Perquin

Weten

Hoe zat het ook al weer, statistisch gezien? Eén op de dertig kinderen? Meer dan één? Ik moet er soms ongewild aan denken wanneer ik op het schoolplein sta, tussen de andere ouders. Al die mensen die je, dag in, dag uit, vriendelijk groet. Al die handen die tekeningen aannemen, neusjes afvegen en veters strikken - onschuldige handen. Denk je. Maar je weet het niet. Hij daar, bijvoorbeeld, die man met die lange jas en die norse uitdrukking. Die heeft nu al drie keer op zijn horloge gekeken. Hij wiebelt op zijn hakken. Een ongeduldige vader, misschien. Kort lontje. En zij daar, die vrouw met die volgeladen boodschappentas en dat slap neerhangende haar. Die blijft naar de grond staren, alsof ze hier liever niet zou zijn. Een sluimerende depressie? En dan heb je ook nog die oudere heer daar, met dat bruine colbertje en die waterige blik, die net iets te vaak een voorbijlopend kind over de bol aait. Je weet het niet.
Maar toch. Op televisie verschijnen met enige regelmaat mensen die jarenlang naast een moordenaar hebben gewoond. ‘We hadden geen idee’, zeggen ze altijd. 'Het was een hele normale man. Hij groette ons altijd zo vriendelijk.’ Ook een keer gehoord: 'Hij heeft in de vakantie nog voor de planten gezorgd.’ Ik vraag me altijd af hoe het na de mediastorm verdergaat met zulke mensen. Tenslotte is er iets fundamenteel aan het wankelen gebracht, lijkt mij. Als je die vriendelijke buurman niet meer kunt vertrouwen, wie dan nog wel?
Toch zijn andere, minder naïeve verklaringen nauwelijks denkbaar. Stel je voor dat je iemand op televisie hoort zeggen: 'We hadden het eigenlijk wel direct in de gaten, hè? Ze zwaaide ook nooit. En toen we vroegen of ze de kat een keertje te eten kon geven, gaf ze niet eens antwoord. Ja, ik weet nog dat ik dacht: daar kunnen best wat lijken in de vriezer liggen. Nou, daar heb ik mooi gelijk in gehad.’ Nee, dan toch liever de twijfel. Dan liever een schoolplein vol onschuldige ouders. Doodgewone mensen die elkaar, dag in dag uit, vriendelijk groeten.