dan ooit.

Net als Mao zoekt Xi Jinping het wereldleiderschap, dat niet meer gaat om ideologische maar om economische, technologische en militaire macht

Het Westen – oorspronkelijk sloeg dat begrip op de geografie, daarna op de cultuur. Sinds het begin van de Koude Oorlog tussen Amerika en de Sovjet-Unie is het vooral een politiek idee, bij voorkeur in combinatie met ‘vrij’. Het ‘Vrije Westen’ gold als bastion van liberale democratie en kapitalistische vooruitgang. Het leek te bestaan bij gratie van het communistische Oostblok. Na het neerhalen van het IJzeren Gordijn doekte het Westen zijn attribuut ‘vrij’ niet op. Het zette zich voortaan af tegen alle landen met een autoritair, repressief regime, ongeacht hun ideologische kleur. Dat deed het met de zekerheid dat geleidelijk aan de hele wereld zich tot de westerse idealen zou bekeren. Verreweg de belangrijkste bekeerling in dit mondiale offensief zou China zijn.

Op deze misvatting heeft het machtigste land van de wereld tientallen jaren lang zijn Chinapolitiek gebaseerd. Het ‘ondankbare’ China heeft zich echter niet aan het door het Westen geschreven scenario gehouden. Schoorvoetend is het Westen nu bereid te erkennen dat het zich gruwelijk heeft vergist, maar een nieuw Chinabeleid is nergens te bespeuren en er zijn nieuwe misconcepties bijgekomen. Zolang men niet de moeite doet het waarom van de hardnekkige blunders van het verleden te analyseren, zullen er steeds weer nieuwe worden gemaakt.

De moeder van alle misvattingen is het idee dat China een land is als alle andere. China beschouwt zichzelf als een superieure beschavingsstaat waarin de rest van de wereld haar natuurlijke leider dient te herkennen. Deze gedachte is de motor achter China’s huidige opmars naar de wereldmacht achter het vaandel van een ‘gedeelde toekomst voor de mensheid’.

De stiefmoeder van het westerse wanbegrip over China is de vanzelfsprekendheid waarmee het Westen zichzelf zag – en vaak nog altijd ziet – als de mondiale maat. De hele wereld, China inbegrepen, zou willen worden als wij. Modernisering zou onverbiddelijk verwestersing betekenen. We wisten zeker dat China behalve onze producten ook onze ideeën zou invoeren, anders zou de Communistische Partij aan zichzelf kapotgaan. China zou dus een democratische, kapitalistische rechtsstaat worden die de mensenrechten volop zou respecteren.

Uitgerekend de man die bij zijn aantreden als partijleider, zeven jaar geleden, in het Westen voor een hervormer werd versleten, zelfs voor de Chinese Gorbatsjov, Xi Jinping dus, heeft met het westerse wensdenken radicaal afgerekend. Hij heeft een totalitaire dictatuur gevestigd. Het land wordt niet meer geregeerd door een collectief, zoals onder Xi’s twee voorgangers, maar door slechts één man, die aan de macht kan blijven zolang hij wil.

Xi heeft niet de democratie omhelsd maar een agressief nationalisme, dat hij vermengd heeft met de confucianistische traditie en een leer die de ‘vrije wereld’ had doodverklaard: het communisme. De Chinese Communistische Partij heeft zich wonderlijk soepel aan de nieuwe tijd aangepast, veel van haar oude ideologie heeft ze bij het oud vuil gezet, maar door Xi’s ’s toedoen waren Lenin en Mao in China weer levensgroot. De zelfafbraak van de democratie in de westerse wereld heeft dat systeem in China zo mogelijk nog minder populair gemaakt.

Warenhuis New Century Global Center in Chengdu, China © Bruno Barbey / Magnum Photos / HH

De westerse regel dat de opkomst van de middenklasse een democratiserend effect zou hebben, is in het neomaoïstische China niet opgegaan. De Chinese middenklassers zijn de partij juist dankbaar en zijn door haar gecoöpteerd. Westerse leiders en opiniemakers riepen dat dankzij internet het vrije woord in China niet meer te temmen zou zijn. De Volksrepubliek is nu wereldkampioen internetcensuur. De vrijheid die het Westen voor de Chinezen in petto had is er wel gekomen, maar niet in de beoogde vorm: de Chinese bevolking is economisch nog nooit zo vrij geweest als nu, maar heeft, met dank aan de nieuwste digitale technieken, politiek en sociaal ook nooit zo onder controle gestaan. Ook van de voorspelde triomf van de rule of law is niets terechtgekomen. Meer dan ooit is de wet een instrument in handen van de partij, die zelf boven de wet en zelfs de grondwet staat.

Het geschiedenisonderwijs bestaat uit een selectie van feiten waaruit blijkt dat vijfduizend jaar slechts een aanloop was naar het glorieuze tijdperk van nu

Consequent heeft het Westen wat China betreft de plank misgeslagen. Neem China’s ‘socialistische markteconomie’. Die werd afgedaan als een taalkundige acrobatie of gezien als een slecht doordachte variant op de westerse markteconomie die sowieso in China niet zou kunnen gedijen zolang het land een dictatuur bleef. De Chinese economie zou zich vanzelf wel ontwikkelen tot een neoliberale markteconomie.

Nee dus. De greep van de partij op de economie is niet verslapt maar juist versterkt, en niet de socialistische markteconomie maar het westerse neoliberalisme is in diepe crisis geraakt. China is hard bezig de ene westerse misconceptie na de andere door te prikken: dat het vanwege zijn rigide, autoritaire onderwijsstelsel niet in staat zou zijn tot technologische innovaties en wetenschappelijke prestaties, dat het zijn militaire achterstand op de Verenigde Staten de eerstkomende decennia onmogelijk kon inhalen, dat het in een handelsoorlog met de Verenigde Staten snel het loodje zou leggen, dat het zich geleidelijk aan in de westerse wereldorde zou integreren.

Het China van Xi Jinping is niet de verwachte aanwinst van het Westen geworden, maar zijn grote tegenspeler. China gaat zijn eigen weg en is eerder de westerlingen aan het veranderen dan omgekeerd. Steeds meer beginnen de westerse landen China als een grotere rivaal te zien dan Rusland, al is in de publieke opinie in Europa de angst voor Poetin sterker dan voor Xi.

De Amerikaanse president Donald Trump heeft de angst voor China flink aangewakkerd. China’s handelspraktijken, zijn mondiale economische expansie, zijn cyberspionage en zijn militaire geldingsdrang zouden voor het Westen een levensgrote bedreiging vormen. Voor veel westerlingen is het China van Xi een expansionistische totalitaire dictatuur geworden, waarin de hoogste leider een griezelige persoonlijkheidsverheerlijking à la Mao ten deel valt. In China daarentegen wordt Xi al vergeleken met grote keizers uit het verleden die de grootsheid van het vaderland nog grootser maakten en als een vader waren voor hun volk: streng maar rechtvaardig, een voorbeeld van deugdzaamheid, maar ook genadeloos als het nodig was.

I n het nepnieuwstijdperk, waarin bewezen feiten ook maar een mening zijn, het gezag van de wetenschap wordt ondermijnd en journalisten worden voorgesteld als vijanden van het volk, is het belangrijker dan ooit om vat te krijgen op de werkelijkheid. De enige daarvoor bruikbare instrumenten zijn de feiten. Op dat punt heeft de Chinese overheid de laatste paar duizend jaar zelden meegewerkt. Met haar afkeer van transparantie, haar obsessieve geheimhouding, leugens, censuur en propaganda sluit de Communistische Partij naadloos aan bij de Chinese traditie. Ook de feiten van het verleden worden verdraaid als dat nuttig is voor eigentijds politiek gebruik. Het geschiedenisonderwijs is gebaseerd op een zorgvuldige selectie van feiten en interpretaties waaruit moet blijken dat vijfduizend jaar Chinese geschiedenis slechts een aanloop is geweest naar het glorieuze communistische tijdperk van nu. Het verleden ter legitimering van het heden.

Er is ook een semantisch obstakel. Begrippen als wetenschap, democratie en logica bestonden tot het begin van de twintigste eeuw niet in China – net zomin als woorden voor humor, bier, pudding, koffie en chocola. Westerse en Japanse importbegrippen, het marxisme inbegrepen, kregen in China een andere lading. Democratie bijvoorbeeld betekent in China iets heel anders dan wat het Westen daaronder verstond voordat de golf van autoritair populisme dat begrip uitholde. Het westerse concept ‘vrijheid’ neigt in de confucianistisch-communistische traditie naar anarchie. De Volksrepublikeinse rechtsstaat verschilt hemelsbreed van die in westerse democratieën. Nationale veiligheid is in China een nog veel breder begrip dan in het Westen. De Chinese vakbonden zijn er niet om de belangen van de werknemers te behartigen maar die van de eenpartijstaat. Het is zaak de begrippen, de feiten en hun achtergronden zo helder mogelijk te krijgen voordat het zicht door gewenning, vertekening, censuur en zelfcensuur nog verder vervaagt.

Wie een conflict met iemand wil oplossen moet eerst proberen in het hoofd van de ander te kruipen. Daardoor kun je achter diens beweegredenen komen en worden de thema’s duidelijk waarover een overeenkomst mogelijk is. Datzelfde geldt ook voor conflicten tussen landen en systemen. ‘Als je de vijand en jezelf kent’, zei China’s beroemdste strateeg Sun Tzu 2500 jaar geleden, ‘hoef je niet bang te zijn voor de afloop van honderd veldslagen.’ Het zou natuurlijk veel beter zijn om je tegenstander en jezelf zo goed te kennen dat er zelfs niet één veldslag nodig is.

‘De hoogste vorm van krijgskunde’, zei dezelfde Sun Tzu, ‘is de vijand verslaan zonder te vechten.’ Xi Jinping, die zijn klassieken kent, heeft zich dat devies eigen gemaakt. Maar het zou nog beter zijn als vijandschap wordt gesublimeerd tot een rivaliteit die geen verliezers kent. Kom daarmee niet aan bij iemand als Donald Trump, want die is met zijn ‘zero-sum game’-benadering slechts uit op winst. Xi pakt het met zijn ‘win-winsituatie’ – het slagwoord ligt hem in de mond bestorven – subtieler aan. De praktijk is vaak minder subtiel, want het is de bedoeling dat de ene winnaar meer wint dan de andere, of zelfs twee keer wint. En die ene, dat moet altijd China zijn.

Of China zijn mondiale opmars zal voortzetten is even onzeker als de vraag of de neergang van de Verenigde Staten onontkoombaar is. Binnen- en buitenlandse problemen kunnen China’s zegetocht tot staan brengen. Zelfs is denkbaar dat de Volksrepubliek de door de Communistische Partij zo geduchte Sovjetweg naar de ontbinding zal inslaan. Het is zinloos zich aan voorspellingen te wagen. Veel gerenommeerde Chinakenners die in het koffiedik hebben gekeken worden daar liever niet aan herinnerd.

Het is daarentegen uiterst zinvol om het westerse wanbegrip van China te ontrafelen en daar, voor zover achterhaalbaar, de werkelijke Chinese opvattingen en bedoelingen tegenover te stellen. Daarvoor moeten we vaak ver teruggaan in de geschiedenis, want China is ondanks alle turbulenties een land van historische continuïteit als geen ander. Uit het verleden valt in China dan ook nog meer te leren dan elders. Bijvoorbeeld wat we moeten verwachten als China erin slaagt het mondiale machtsvacuüm te vullen. En hopelijk ook wat we moeten doen om een wereldconflict af te wenden voordat het te laat is.


Dit is een bewerking van de inleiding van het nieuwe boek van Jan van der Putten, Fabels over China, dat tot stand is gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Het boek verschijnt deze maand bij uitgeverij De Geus.