Kerstverhaal

Weten wie het zegt

‘Dus als ik het goed begrijp is het zoek?’ Het is december en ik telefoneer met mijn moeder. Ze zucht. ‘Lieverd, ik heb dat bandje in geen eeuwen gezien. Het zit niet in de la van het kleine bureau boven, waar het ooit lag, dus dan weet ik het ook niet.’ Zonder sentimenteel te willen doen begin ik toch zenuwachtig te worden. Het is een cassettebandje met in blokletters erop: ‘Inzending VARA kerstverhaal concours ’93’. Het is zijn handschrift en op het bandje is zijn stem te horen. Daar gaat het nu niet om. Het gaat om wat erop staat. ‘Maar ik dacht eigenlijk dat het bij jou was. Je hebt het toch ooit omgezet naar cd of iets dergelijks?’ Dat wilde ik inderdaad en dat heb ik toen niet gedaan. ‘Ja.’ Zeg ik. Het gewicht ervan wordt kort waarneembaar. En daarmee meteen de angst dat het niet zwaar genoeg weegt. Maar dat is misschien de manier waarop je je liefde voor de doden betuigt. Met schuldgevoel bedoel ik, over dat je zonder ze kunt leven. We akkeren door over iets anders. Ik hang op. Rommel nog maar eens onsystematisch door alle mogelijke dozen en bakjes en mappen in de werkkamer. Ik vind van alles, waaronder een prehistorische rol Italiano’s – die smaken nog prima – en een naaktfoto van een ex-geliefde. Maar niet het bandje met het kerstverhaal van mijn vader. Op het bureau staat vast een geleende cassetterecorder klaar. Het is december, ik heb nood aan een kerstverhaal. Het kan toch mooi zijn om het straks voor te lezen tussen de gangen van het familiediner? Waar héb ik dat ding?

Ik hou van repeteren, dus ik stel me voor dat ik het vind. Gewoon waar ik het voor het laatst zag, in een kartonnen doos achter de bank in de werkkamer. Ik vis het eruit en luister het kerstverhaal aan het bureau. Ik maak aantekeningen. Ik speel terug en luister het nog een keer, verrast. Dan stel ik me voor dat ik eruitzie als Krapp uit Samuel Becketts toneelstuk Krapp’s Last Tape. In de toneeltekst voor één acteur zit een oude man in fel wit licht aan een bureautafel en luistert hij een bandje af, waarop hijzelf te horen is. Hij is op zoek naar iets, op dat bandje. En hij heeft er nog veel meer liggen. Ook zoekt hij in de lades van het bureau. Wát wordt nooit helemaal duidelijk. De ruimte om hem heen is aardedonker. Soms verdwijnt hij in dat donker, dan hoor je hem stommelen. Gaandeweg begrijp je dat het zijn verjaardag is. En dat op de bandjes eerdere verjaardagen zijn vastgelegd. Je hoort hem vertellen over het jaar, over wat erin voorviel. Dáár luistert hij naar, soms met onverholen afgrijzen, soms mild. Hij is de archivaris van het leven dat achter hem ligt. De flarden die we te horen krijgen roepen nogal hartbrekende beelden op van liefde die verloren is gegaan. Hij herbeleeft het alsof het nog altijd bezig is. Wat in zekere zin natuurlijk waar is. En er is het beeld van een openbaring, die hij ooit had op een pier in het holst van de nacht. Onder een stormende hemel en een jagende vuurtoren werd het hem ineens duidelijk. Wat het is blijft ook hier ongewis.

Terwijl ik het bandje niet vind plak ik wat ik wel heb gevonden, de naaktfoto van de ex-geliefde, aan de muur bij het bureau. Het is wat onwillig, dit weerzien, of omzien eerder. Alsof ik mijn hoofd niet helemaal wil draaien. December vraagt dat tenslotte de hele tijd van je, omzien bedoel ik. Inzicht in het jaar dat achter je ligt. Er zijn mensen die jaaroverzichten maken, familiebrieven schrijven. Ik ben er niet tegen, vóór zelfs. Het is alleen, je moet het omzien wel een beetje in de hand houden. Voorzichtig ook dat het nu niet te veel meekleurt. Ik kijk naar de foto. Het is niet precies frontaal naakt, en hij heeft zijn gezicht afgewend. Je ziet zijn heup, zijn flank en zijn hand er zo los boven hangen. Het was in mei, we zwommen aan de Weesperzijde – als we opdrogen geeft hij me deze foto. Wie doet dat nu, een tastbare foto? Hij is trots, verwachtingsvol. Misschien, alsof ik hem kan ‘ontdekken’. Het verlangen ontdekt te worden ontroert en meteen daarna de schrik om het hart. Hij zal toch wel weten dat mijn macht niet verder reikt dan de hoek van de straat?

Het is te laat. Ik draai me helemaal om. Bij een vriend thuis tref ik hem voor het eerst op de grond bij de platenspeler, als ik langsloop laat hij zich languit achterover vallen om onder mijn rokje te kunnen kijken. Daar moet ik om lachen. Later zijn we op een festival en belanden we in een schuimfeest. Hij geeft zich daar gillend van plezier aan over. We zoenen. De nacht daarop verschijnt hij met een haag van ballonnen die over is van een theaterproductie voor mijn huis. Hij klimt tegen de regenpijp op en balanceert in de vensterbank van mijn slaapkamerraam. Ik laat hem binnen. Al was het maar omdat hij nog dood zou vallen. Hij trekt de hele ballonnenhaag mee de slaapkamer in via het raam. Weer later ontfutselt-ie een vriendin de extra sleutel van mijn huis en laat een jungle kamerbreed op een slaapkamerwand schilderen. Nog weer later liggen we naast elkaar op onze rug onder de muurschildering, zijn kogelronde pupillen, die van mij. Er schiet iets weg over mijn borstkas, de zwaarte? Hoewel dat ook te moeilijk klinkt. Het ís steeds simpel. We praten zoals je kunt praten als er mdma-kristallen bij worden opgelost. We hebben elkaar zo nodig. Mensen hebben elkaar zo nodig. Zo nodig, zo nodig. De high ebt weg, het wordt licht, we eten roereieren. Ik moet ook nodig aan het werk. Nee, dan kan ik niet en dan kan ik ook niet. Nee. Dat zou wel leuk zijn ja, maar dan werk ik.

Ik knipper met mijn ogen en kijk naar de cassetterecorder op het bureau. Toen Beckett zijn toneelstuk schreef was de techniek net nieuw, schreeuwend modern. Alsof hij een man op scène zette in gesprek met een hologram van zichzelf. Het gesprek dat je met jezelf voert schijnt te beginnen rond je zevende levensjaar. Je komt als het ware buiten jezelf terecht. Je leeft en tegelijk zie je jezelf leven. Wat reflectie mogelijk maakt. Ik sta op en schuif in één beweging een kartonnen doos achter de bank vandaan. Tast onder een notitieblok, prik me aan een openliggend naaisetje en trek een envelop van onderop naar boven. Ik schud hem leeg en de cassette met ‘Inzending VARA kerstverhaalconcours ’93’ erop glijdt er zo uit tevoorschijn. Lekker dan. Nooit kwijt geweest. Je zou wat minder bloemrijk kunnen zwetsen en gewoon dat verhaal kunnen luisteren. Je zoekt toch een kerstverhaal. Ik weet niet wie dit zegt. Ik ook niet. Het is belangrijk om het niet belangrijk te maken. Beter werktuigelijk. Een verhaal voor tussen de gangen van het kerstdiner, meer is het niet. Dus daar gaat het bandje in het apparaat, eindelijk. Ik zit ermee te hannesen, weet niet meteen hoe om hij moet. Er klinkt muziek alsof het onder water afgespeeld wordt. Omdraaien dus, playknop weer aan, zacht geruis. Dat was ik vergeten, hoeveel stilte je hoort op een bandje. Dan nog geritsel van blaadjes, een onduidelijke tik en het begint.

‘Met de kerst werd het duidelijk. Ik moest iets anders bedenken. Niemand had het risico willen nemen niet op de uitnodiging in te gaan. De lichtstad, Eiffeltoren, 24 december 22:45. “Uw aanwezigheid bij het Geheimste Overleg ooit, is dringend gewenst.” Hoe dood ze ook waren, ook in het hiernamaals won de nieuwsgierigheid het van de vrees. Onassis was er uiteraard. Albert Schweitzer rechts van hem. Daarnaast Karl Marx. Dan Nikita Chroesjtsjov. Sigmund Freud. Machiavelli. John Kennedy. Leonardo da Vinci. James Bond. Darwin. Noach, Ben-Gurion en Johannes de 23ste. Ze wachtten af, weinig op hun gemak.’

Hij lijkt me verkouden. Of nee. Eigenlijk herken ik de stem helemaal niet. Het is 25 jaar geleden dat ik de stem voor het laatst hoorde, dus gek is dat niet. Zijn dictie is heel precies, ik hoor iedere N en iedere R. Dat het gedateerd is kwelt. Het begin herinner ik me. Hij voert een leger dode mannen op in wie met wat puzzelen zijn vrienden te herkennen zijn. Het is natuurlijk geschreven voor de drankovergoten lezingenavonden die ze hielden. Daarna heeft hij het ingestuurd. Het komt terug, alsof het omzien aan scherptediepte wint naarmate je het langer doet. De mengeling van trots en gêne bij de derde prijs die het won. Waren het woordenboeken? Ja, in ieder geval een enorme Webster’s, die staat hier in de kast. En dan alsof het restdata zijn, komt er een beeld mee. Hij staat in de kamer in clownskostuum, op grote flappende schoenen met een plastic bloem in zijn hand. Hij flappert traag een rondje om zijn as en zwaait.

Afsluitdijk, boerderijen flitsen langs, kop-hals-romp weet hij te vertellen. Omdat de vorm ervan doet denken aan een liggende koe

Hij is terug van repeteren in café De Vriendschap. Nut en Genoegen speelt Saltimbank van Heijermans. Hij is clown Joe. Zijn snor moest eraf voor de rol. Hij staat in de kamer en heeft een raadsel. Of je jezelf op handen kunt dragen is de vraag. Nee, denk ik, dat kan niet, daar heb je de ander bij nodig. Wel als je op je handen loopt, dan draag je niemand anders, luidt de matige punchline van clown Joe. Ik schud mijn hoofd. Niet veel later in dat jaar sterft hij, als zichzelf op een vrijdagavond. Van het ene op het andere moment als hij een lamp uitdoet in de achterkamer. Even stil. Niet uit eerbied of voor effect. Ga je nu de stilte regisseren? Dit is míjn omzien. Ik schuif heen en weer op de bureaustoel. Ik leef.

Er steekt sneeuw op. Het veel jongere gezicht van de ex-geliefde en het mijne verschijnen in de achteruitkijkspiegel van de geleende Volvo station. De zomer waarin we zwemmen is winter geworden, net zo eenvoudig, we rijden de stad uit. Eerst nog onder wat vrolijke vlokjes, ik wat flets door het slaapgebrek. We zeggen ‘leuk, wie weet een witte kerst’. Eenmaal op de snelweg is er geen houden aan. Dichte wolken sneeuw blazen om de auto. We zien bijna niks, we turen op de weg. De lichten van de auto voor ons verdwijnen en verschijnen en verdwijnen weer. Dit is wel heel bar. Ik zoek naar een grapje, maar het breekt onderweg naar buiten. We kruipen over de A28 richting Groningen. Het komt goed. Hij komt er vandaan. Feitelijk rijdt hij naar huis. Hij lacht naar me, hij gaat dit oplossen. Stapvoets ploegen we door de witheid. Hij rijdt zoals de jongens uit het dorp vroeger. We luisteren wat we noemen terror house, het is feestcafémuziek met heel korte nummers. Er zit nog een beetje lichtgevende verf met glitter achter zijn oor. Wat ik kan zien omdat hij eindelijk weer op de weg let. Ik lach niet. Staar in de storm. En hoor een moeder van een schoolvriendinnetje: ‘Ben je nu weer stuurs? Het is veel moeilijker om weer goed te worden, blijf jij nou gewoon es goed.’ Ja, moeder van Rena Smit, maar wat ís goed en hoe blijf je het?

De cassetterecorder loopt. In het kerstverhaal komt een groepje dode mannen in de kerstnacht samen boven op de Eiffeltoren. Dit gebeurt op uitnodiging van een ik-figuur. De ik-figuur blijkt de Engel des Doods. Ik was het vergeten. Het probleem dat hij het gezelschap voorlegt: dat van de overbevolking. Het grote gebaar is het kerstverhaal van mijn vader niet vreemd. De Engel des Doods zegt tegen de mannen dat hij over een uur terugkomt voor een antwoord. Hij zou het graag opgelost zien, de overbevolking bedoel ik. Hij laat ze alleen en speculeert over hen. Freud zal iedereen in therapie willen nemen, Chroesjtsjov zal iets met voedsel willen proberen. James Bond zal China er hoe dan ook bij willen betrekken. Ik vraag me af of zijn overdreven dictie gespeeld is. Hoort het bij de rol van de Engel des Doods, vast een administratief precies iemand? Hoe dan ook. Beckett kan sowieso overboord. Die kan ik hier echt niet meer bij hebben. Niet zeuren. Ik weet niet wie dit zegt. Je bent zelf op zoek gegaan. Ja hallo, dat heet gewoon leven. Waarom is het allemaal zo fallisch ook? Ik loop weg om thee te zetten. Ik spoel het bandje terug en begin opnieuw. Luister een stukje, en zet het apparaat stil, schrijf mee. Spoel weer terug. De enige weg een verhaal uit, is door het verhaal heen, hoorde ik ergens.

Op de snelweg richting Groningen klaart het een beetje op. Sneeuw wordt natte sneeuw wordt regen. Er komt weer vaart in de wagen. We komen niet te laat, estimated time of arrival: precies op tijd. De ruimte vergroot zich, de leegte van het land wordt weer zichtbaar. Afsluitdijk, boerderijen flitsen langs, kop-hals-romp weet hij te vertellen. Omdat de vorm ervan doet denken aan een liggende koe. Hij zet de terror house af. Kijkt mijn kant op. Kijk nou op de weg. Of we er nog over moeten praten. Ik schud het hoofd. En hark wat aan mijn mouwen. In gedachten maak ik er een verhaal van, van ons twee, de geheimnis, de afgelopen week. Er heeft een omkering plaatsgevonden. Door een vreemde loop in de tijd is dit de toekomst. Ik schrijf hierover met geamuseerde distantie. Ik spring lukraak door alle tijden. Zaken komen in een ander licht te staan.

De ik-figuur aan de bureautafel is verhoogd alert, lijkt het nu een kort ogenblik of hetzelfde licht over alle tijden strijkt? Alsof ze kort in een gezamenlijk ritme vallen, samenvallen? De Engel des Doods leidt hoe dan ook zijn ontknoping in. Klokslag twaalf keert hij terug naar waar hij het groepje mannen heeft achtergelaten. Er is niemand te zien, het is er muisstil. Er lag een baby op een geïmproviseerd matrasje van stro. Pasgeboren, begreep ik nu wel. Het kind huilde niet. Het keek me alleen maar aan. Zonder, godbetert, met z’n ogen te knipperen.

Het is een vreemd, verstild einde, deze oplossing voor de overbevolking. Het komt zo snel en blijft zo onderbelicht. Heeft hij bedoeld te zeggen dat ieder probleem de oplossing in zich draagt? Of dat de wijze mannen meer dan in de dood in het leven geloven? Of stelt hij dat de terugkeer van de profeet een bloedbad zal worden? En is het nu wel of niet geschikt om voor te lezen tijdens het familiediner? Ik stel me de pittige kritiekpunten van tante Geertje voor, voorstander van het vrouwenquotum. Ik lees mijn aantekeningen terug, die buitelen over elkaar heen. Ik weet niet waar ik het zoeken moet. Ja hallo, dat heet gewoon leven.

Er gaat niks boven Groningen, zeggen we, als we de stad binnen rijden. De lucht is inmiddels blauw. Hij wijst gebouwen, plekken aan waar hij gewoond heeft of gewerkt. Hij vertelt over een incident met een mes door een brievenbus in een voordeur. Ik heb het gevoel dat ik het daar en dan had moeten voorkomen. Een hand reikt en reikt en mist. We parkeren aan de Radesingel, het is er statig, het had een ambassadewijk kunnen zijn. We hebben hier een afspraak omdat alles in Amsterdam vol was. We willen per se voor de kerst. Een vriendelijke mevrouw laat ons de wachtkamer zien. Of we even plaats willen nemen. Er is automatenkoffie en stomme grapjes en veel goede moed. Dan naar beneden, nee dit doe ik even alleen. Ik kan die mevrouw wel omhelzen. Ze heeft grijs haar en een praktisch gezicht. Ze zit aan de behandeltafel en vraagt de vragen. Ik geef de antwoorden. We gaan ernaar kijken. We kunnen het nog niet waarnemen. Omdat we heel vroeg zijn, volstaat een set pillen. Dat is mooi. Dat is een meevaller te noemen. Dat is even diep uitademen. Er is een manier om dit te doen en dat is vandaag deze, onproblematisch. Het is een weg een verhaal uit, die rust en dankbaarheid meebrengt en de mogelijkheid op andere verhalen.

Eenmaal het verhaal uit denk ik aan een analyse van een literair criticus van de alleenspraak in het werk van Shakespeare. Hij schreef dat de spreker ervan zichzelf als het ware betrapt. Bijna per ongeluk hoort zij zichzelf terwijl zij spreekt. En zo, door zichzelf af te luisteren ontwikkelt het personage zich, vergaart zij inzicht voor haar volgende bewegingen. Wat me toch terugbrengt bij Beckett. Want het is vrij letterlijk wat Beckett doet in Krapp’s Last Tape. Krapp zit aan het bureau en luistert naar een bandopname van een jongere versie van zichzelf. Is ermee in gesprek. Hij zet de band stil, maakt notities, praat ertegen, luistert weer verder. Nooit wordt duidelijk wat hij zoekt. Het is een monoloog, en tegelijk een gesprek. Het probeert de tijd te vangen, terwijl de tijd doorloopt. Hij probeert het te verstaan. De tijd, zijn tijd.

Wat het is blijft ongewis. Het komt me voor dat het altijd maar kort valt waar te nemen. Alsof het knippert. Knippert, zoals je met je ogen knippert of trager zoals een vuurtoren knippert. Samenhang verschijnt en verdwijnt zoals de lichten van een auto voor je in een sneeuwstorm. Een lijn? Nee toch geen lijn. Een verband? Ja. Maar tijdelijk. Het is opgelost alweer, terug het donker van een diepzee in van voor het bestond.


Hannah van Wieringen is schrijver van toneel, proza en poëzie. Dit jaar waren van haar de stukken Als vrouwen vrienden zijn en All over – Acts of Love te zien