Weten wat komen gaat

‘Toch nog onverwacht’, tekst uit rouwadvertenties, kwam bij me op toen het schot viel in Pieter Verhoeffs De langste reis.

De uitdrukking zegt in het algemeen meer over onze psyche dan over moment en manier waarop de dood intreedt. Wakend bij iemand die wachtte op een gewenste dood wist ik uiteraard dat het eind zou komen, zij het niet precies wanneer. Toen het moment daar was, was ik toch verbaasd.
In het geval van de film bedoel ik die zinsnede als compliment. Het is ‘maar’ film, dus afweer- of verdringingsmechanismen hoeven bij de kijker niet op te treden, zeker niet omdat die weet op welke ware gebeurtenissen de film is gebaseerd en dus hoe de afloop is.
Behalve wanneer het een goede film is. Dan wordt de buitenkant van de historische gebeurtenis voorzien van een binnenkant, van levensgeschiedenissen, karakters, motieven, gevoelens; dan treedt er een zekere mate van identificatie op en gaat de geest, afgeleid, werken als in het 'echte leven’. En verdrong ik kennelijk de onvermijdelijke dood.
Over die identificatie verbaas ik me eigenlijk. Ontvoerder noch ontvoerde zijn typen met wie ik wat heb. Ze worden door Van Beijnum en Verhoeff ook niet sympathieker gemaakt dan ze zijn. We volgen een schaakpartij met ongelijke kansen, maar toch een partij. Natuurlijk is er terecht mededogen met het slachtoffer, maar daarnaast ontwikkelt de kijker zich tot iets tussen psycholoog en advocaat in: de eerste tracht 'objectief’ te doorgronden, de tweede verafschuwt de daad, maar moet argumenten zetten tegenover die van de aanklager. Zeer weinig dialoog, daarvan weer weinig exposé, incidenteel knappe verhelderende zinnen zoals de passage van de dader over gevoel en verstand daargelaten. Haast alles moet komen van het beeld.
Overigens had ik geen enkele behoefte de film te zien. Ik lees geen detectives en thrillers, zie geen misdaadfilms. Maar de zelfopgelegde plicht Nederlands drama te volgen en de wens Verhoeffs Verzameld Werk bij te houden gaven de doorslag.
Gelukkig. Scène: ontvoerde krijgt bevel op boomstam te gaan zitten, pakt witte zakdoek en probeert daarmee de stam 'schoon’ te slaan. Het typeert hem en tegelijk krijgt het gebaar iets buitengewoon pijnlijks doordat we weten wat komen gaat. Maar ook zegt het misschien iets over hoe we leven: zeker van een dood die we tegelijk ontkennen. Verhoeffs Verzameld Werk telt weer een deel meer. Van hoog niveau, zoals het sinds Rudi Schokker huilt niet meer trouwens nooit mis is gegaan.
En ik dacht terug aan die dagen tussen Kerst en Oudjaar. We waren in een hotel buiten Lochem dat de jaren vijftig geheel terug deed keren. Het was windstil en ook overdag leek het of het nooit licht werd. Op onze kamer zagen we de persconferentie na het vinden van Heijn. En de bijeenkomst bij het overlijden van Den Uyl. 'Alsof het nooit meer lente zou worden; zoveel blad is gevallen.’ (Haiku van Ryòta, 18e eeuw.)