Het loon van de angst (3): Complottheorieën

Weten hoe het zit

Corona heeft een flinke impuls gegeven aan het aloude verschijnsel complotdenken. Geef op de onoverzichtelijke brij van feiten één antwoord, en alle onzekerheid is voorbij.

De mij onbekende man keek me vorsend aan: was ik een gelijkgestemde of zou ik hem om zijn denkbeelden veroordelen? Het was een bikkelkoude decembernamiddag in Amsterdam-Noord, de wind jakkerde over een vrijwel verlaten winkelplein. De man droeg een zwarte muts met de tekst ‘NYC’ erop, een dikke fleecetrui onder een windjekker, merkloze sportschoenen. Zijn ogen, helblauw, speurden de mijne af. Met een hoofdknikje wees hij richting een stel agenten dat de supermarkt naast ons was binnengegaan om een bloemetje uit te zoeken en schudde het hoofd. ‘Het is toch ongelooflijk? Die lui voeren nooit iets uit, maar o wee als je je muilkorf niet draagt, dan springen ze met z’n vijven op je.’ Vandaag nog had hij een filmpje gezien waarop een tachtiger die in Den Helder was vergeten zijn mondmasker op te zetten, onmiddellijk in de kraag werd gevat.

Ik zei dat het een schande was, iets wat ik nu eenmaal graag zeg. Dat woord beslechtte het aftastende gesprek; binnen de kortste keren werkte hij een soort complotbingo af; hij verklaarde dat corona niets meer was dan een gemanipuleerde griep ‘maar dan in een ander jasje’, door Bill Gates en zijn zogenaamde liefdadigheidsinstellingen gefabriceerd om Trump de wind uit de zeilen te halen, het was een hoax die weer deel was van de great reset, het grootse plan van de wereldwijde elites om een groene omslag te forceren, in werkelijkheid waren de ic-afdelingen in de ziekenhuizen ‘hartstikke leeg’. Hoewel ik hem, uit nieuwsgierigheid naar het volgende onderdeel van zijn litanie, nog geen weerwoord had gegeven, kon ik nu niet anders. Ik zei dat grootse plan omslachtig te vinden, dat gezien het competentieniveau van de gemiddelde mens ook nog eens moeilijk haalbaar zou zijn. ‘Goed, hou je van den domme’, antwoordde hij, ‘we zullen zien wie gelijk krijgt.’ We wensten elkaar een goede Kerst en gingen ons weegs.

Enkele jaren geleden zou ik zo’n ontmoeting mentaal misschien hebben gearchiveerd onder het kopje ‘random weirdness’. In het oude Rome roddelde men over Nero, of hij de grote brand niet zelf had aangestoken. Was de pest een toevallige ziekte geweest, of heel misschien toch het werk van joden? Sommige Engelsen geloofden dat Queen Elizabeth I, de Virgin Queen, geen potentiële vrijer dichtbij liet komen omdat ze eigenlijk een man was; haar vader, King Henry VIII, zou zijn door de pest gestorven dochter hebben vervangen door een knul uit het stadje Bisly. Wat dichter bij huis herinner ik me vooral de complottheorieën over de moord op Pim Fortuyn; bnn zond destijds een volledige complotdocumentaire uit waarin werd geïnsinueerd dat Van der Graaf allerminst een lone wolf was, en waaruit volgens de zender bleek dat er ‘nog verdacht veel losse eindjes’ rond deze politieke moord te vinden waren.

Maar 2020 markeerde een fundamentele verandering in onze verhouding tot complotdenken. Alternatieve verklaringen die voorheen zonder meer als radicaal bestempeld zouden zijn, van Lange Frans tot Forum voor Democratie en van Doutzen tot Donald, zijn tot op zekere hoogte normaal geworden. In de verspreiding van deze denkbeelden hebben de sociale media met hun vernuftige algoritmes zonder twijfel als ‘blaasbalg’ gediend, vatte de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (nctv) Pieter-Jaap Aalbersberg samen. Arjen Lubach gebruikte liever het wat vage neologisme ‘fabeltjesfuik’ om hetzelfde mee aan te duiden: algoritmes werken tunnelvisie sterk in de hand, zozeer zelfs dat een medium als YouTube tot een ongekende versnelling heeft geleid van zowel de radicalisering van zijn gebruikers als van de verspreiding van hun ideeën.

Waar klassieke complottheorieën hun kracht grotendeels ontleenden aan logica, argumentatie en eigen onderzoek, ontleent modern complotdenken zijn kracht aan herhaling, toonden Russell Muirhead en Nancy L. Rosenblum in 2020 aan in hun heldere schets van het moderne complotdenken (A Lot of People are Saying: The New Conspiracism and the Assault on Democracy). Terwijl u dit leest worden tienduizenden complotmemes gemaakt, verspreid, geëchood, gepersifleerd, herhaald, geliket en gedeeld. Daarnaast maakt de snelheid van het internet het vrijwel onmogelijk om complotdenken in te halen met gefactcheckte feiten. Het is niet verwonderlijk dat mensen, juist in een tijd waarin ze worden aangemoedigd om fysieke afstand tot elkaar te bewaren en zo min mogelijk naar buiten te gaan, massaal in het digitale rabbit hole vallen.

Maar de verandering van 2020 gaat dieper dan technologie. ‘Corona is een soort contrastvloeistof die in de samenleving is gespoten’, zei Aalbersberg onlangs in het Algemeen Dagblad. ‘Wat het doet oplichten, is niet nieuw. We hadden al mensen die in complotten geloven. Die de overheid wantrouwen. Alleen door corona hebben mensen elkaar gevonden.’ Als belangrijkste oorzaak voor de populariteit van complotdenken noemt Aalbersberg de ontvankelijkheid van verwarde of geïsoleerde mensen, die zich graag aansluiten bij een groep mensen die antwoorden hebben. Ik zou pleiten voor een andere term: angst.

Een van de interessantste onderzoekers op het gebied van complottheorieën is de Amerikaanse historicus Peter Knight, die in februari 2020 Handbook of Conspiracy Theories publiceerde: de kroon op ruim twintig jaar complotonderzoek. Veel van zijn aandacht gaat niet uit naar de precieze inhoud van complotten, maar naar de functie die zij vervullen, als ‘symbolen voor breder gedragen angsten die tijdens periodes van beproevingen in de samenleving leven’, zoals hij zelf in 2003 schreef. Een van Knights belangrijkste bevindingen: de opleving van complotdenken valt niet los te zien van massaal gedeelde onzekerheid, machteloosheid en angst. Steeds meer mensen in de westerse wereld hebben het gevoel dat ze hun autonomie aan het kwijtraken zijn aan schijnbaar zelfstandig opererende en anonieme structuren, signaleert hij.

Massaal hebben mensen het gevoel dat ze weinig greep hebben op hun leven, iets wat in economische zin nog realiteit is ook, en misschien in politieke zin evenzeer, gezien de gestage machtsverschuiving naar Brussel. Uit een recent onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat 49 procent van de Nederlanders vindt dat we te veel macht aan Europa hebben overgedragen; die groep is dubbel zo groot als de groep die deze mening niet is toegedaan. Het idee dat een ‘clubje ver weg’ dat niet bepaald bekendstaat om zijn transparantie vergaande invloed heeft op onze rechten, is natuurlijk koren op de molen van complotdenkers.

Door te geloven in één concrete bedreiging vrijwaren we ons van al te abstracte angsten

Filosofen uit de jaren vijftig en zestig zagen soortgelijke vereenzamende tendensen al in een vroeg stadium: Herbert Marcuse en Theodor Adorno waarschuwden voor naderende vervreemding, de socioloog Émile Durkheim gebruikte liever de term ‘anomie’ om onze staat van losgezongenheid mee te duiden. Vervreemding, onverbondenheid, anomie, angstigheid, volgens mij zijn het typeringen van eenzelfde kwetsbare en vereenzaamde staat van zijn, die leidt tot een lage sense of control. Dit verklaart meteen de relatieve vatbaarheid van mensen met een lage sociaal-economische status of een laag opleidingsniveau voor complotdenken; zij voelen zich het meest buitengesloten, hun sense of control is het laagst.

En toen kwam ook nog dat virus, en het feit dat we voor verlichting daarvan afhankelijk waren en zijn van een select groepje wetenschappers en specialisten – is het dan echt verwonderlijk dat mensen op zoek zijn gegaan naar een allesomvattende verklaring, naar een verhaal dat hun houvast geeft?

Want dat is natuurlijk de grote kracht van het complotdenken: uit de onoverzichtelijke brij van feiten, verklaringen en toevalligheden verheft het één antwoord, dat op elke vraag toepasbaar is. Het resultaat is een narratief waarin geen enkele plek meer is voor twijfel, en die vanwege de onfalsifieerbaarheid ervan in staat is elke tegenwerping te absorberen. Juist vanwege de epistemologische zwakte ervan, biedt complotdenken een ongekend krachtig model, dat ons voor even bevrijdt van onzekerheid.

Het loon van de angst

In De bange mens gaat Daan Heerma van Voss in op de angst-vragen die hem al jaren bezighouden: is angst erfelijk? Is het legitiem dat angst tegenwoordig een geestelijke aandoening heet te zijn? Zijn we metterjaren angstiger geworden of lijkt dat maar zo? De bange mens verschijnt in april bij uitgeverij Atlas Contact. In De Groene zal Heerma van Voss, onder het vaandel Het loon van de angst, zijn onderzoek maandelijks voortzetten.

Enkele maanden geleden publiceerden de UvA-wetenschappers Agneta Fischer en David Abadi de eerste resultaten van hun internationaal vergelijkende onderzoek naar de impact van collectieve angst gedurende de pandemie (het onderzoek moet nog peer reviewed worden). De landen die werden onderzocht waren Duitsland, Nederland, Spanje en het VK.

Fischer en Abadi deden een opmerkelijke ontdekking: waar je misschien zou verwachten dat een complotdenker angstiger is dan de gemiddelde mens (ze geloven immers in een wereld vol onzichtbare en dikwijls snode netwerken en machtsstructuren) was het feitelijk andersom. Complotdenkers bleken relatief mínder angstig te zijn, wat volgens de onderzoekers wellicht samenhing met hun ‘geloof in verborgen motieven van politici en geheime organisaties’; het idee kortom, dat zij ten minste enige mate van controle over hun leven hadden, juist doordat ze doorzagen hoe het ‘echt zat’. Voor de nauwkeurigheid moeten in dezen twee soorten angst worden onderscheiden die door toedoen van corona zijn toegenomen: een algemene, min of meer objectloze maar constante angstigheid en een gerichte vrees, in dit geval voor het virus. Beide subcategorieën worden doorgaans tot ‘angst’ gerekend.

Fischer en Abadi veronderstellen dat complotdenken mensen de mogelijkheid biedt om emoties zoals angst te reguleren, al zeggen ze erbij dat dit (nog) niet is bewezen. De twee manieren waarop complotdenken ons angstniveau zou verlagen: het zou ons in staat stellen om naar hartenlust de overheid te bekritiseren, wat ons weer enig gevoel van controle zou opleveren, en het zou ons in staat stellen een zogenaamde ‘cognitieve herevaluatie’ toe te passen; om de wereld als minder dreigend te beschouwen dan we normaliter zouden doen. Je zou kunnen denken: een wereld vol pedofiele complotten is toch dreigender dan de onze? Wellicht, maar volgens mij is het minder zwart-wit. Door te geloven in één concrete bedreiging (de complotten) vrijwaren we ons van al te abstracte angsten, die zich aan om het even welke aanleiding kunnen hechten, en dus per saldo ontwrichtender zijn.

Toen Nederland in 2002, na de moord op Fortuyn, kennismaakte met een alarmerende toename van complottheorieën, schreef essayist Henk Hofland dat de kwaliteit van het complot wordt bepaald door de ‘domste deelnemer’. ‘Er is er altijd wel één die het niet goed heeft begrepen, of spijt krijgt, of zijn gewicht als samenzweerder aan het publiek wil meedelen. Het kan lang duren, maar daarmee stort het complot in.’ Het zegt genoeg dat zelfs Hofland, onze grote lichter van tegels, zich op dit gebied volstrekt heeft misrekend; zijn hoop op de natuurlijke ineenstorting van complottheorieën is ijdel gebleken. Inmiddels weten we dat de kwaliteit (of eigenlijk overtuigingswaarde) van het complot niet wordt bepaald door de domste deelnemer, maar door het aantal believers. En in angstige tijden neemt dat aantal toe.

Een van die mensen is de man die ik tegen het lijf liep in Amsterdam-Noord, met zijn windjekker en zijn zwarte muts, met zijn helblauwe ogen. Gisteren ging ik weer naar die supermarkt, misschien zou ik hem nog een keer tegenkomen. Waarom weet ik niet precies. Misschien om hem te vertellen dat hij de aanleiding is geweest voor een essay, in een weekblad dat hij vermoedelijk voor geen cent vertrouwt.