Essay: De ondoordachte oorlog

Westerse lichtvaardigheid

Het Westen staat op het punt Irak aan te vallen. Doet het daar verstandig aan? De reactie op Hitlers barbarij was ook al weinig doordacht, net als het besluit in de jaren negentig om Joegoslavië te bombarderen.

Oktober 2002. We leven in de verwachting dat de president van de Verenigde Staten zijn wens om Irak aan te vallen ten uitvoer zal brengen. Voor- en tegenstanders van die oorlog hebben een keur aan argumenten die hen in staat stelt het voornemen van de president als onvermijdelijk of als hoogst ongelukkig te karakteriseren. Intussen kan niemand de gevolgen van die oorlog of van het uitblijven ervan overzien. Maar wat er ook gaat gebeuren, achteraf zullen velen de resultaten volgens het eigen, gestolde wereldbeeld duiden en roepen dat zij gelijk hebben gehad.

Het is nog niet zo lang geleden dat er in Nederland hevig werd gestreden over het optreden van de Navo in Servië en Kosovo. Een van die discussies werd in het televisieprogramma Barend & Van Dorp gevoerd, tussen Ed van Thijn en Jan Mulder. Van Thijn was enthousiast voorstander van de bombardementen op Servië, Jan Mulder was ertegen. Uiteraard heeft geen van de betogen enige invloed gehad op het verloop van de gebeurtenissen op de Balkan, want het Witte Huis en het Pentagon beslisten en alle discussies in de media waren toegestane randversiering om de indruk te wekken dat het Westen democratisch wordt bestuurd.

Het belang van de discussie van bovengenoemd tweetal ligt op een ander vlak dan dat van de actualiteit van toen. Een van Van Thijns argumenten voor het bombarderen luidde ongeveer als volgt: als de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog net zo over het bombarderen van Duitsland hadden gedacht als Mulder over het bombarderen van Servië, dan zouden Barend en hij er nu niet zijn. Van Thijn zinspeelde op zijn joodse achtergrond en die van Frits Barend. Kennelijk bedoelde hij dat zij tweeën aan de bombardementen op Duitsland hun leven te danken hebben. Deze redenering rammelt aan zoveel kanten en is zo retorisch en tendentieus dat het de moeite waard is er wat uitvoeriger bij stil te staan. Mulder reageerde met de opmerking: «Nou en?» Ikzelf, eveneens van joodse afkomst, vond dat een passend antwoord. Er zijn meer dan vijf miljoen joden door de nazi’s vermoord. Getuigt het dan niet van egocentriciteit als een enkele jood, die door min of meer uitzonderlijke omstandigheden is blijven leven, of aan zo’n overlevende zijn bestaan heeft te danken, daaraan een bijzondere betekenis meent te mogen toekennen?

Het is een geheel andere kwestie of het overleven van een handjevol joden ook maar iets te maken heeft gehad met de bombardementen op Duitse steden. Deskundigen betogen nog steeds dat die bombardementen van marginale betekenis zijn geweest voor de geallieerde oorlogsvoering.

Verder is het de vraag of zo’n judacentrische benadering van de Tweede Wereldoorlog niet aan vertekening van de geschiedenis bijdraagt. Heel wat historische theorieën die de psychische behoeften van individuen en groepen bevredigen, berusten op geknoei met feiten. Op basis van lichte en zware vervalsingen en verdraaiingen ontstaan mythes die op den duur voor waarheid doorgaan. Of het nu de Historikerstreit in Duitsland rondom Nolte betreft, of het boek Hitler’s Willing Executioners van de joodse Amerikaan Goldhagen, of de opinie van zoveel anderen, alleen door een grondige manipulatie van gegevens slagen de auteurs erin de nagestreefde indruk te wekken.

Wat de gebeurtenissen tussen 1938 en 1945 aangaat heeft bij velen de mening postgevat dat Groot-Brittannië en Frankrijk de aanvankelijke «fouten», zoals München, met de oorlogsverklaring aan nazi-Duitsland hebben goedgemaakt. «München» is men op den duur als verraad gaan kwalificeren en de oorlog als de enige mogelijkheid om het despotische, wereldbedreigende regime van Hitler te breken. Het is het mythische karakter van die stellingen dat ons veroorlooft ze zo lichtvaardig uit te spreken.

Of de toen genomen beslissingen juist of onjuist waren, hangt onder andere af van wat men ermee heeft beoogd. Chamberlain en Daladier waren er in München beslist niet op uit de wereld aan Hitler uit te leveren. Wij kunnen slechts gissen wat er in hun hoofden omging. Wel is bekend dat Daladier zich de opoffering van een deel van Tsjecho-Slowakije schaamtevol aantrok. Beiden wisten dat zij tijd moesten winnen, want op oorlog waren hun twee landen zeker niet voorbereid. Misschien dat Chamberlain dacht: Hitler is ook maar een sterveling; het gaat allemaal wel over en als er per se oorlog moet komen, dan liever tussen de nazi’s en de bolsjewieken. Misschien was inderdaad het idee van appeasement over hem vaardig, een mogelijkheid die de Engelse historicus Richard Pipes eens onder woorden heeft gebracht: «Appeasement betekent toegeven aan de eisen van dictators in het geloof dat, als deze eisen zijn bevredigd, de dictators wel zouden kalmeren en tot goede leden van de internationale gemeenschap zouden worden.» Pipes dacht dat de «appeasers» door hun eenzijdige vorming en levenservaring niet in staat waren het zichzelf vernietigende nihilisme te onderkennen dat inherent is aan de totalitaire psyche. Dit onvermogen blijkt uit een opmerking van Chamberlain, nadat hij de overeenkomst met Hitler had gesloten: «Ik vertrouw Hitler.» Het was nota bene de Tsjecho-Slowaakse gezant in Loden, Jan Masaryk, die op dat tactvolle zinnetje werd getrakteerd.

Wij kennen niet de overwegingen en taxaties die ten slotte de oorlogsverklaring aan Duitsland hebben ingegeven. Achteraf kan men constateren dat de onderneming op een nogal wankele basis rustte. De misrekeningen waren evident. De leiders van de twee mogendheden hebben de kracht van de nazi’s onderschat en de eigen kracht schromelijk overschat. Over de ommekeer in de Britse politiek na de inval van Duitsland in Polen schreef Churchill: «De geschiedenis, waarvan ons wordt verteld dat zij hoofdzakelijk het relaas is van misdaden, dwaasheden en misère van het mensdom, mag er uit en te na op worden nagezocht om een parallel te vinden met de plotselinge en totale politieke ommekeer, zoals die van vijf, zes jaar gemakzuchtige, toegeeflijke appeasement en dan, haast van de ene op de andere dag, de bereidheid een duidelijk dreigende oorlog te aanvaarden op de grootst denkbare schaal, en onder de slechtst denkbare omstandigheden.»

De huidige bewonderaars van die oorlogsverklaring en van alles wat daarop volgde zijn ervan overtuigd dat het nobele motieven zijn geweest die de twee landen in oorlog met nazi-Duitsland hebben gebracht: humaniteit, afkeer van dictatuur en van barbarij, een verfijnde culturele habitus. Wie zich wat grondiger met de periode 1933-1939 bezighoudt komt stellig tot andere conclusies. Het waren niet de concentratiekampen, niet de jodenvervolgingen, niet het agressieve gebral van Hitler waar de verantwoordelijke politici een einde aan wilden maken. Het was het gevaar van de verstoring van het machtsevenwicht dat hen tot actie bracht.

Zolang de fascisten in Europa geen bedreiging vormden voor dat machtsevenwicht lieten de democratieën ze begaan. Er waren militaire en fascistische dictaturen in Italië, Spanje, Portugal, Griekenland, Bulgarije, Roemenië, Hongarije en Polen en zij vervolgden, martelden en vermoordden op grote schaal politieke tegenstanders. Maar de democratische regeringen bekommerden zich daar nauwelijks om. Groot-Brittannië, Frankrijk, België en Nederland waren koloniale rijken en dat wilden ze blijven. Daarop waren hun politieke beginselen afgestemd.

Het was op grond van die beginselen dat zij begrip toonden voor Mussolini’s verovering van Abessinië en dat zij Hitler in openlijke of bedekte termen aanspoorden de Sovjet-Unie te lijf te gaan.

Churchill wilde niet iets wezenlijk anders dan Chamberlain en de zijnen. Hij wilde het behoud van het Britse imperium en de Britse macht en wel het liefst zonder oorlog. Hij was er echter van overtuigd dat Chamberlains politiek dat doel slecht diende. Het was niet zíjn beslissing geweest Duitsland de oorlog te verklaren. Maar hij was bereid de verantwoordelijkheid voor de uitvoering te aanvaarden «onder de slechtst denkbare omstandigheden».

Wij beseffen nog te weinig dat zeer belangrijke politieke beslissingen in den blinde worden genomen. Hoe grondig de extrapolaties ook zijn, zij beschermen niet tegen misrekeningen. Voor problemen geplaatst kunnen staatslieden tussen verschillende mogelijkheden van handelen of niet-handelen kiezen. De appeasement-politiek geschiedde evenzeer op de tast als het besluit om Duitsland de oorlog te verklaren. Niemand in Groot-Brittannië en Frankrijk die bij de beslissing tot oorlog betrokken was (de hoge militairen incluis) heeft er ook maar een vaag idee van gehad waaraan men was begonnen.

Achteraf weten wij dat de Tweede Wereldoorlog meer dan dertig miljoen mensenlevens heeft gekost en dat tachtig procent van het Europese jodendom werd uitgemoord. Het is een interessante, maar niet te beantwoorden vraag of de verantwoordelijken het besluit tot oorlog ook hadden genomen als zij helderziend waren geweest en de omvang van de mogelijke offers hun in concrete cijfers was geopenbaard. Zouden zij dan toch niet voor een voortzetting van een appeasement-politiek hebben gekozen? Waartoe had die kunnen leiden?

Men kan er slechts over fantaseren hoe de ontwikkeling in Europa dan was geweest. Er was geen oorlog geweest in het Westen. De nazi’s waren in eerste instantie uit op Lebensraum in het Oosten. Zij hadden daar ongetwijfeld wild huisgehouden. Hoogst waarschijnlijk was Hitler ook zonder engagement in het Westen in Rusland vastgelopen. Het was immers op de oneindige, winterse steppen dat de nazi’s in de jaren ’42-’43 hun grootste nederlagen leden. Laat ons aannemen dat nazi-Duitsland niet was ineengestort, maar op het nippertje vrede met de Sovjet-Unie had gesloten. Het was dan een verzwakt Duitsland geweest dat zich na die oorlog op de been had gehouden. Intussen zouden de westerse democratieën de kans hebben gegrepen zich grondig en superieur te bewapenen.

Wat voor «gedachtegoed» de nazaten van Hitler ook hadden geërfd, ze zouden binnen twee decennia de noodzaak van samenwerking met het Westen hebben gevoeld. Ongetwijfeld waren er in Duitsland al eerder stromingen manifest geworden die op hervormingen en humanitaire aanpassingen aan de «beschaafde wereld» hadden aangedrongen. Is het boud aan te nemen dat na de dood van Hitler en de daarop volgende strijd om de opvolging, de grondslagen van het Duitse politieke bestel al snel modificaties hadden ondergaan? Die verwachting vindt steun in het feit dat geen enkel totalitair bewind in Europa de dood van de dictator lang heeft overleefd.

Misschien had het nazi-gepeupel nog een tijdje parades kunnen houden en de nederlagen als overwinningen kunnen bezingen. Maar alle bondgenoten hadden zich geleidelijk van Duitsland afgewend en de Duitse nationalisten hadden onvermijdelijk naar een nieuwe dolkstootlegende moeten omzien. Resumerend is er veel reden om te veronderstellen dat de opkomst en neergang van de nazi-heerschappij in zo’n scenario minder slachtoffers had gekost dan de Tweede Wereldoorlog werkelijk heeft gebracht. Natuurlijk, dit is niet meer dan een hypothese. Het zou op bepaalde punten wat anders hebben kunnen lopen, maar dat de nationaal-socialistische ideologie ooit de overmacht in de wereld zou hebben veroverd, is niet aan te nemen.

Er was in de jaren dertig in West-Europa een grote antifascistische beweging die aandrong op een militant optreden tegen Hitler-Duitsland. Het is niet verwonderlijk dat het joodse element binnen deze beweging significant was. Uit lichtvaardig optimisme juichte het gros van de West-Europese joden toen Groot-Brittannië en Frankrijk Duitsland de oorlog verklaarden. Ook de joden waren niet helderziend, anders hadden zij geweten dat bij behoud van de vrede in West-Europa de miljoen joden in het Westen de nazi-epoche in zijn geheel hadden kunnen overleven. Van de ruim vijfhonderdduizend Duitse joden was tussen 1933 en 1939 niet minder dan 75 procent naar het Westen uitgeweken en velen van hen waren de oceaan overgestoken. De joden in Oost-Europa zaten in de val en als Hitler — ook onder de hier aangevoerde omstandigheden — de Endlösung ten uitvoer had willen brengen, had niemand hen kunnen helpen. Hoewel, misschien zouden in dat geval protesten van het Westen toch wel van enige invloed hebben kunnen zijn.

Uit joods oogpunt kan de Tweede Wereldoorlog niet anders dan als een catastrofe worden beschouwd. Het is mogelijk dat de bombardementen op Duitse steden, die honderdduizenden Duitse burgers het leven hebben gekost, de haatgevoelens van de weinige overlevenden van de holocaust enigermate bevredigen, maar zij bedriegen zichzelf en anderen als zij beweren dat ze hun overleven hebben te danken aan die bommen. Wellicht gaan zij gebukt onder een syndroom dat hen vervult van verwarde ideeën over het nut van oorlog en geweld. Een aanwijzing voor deze mogelijkheid biedt de huidige politiek van Israël.

Hoe het ook zij, het was onverantwoordelijk en zelfs banaal om in het genoemde televisieprogramma dit soort waanideeën aan te voeren als argument om de Navo-bombardementen op Servië te rechtvaardigen; een actie die de betrokken volkeren even weinig humanitaire verlichting heeft gebracht als de Tweede Wereldoorlog de joden.

Om terug te keren naar het heden: als de oorlog tegen Irak is gestreden, duizenden Irakezen het leven hebben verloren, Saddam Hoessein een paar jaar eerder dan door een natuurlijk einde met het hellevuur kennis heeft gemaakt en andere oosterse despoten de macht hebben gegrepen, hoeveel veiliger, socialer en beschaafder zal onze wereld dan zijn?

Moeten wij dan niets doen? zullen sommigen zich misschien afvragen. Het antwoord zou moeten luiden: er valt heel veel te doen, maar voordat we iets ondernemen, is het wel zaak ons er nauwkeuriger rekenschap van te geven wat wij willen en kunnen bereiken. Het had verstandiger gekund in de jaren dertig, toen Hitlers barbarij een aanvang nam. Het had verstandiger gekund in de jaren negentig in Joegoslavië en het kan ook verstandiger in het Midden-Oosten anno 2002.