Ger Groot

Wetenschapsmoe

Benijdenswaardig is iemand die op zijn elfde een opstelwedstrijd wint en als prijs daarvoor een dag met Swiebertje op stap mag. Het was 1963, de leutige televisiezwerver was de held van kinderen en volwassenen en Hans van Driel was nog lang geen universitaire mediaonderzoeker. Hij was wel de winnaar van wat een dag van kindergeluk moet zijn geweest.

In de bundel Bij die wereld wil ik horen! (Uitgeverij Boom) vertellen 36 wetenschappers welke gebeurtenis hen op het spoor van het academische leven heeft gezet. Ook Hans van Driel, die daarbij niet naar Swiebertje wijst, maar naar de moord van Kennedy in hetzelfde jaar. Op school bad de leraar de volgende ochtend tot zijn ontsteltenis niet alleen voor de ziel van de president maar ook van diens moordenaar. Haat en mededogen bleken niet zo duidelijk te scheiden te zijn als op dat moment wel passend leek en dat schokte zijn wereld.

Later moest Van Driel vaak aan zijn leraar terugdenken, als degene die hem voor het eerst de tweeslachtigheid van de wereld liet ervaren. Opvallend vaak wijzen de wetenschappers in dit boek personen aan als de factor die hen op het pad van hun roeping heeft gezet. Inspirerende docenten, maar ook een naamloze zwerver, een bevriende dirigent en zelfs een erudiete oud-cultuurfascist, eenzaam wonend buiten het dorp waar hij met de nek werd aangekeken.

Vorming vindt nu eenmaal zelden plaats op de wijze die het onderwijs verwacht, heeft Bertrand Russell ooit geschreven. Eén columnschrijver haalt hem dankbaar aan en de anderen lijken dat om het hardst te willen bevestigen. Zij vertellen over hoogleraren die met hun studenten tot diep in de nacht doorzakten of bij het lesgeven op aanstekende wijze buiten het boekje gingen. Net als de goede raad niet te «nuttig» te willen studeren, klinkt dat vandaag de dag even nostalgisch als behartigenswaardig – alsof in het hoger onderwijs Swiebertje nog altijd allemansvriend was.

Misschien heeft Hans van Driel daar iets van gevoeld toen hij zijn jeugd geluk – zo dicht aanschurkend tegen zijn latere onderzoeksveld – wegstopte in zijn cv’tje onder zijn Kennedy-column. Zelfs als we de universitaire bureaucratisering buiten beschouwing laten, is de wetenschap maar al te vaak hard en dor, als de acedia waarin middeleeuwse monniken vaak jarenlang de mystieke godservaring moesten ontberen. En soms houdt haar bekoring definitief op en verliezen de boeken, de theorie en de discipline hun glans. Menige academicus eindigt zijn loopbaan als bestuurder, omdat hij het in zijn vak wel heeft gezien.

Blijft er dan nog iets over van de academische roeping waarover deze bundel gaat? De wetenschapswereld belijdt haar als haar wezen en haar hoogste goed – waarachter dus niets anders meer schuilgaat. Daarin houdt ze zichzelf kennelijk voor de gek, en ook dat verklaart de nogal gesloten tevredenheid van deze bundel. De toon past bij de beste aller werelden die de universiteit in haar eigen ogen is en ontgoocheling klinkt niet prettig bij het heffen van het glas.

Toegegeven: kennis is beter dan onwetendheid en doorzicht beter dan onbenul. De intellectuele vorming die Henk Procee in drie essays in deze bundel verdedigt wenst men ieder toe. Maar haar gestalte blijft even ongewis als haar verworteling in de academie, hoezeer die laatste haar ook tot haar taak uitroept. Wat zij heeft uit te staan met wetenschap is gehuld in een nevel die misschien alleen door een zekere verzadiging kan worden verjaagd.

Wat Bildung betekent na de wetenschap, is geen vraag waarvoor je naar jeugd ervaringen terug moet. Zuiverder dan in die diffuse verwachting komt ze naar voren in de loutering van de midlife blues, die ook de academicus treft. Wat haar vorming werkelijk behelst, weet pas wie de wetenschap een beetje moe geworden is.