Worstelende Wetenschap #10

Wetenschappers moeten vaker te rade gaan bij hun geweten

Herman Paul onderzoekt wat men in de negentiende eeuw verstond onder een goede wetenschapper. In discussies over samenwerking met de industrie kwam destijds een felle afkeer van geldzucht naarvoren – geld en toewijding aan de waarheid zouden niet samengaan. ‘Ik denk dat we de morele reserves bij geld als perverse prikkel verloren zijn geraakt.’

Het idee ontstond tijdens een etentje in een Chinees restaurant, niet ver van de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen (KNAW) in het centrum van Amsterdam. Aan tafel zat de net benoemde lichting 2013 van de Jonge Akademie, een eliteclubje van tien toponderzoekers aangesteld door de KNAW. Naar aanleiding van de ontmaskering van Diederik Stapel kwamen er om hen heen allerlei initiatieven op gang om onderzoekers te gaan trainen. Initiatieven om ervoor te zorgen dat een toekomstige generatie wetenschappers zich niet zou inlaten met het falsificeren, fabriceren en plagiëren van wetenschappelijk onderzoek.

‘Maar ergens voelden we dat dat niet voldoende zou zijn’, vertelt Herman Paul (1978), als historicus werkzaam aan Universiteit Leiden en één van onderzoekers die deelnam aan een brainstorm aan die tafel in dat Chinese restaurant. ‘Wat we al snel concludeerden, was dat die frauduleuze praktijken zich voor de meesten op veilige afstand afspelen. Maar ondertussen hadden we allemaal dagelijks te maken met een worsteling van morele aard. Want wat is nu eigenlijk goede wetenschap? Wat is een goede wetenschapper? We hadden het gevoel dat we op dat vlak zelf ook niet met schone handen stonden. We maken allemaal keuzes en hebben allemaal gewoontes ontwikkeld waarvan je je kunt afvragen of ze de wetenschap ten goede komen.’

Ze besloten alle leden van de Jonge Akademie te gaan doorzagen over hun morele dilemma’s. Daarover zouden ze samen met een professioneel theatergezelschap een satirisch theaterstuk maken: Gewetenschap. Eind 2014 kwam het stuk op de planken.

Alle belangrijke wetenschappelijke dilemma’s kwamen in de voorstelling aan bod: het behartigen van je eigen belang versus je dienstbaar opstellen aan je directe collega’s. Collegialiteit versus competitie. De strijd om wiens naam boven het artikel mag staan, en in welke volgorde – de eerste (uitvoerende) en laatste (leidende) auteur zijn immers het belangrijkst. De vraag hoe ver je moet gaan om geld binnen te halen voor onderzoek, door bijvoorbeeld mee te gaan in een hype of onderzoeksresultaten beter te presenteren dan ze zijn.

‘Er zit een scène in over de voortdurende eis om uit te leggen wat de maatschappelijke waarde van onderzoek is’, zegt Paul. ‘De verhalen die daar op worden opgehangen en vooral het sociaal wenselijke proza dat daar aan te pas komt om te zorgen dat je net niet liegt of science fiction vertelt… Bij ervaren wetenschappers tref je vaak een soort fingerspitzengefühl aan, zo van “dit is wat de beoordelingscommissie wil horen, dit is waar je mee weg komt, dit is wat de norm is waaraan je moet beantwoorden.“ Terwijl je zou denken dat wetenschappers worden opgeleid tot autonome, kritische denkers.‘

En ja, ook Paul herkent zichzelf in die scène. ‘Ik herinner me een student die ik had begeleid bij haar scriptie. We gingen vervolgens een subsidie-aanvraag doen voor een promotieproject en ik gaf haar feedback op de eerste versie: “Dit is niet spannend genoeg en dit moet allemaal een beetje grootser en ruimer.” Ze keek me aan van “dit staat wel haaks op wat je mij de afgelopen twee jaar geleerd heb. Toen ging het allemaal over nuance en keurigheid en verantwoorden en nu ben je opeens een salesman aan het worden.” Dat was natuurlijk wel even een pijnlijk momentje.’

Extra pijnlijk, want dit soort dilemma’s en vraagstukken staan nota bene centraal in Pauls eigen onderzoek. Als historicus bestudeert hij namelijk wat men in de negentiende eeuw verstond onder een goede wetenschapper. ‘Het ging in die tijd heel erg over karaktereigenschappen die iemand zou moeten etaleren. Ook nu nog kunnen we die vraag stellen: hoe moet je je gedragen? Niet op papier of op je cv, maar gewoon, in de dagelijkse praktijk, als promotor van een jonge onderzoeker, als beoordelaar van artikelen, als organisator van een congres en alle andere petten die we op hebben. Die aandacht voor de academic self hebben we in deze tijd nodig. Dat zou een heilzame correctie zijn op de protocollisering, die de neiging heeft te zeggen: "als je deze papieren grens niet overschrijdt, dan vallen we je niet lastig.”’

In de negentiende eeuw woedde er een felle discussie over samenwerking met de industrie. ‘Scheikundigen konden zoiets als kunstmest patenteren en daar rijk van worden, of carrière maken in de verfindustrie. In die discussie kwam heel sterk de klassieke christelijke afkeer van geldzucht naar voren: dat was de wortel van het kwaad. Toewijding aan de waarheid gaat niet samen met liefde voor geld en the love of fame. Het hele idee van pure wetenschap versus toegepaste wetenschap is in die tijd geboren.’

In de twintigste eeuw kwamen de grote private fondsen op, zoals de Rockefeller Foundation en de Carnegie Foundation en later onder meer de Gates Foundation. ‘Er zijn toen grote peilingen gedaan onder wetenschappers, in welke mate zij dachten dat onderzoeksfinanciering door een competitief systeem van beurzen wetenschappelijk werk zou corrumperen. Veel wetenschappers waren daarvan overtuigd en vooral de geesteswetenschappers, die er het verst vanaf stonden, waren erg sceptisch.’

Bij het grote publiek leeft het wantrouwen rondom geld en wetenschap nog steeds. Maar in de wetenschap zelf is er veel veranderd. De overheid moedigt onderzoekers tegenwoordig aan tot samenwerkingen, onder meer via subsidies die alleen beschikbaar zijn voor onderzoekers met commerciële partners. En ook het overheidsgeld krijgen onderzoekers niet meer zomaar, ze moeten er de competitie voor aan.

Paul is benieuwd hoe wetenschappers tegenwoordig nu echt denken over de invloed van het geld. Samen met een aantal collega’s gaat hij in Nederland en Zwitserland de peilingen uit de vorige eeuw herhalen. ‘We verwachten een totaal ander beeld. Het mag dan bon ton zijn om te klagen over onderzoeksfinancier NWO, maar iedereen doet mee aan de competitie om het geld. Ik denk dat we de morele reserves bij geld als perverse prikkel verloren zijn geraakt.’


Tips en reacties via devrieze@groene.nl. Hier vind je de Facebook-pagina. En discussieer mee via de Facebook-groep Worstelende Wetenschap.