Worstelende Wetenschap #5

Wetenschappers moeten bescheiden zijn. En dat is nou net niet waar ze voor worden beloond

Joeri Tijdink doet onderzoek naar bedenkelijke onderzoekspraktijken onder medici. Juist kleine vergrijpen – selectief citeren, slordig werken, slecht begeleiden – komen vaak voor en hebben daarom veel impact. ‘Daar moet je je echt zorgen over maken.’

Het begon voor Joeri Tijdink toen hij nog geneeskunde studeerde. Nog wat onwennig liep de boomlange 21-jarige student over de gang, toen hij daar twee volwassen mannen ruzie zag maken. Hij bleef op een afstandje staan luisteren. De woordenwisseling ging over het auteurschap van een wetenschappelijk artikel, ving hij op. Hij stond perplex. ‘Ik vond het behoorlijk triest. Snapten ze nou echt niet waar het om draait in de wetenschap, en in het leven?’

Later besefte hij ook dat de farmaceutische industrie bij het testen van medicijnen altijd groepen patiënten selecteert die vaak niet representatief zijn voor de echte patiëntenpopulatie, puur omdat er dan meer kans is dat er gunstige resultaten uit hun studies rollen – dat die resultaten weinig betekenen voor ‘echte’ patiënten doet er blijkbaar minder toe.

Al snel rees bij Tijdink het vermoeden dat het voor veel wetenschappers niet alleen maar gaat over waarheidsvinding, of het verbeteren van de wereld. Hij merkte het in alledaagse observaties. ‘Had je bij de koffieautomaat een gesprekje met collega’s of hoorde je een roddel op een afdeling, dan gaat dat niet over “hé ik heb die patiënt beter gemaakt”. Nee, dan gaat het over “ik heb in dit en dat tijdschrift gepubliceerd”, en de inhoud maakt eigenlijk helemaal niet meer zo veel uit, het gaat erom wat er op je naam staat.’

Geïntrigeerd door wat hij om zich heen zag, legde hij contact met een hoogleraar aan de Vrije Universiteit (prof. dr. Yvo Smulders) die zich naast zijn gewone onderzoek bezighield met het reilen en zeilen van de wetenschap. Samen zetten ze een onderzoek op naar de werkdruk en publicatiedruk onder medische hoogleraren, waarbij ze ook vragen stelden over integriteit. In 2011 brachten ze hun eerste resultaten naar buiten. Niet lang daarna kwam de zaak rond de frauderende sociaal psycholoog Diederik Stapel aan het licht en ineens was de studie hot. ‘Zaten we bij Pauw en Witteman en kregen we de mogelijkheid om vervolgonderzoek te doen.’

Zo startte de wetenschappelijke carrière van Joeri Tijdink, met als onderzoeksobject zijn eigen collega’s. Dit ‘research on research’ is een vakgebied dat sterk in opkomst is, mede dankzij de fraudeschandalen waarvan dat van Diederik Stapel het bekendste is. Eind mei kwamen ruim achthonderd internationale collega’s naar Amsterdam voor de wereldconferentie wetenschappelijke integriteit, georganiseerd door de onderzoeksgroep waar Tijdink deel van uitmaakt. Wat valt hem op aan de wetenschap? ‘Dat het steeds hijgeriger wordt.’

Zijn analyse wordt door steeds meer wetenschappers gedeeld, merkt Tijdink. Al is er ook weerstand. ‘Je hebt een groep die zegt bah wat een onzin, laten we gewoon alles bij het oude houden, we moeten hier niet te veel nadruk op leggen, want anders gaat iedereen denken dat wetenschap ook maar een mening is.’

Terwijl dat het laatste is wat Tijdink beweert. ‘Het is by far het beste wat we hebben, we hebben niks beters en het is zeker wel waardevol. Alleen moeten wetenschappers bescheiden zijn, en dat is nou net niet waar ze voor worden beloond.’

Neem wetenschappelijke artikelen. Die zouden een feitelijke weergave van de wetenschappelijke feiten moeten geven, maar wat blijkt uit onderzoek van een Utrechtse onderzoeksgroep waar Tijdink deel van uitmaakt: die zijn met de jaren almaar meer op reclamefolders gaan lijken. Ze bestudeerden de positieve woorden in de samenvattingen van wetenschappelijke artikelen, en ontdekten dat de afgelopen veertig jaar woorden als novel en outstanding steeds meer voorkomen, tot vier keer vaker dan in de jaren zeventig. Dat is enerzijds logisch: je abstract is wat een editor leest, en op basis daarvan beslist die of het door moet. Het probleem van die retoriek is dat als dat naar het publiek doorsijpelt het dan helemaal zijn kracht verliest omdat het publiek juist nuance nodig heeft over de wetenschap.

Zelf zwichtte hij er ook eens voor: ‘Toen we in 2011 bij Pauw en Witteman zaten, hadden we een sexy onderzoeksresultaat dat goed aansloot bij de val van Diederik Stapel. We hadden leuke resultaten, maar natuurlijk ook met heel veel beperkingen. Dat is lastig om die allemaal te verwoorden in een item van acht minuten.’

De afgelopen jaren deed Tijdink onderzoek naar ‘bedenkelijke onderzoekspraktijken’. Hij stelde samen met collega’s een rangorde op van ernstig naar minder ernstig en becijferde op basis van vragenlijsten hoeveel al die praktijken voorkomen. Belangrijkste conclusie: het lijkt erop dat de ernstigste fraude, het falsificeren, fabriceren en plagiëren van onderzoeksresultaten (‘FFP’), relatief weinig voorkomt en daardoor op de wetenschap als geheel weinig invloed heeft, maar dat minder ernstige vergrijpen veel vaker voorkomen en dus meer impact hebben. ‘Daar moet je je echt zorgen over maken.‘

Voorbeelden van die praktijken: het selectief citeren van alleen onderzoeken die stroken met je eigen resultaten om de reviewer of belangrijke collega’s blij te maken, het niet publiceren van relevante negatieve resultaten, het aanpassen van resultaten onder druk van een sponsor, slordig werken, eerlijke (maar te voorkomen) fouten maken en het slecht begeleiden van jonge onderzoekers.

Dat laatste klinkt niet als een bedenkelijke onderzoekspraktijk, maar dat is het wel, benadrukt Tijdink: ‘Sommige promovendi worden op een kamer gezet met een scherm en na drie maanden komen ze er pas erachter wie hun promotor is. Soms hebben ze geen idee wat er van ze wordt verwacht. Toen ik als psychiater werd opgeleid, had ik voortdurend mensen die met me meekeken zodat ik een goede psychiater zou kunnen worden, voor een wetenschapper zou dat ook moeten gelden. Dat gebeurt niet. Bovendien is het ook vreemd dat de jongste bediende, want dat is de promovendus in feite, het onderzoek moet uitvoeren. In feite is dat het meest verantwoordelijke werk.’

Zijn psychiatrische achtergrond typeert Tijdinks kijk op de wetenschap. In zijn vrije tijd werkt hij aan een boek, met als werktitel De wetenschapper op de sofa. Het wordt een soort zelfhulpboek dat de wetenschapper helpt te overleven. Het is gebaseerd op het in de psychiatrie gehanteerde biopsychosociale model. ‘Bio’ dat is je genetische predispositie, ‘psycho’ dat is hoe je in elkaar zit en ‘sociaal’ is je omgeving en die drie interacteren met elkaar. De meeste wetenschappers zijn van nature (bio) best integere mensen, maar aan iedereen zit wel een rafelrandje. Psycho dat is hoe je omgaat met al die prikkels en alle beloningsstructuren in de wetenschap. De cultuur is je sociale omgeving: hoe gaan je collega’s met jou om, en met wetenschappelijke integriteit.

Wat hij vooral heeft geleerd van zijn eigen onderzoek naar het wetenschappelijk bedrijf? ‘Dat we wetenschap niet bedrijven om de waarheid te achterhalen maar dat we de twijfel over een bepaald onderwerp of over een bepaalde vraag kunnen verminderen. We komen niet bij de waarheid, maar we komen wel iets dichterbij. Eigenlijk vind ik dat wel een heel geruststellende gedachte. Ja, een beetje cynisch is het wel, maar niet deprimerend. Vrolijk sceptisch, ja dat is volgens mij de ideale houding.’

Waarom we die objectieve waarheid nooit echt bereiken? Dat is eigenlijk zijn lievelingspunt, als psychiater, zegt Tijdink: ‘Onze stemmingen hebben ongelooflijk veel invloed op hoe wij ons gedragen. We proberen rationeel te zijn, maar ondertussen nemen we allemaal beslissingen met onze intuïtie en op onze onderbuik. Dus een rationele hobby als wetenschap is gewoon ongelooflijk moeilijk. We proberen de subjectiviteit op allerlei manieren uit te schakelen, maar dat kan eenvoudigweg nooit helemaal.’

‘Als jij een promovendus bent en je hebt een chagrijnige hoogleraar die op je loopt te mopperen, dan zorg je de volgende keer dat je iets aan hem presenteert dat er wel publiceerbare data uit komen waar hij een beetje blij van wordt. Dan ben je echt niet meer bezig met “is dit wel of niet integer”, je bent gewoon bang dat hij weer boos op je wordt. De kans dat zulke dingen gebeuren is gewoon best wel groot. We zijn mensen, we zijn niet altijd even integer en rationeel. We zijn vooral ook emotionele wezens.’