Westerse hypocrisie

Franjo Tudjman was een oorlogsmisdadiger. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan etnische zuivering in de Krajina. Duizenden Serviërs heeft hij met geweld het land uit gezet. Toch hebben de VS hem gesteund. Velen zijn ervan overtuigd dat de Amerikanen hem zelfs ondanks het embargo wapens leverden, waarmee hij op grote schaal mensenrechten schond. Toch is hij nooit aangeklaagd door het Tribunaal in Den Haag. Milosevic wel. En tegen zijn etnische zuivering liepen de Amerikanen wel te hoop. Is dat geen hypocrisie? Is dat niet het ultieme bewijs dat achter het gepraat over mensenrechten een gewetenloze machtspolitiek van het Westen schuilgaat?

Het is verleidelijk zo te denken. De westerse interventies zijn immers tamelijk willekeurig. Waarom in Kosovo wel en in Rwanda niet? Waarom worden de Kosovaren wel beschermd en de Tjetsjenen niet? De critici hebben gelijk dat het westen zijn eigen waarden niet consequent volgt, maar bewijst dat de waardeloosheid van de idealen? In zijn Boom-essay Politiek van goede bedoelingen verwijt Hans Achterhuis de Navo en haar sympathisanten dat ze zo overtuigd waren van de eigen goede bedoelingen van hun interventie in de Balkan dat ze geen oog meer hadden voor de averechtse effecten. Het medelijden met de Kosovaren - de zieligste aller volken, zoals Solana zei - was zuiver en daarom moest het optreden goed zijn. Geen van de door Clinton geformuleerde doelen - einde van het geweld in Kosovo, de verdediging van de mensenrechten en de realisering van een multi-etnische gemeenschap - is echter behaald. Integendeel. Nu jagen de Albanezen de Serviërs het land uit. Achterhuis heeft gelijk dat het benadrukken van de eigen goede bedoelingen vaak een recept is voor ellende. Wie uit medelijden meent dat iets doen altijd beter is dan niets doen, heeft geen interesse voor de politieke context. Goede bedoelingen zijn niet genoeg, het gaat om de resultaten, zegt Achterhuis. Maar waar meten we die resultaten aan af? Juist aan de mensenrechten. Het verwijt van hypocrisie werkt echter als een boomerang. Uiteindelijk is Achterhuis niet tegen moraal in de politiek, maar tegen een naïeve toepassing ervan. Zoals iedereen, want wie is voor domheid? Wat Achterhuis en de andere berijders van het stokpaard van de verfoeide westerse hypocrisie niet beseffen is dat met het buiten de orde verklaren van goede intenties, ook het verwijt van hypocrisie zijn kracht verliest. Als intenties er niet toe doen, is het irrelevant of ze goed of vals zijn. Als de Amerikanen vanuit geopolitieke overwegingen het juiste doen, waarom zouden we dan zeuren over hun valse voorwendselen? We moeten die juist koesteren. Uiteindelijk bedriegt de bedrieger zichzelf. Hoe vaker mensenrechten als argument worden gebruikt in de politiek, hoe moeilijker het wordt om mensenrechten op andere momenten te negeren. Maar dat betekent niet dat het beschermen van mensenrechten altijd moet prevaleren. Achterhuis houdt te veel vast aan de tegenstelling tussen moraal en politiek. Dat suggereert dat het goede eenduidig is, en alleen de politieke praktijk modderig. Maar zoals Michael Ignatieff laat zien in Whose Universal Values? The crisis in Human Rights zijn de morele claims zelf al tegenstrijdig. Het respect voor de integriteit van staten is geen machtsrealistische maar een morele notie. Mensenrechten zijn dus wel een argument in de politiek, maar nooit het enige fundament. Goede bedoelingen verdacht maken is lovenswaardig, goede argumenten verdacht maken niet.