‘We zijn tot de slotsom gekomen dat we een oerhollands bedrijf zijn’, stelde Peter Berdowski in 2012 in de Volkskrant. Tien jaar later lijkt van dat oranjegevoel weinig over bij de ceo van baggeraar Boskalis, bekend van het vlottrekken van de tanker die het Suezkanaal blokkeerde. Eerder zinspeelde de 65-jarige Gummbah-fan in De Telegraaf al op een vertrek uit Nederland. Deze maand herhaalde hij die waarschuwing in het FD. ‘Als ik naar Den Haag bel, ben ik nergens welkom. In Den Haag wordt de industrie, maar zeker het grootbedrijf met de nek aangekeken.’

Zulke chantage – vaak voorafgegaan door de woorden ‘dit is geen dreigement’ – is niet nieuw. Maar het vertrek van de hoofdkantoren van eerst Unilever en daarna Shell heeft de discussie op scherp gezet. Van die twee multinationals kun je nog hopen dat het uitzonderingen waren. Beeldbepalend voor de Nederlandse economie, dat zeker, maar al die tijd al half Brits. Zou een gerenommeerd concern als het in 1910 in Sliedrecht ontstane Boskalis hun voorbeeld volgen, dan leidt dat onherroepelijk tot paniek. Het is niet ondenkbaar dat het kabinet in zo’n geval alsnog door de knieën gaat. Bang om steeds meer hoofdkantoren, werkgelegenheid, beursnoteringen en economisch prestige te verliezen.

Gelukkig hoeft het niet zo te lopen. In zijn reconstructie van het Nederlandse debat over belastingontwijking beschrijft Diederik Baazil het moment dat Jesse Klaver twee hoge vertegenwoordigers van oliegigant ExxonMobil en de Amerikaanse bedrijvenlobby op de koffie krijgt. Het is 2012. Nederland kampt met een recessie. De GroenLinks-leider wordt verweten dat zijn verzet tegen ’s lands fiscale lokkertjes een gevaar vormt voor de werkgelegenheid. ‘Daar wil je als linkse politicus toch niet verantwoordelijk voor zijn?’

Tien jaar later telt Nederland anderhalf miljoen banen meer dan toen én zijn de plannen van oppositieleden als Klaver mainstream geworden. Een brede mondiale coalitie werkt aan een minimumbelasting voor bedrijven. Mede onder internationale druk heeft ook onze regering de koers verlegd, zij het aarzelend.

De Nederlandse koopman en dominee blinken van oudsher uit in hypocrisie

Wat opvalt is hoe Nederland voor die tijd zonder blikken of blozen met twee maten mat. ‘Jarenlang trokken Nederlandse ministers van Financiën door Europa om landen te vertellen hoe ze hun overheidsfinanciën op orde moesten krijgen’, blikt de belangrijkste oeso-onderhandelaar terug. ‘Tegelijkertijd leidde hun gebrek aan actie tegen belastingontwijking bij diezelfde landen tot miljarden lagere belastinginkomsten.’

Deze beruchte dubbele standaard speelt ook een hoofdrol in de Boskalis-ophef. Steen des aanstoots voor het concern is de voorgestelde Wet verantwoord en duurzaam internationaal ondernemen. Die moet ervoor zorgen dat bedrijven zich ook in het buitenland aan de in Nederland geldende normen houden. Denk aan: niet de andere kant op kijken als ergens in de waardeketen een toeleverancier gebruikmaakt van kinderarbeid. Of als de natuur verwoest wordt. Het wetsvoorstel wil, met andere woorden, iets doen aan de hypocrisie waarin de Nederlandse koopman en dominee van oudsher uitblinken.

Natuurlijk moet zo’n maatregel niet dusdanig vaag blijven dat bedrijven, zoals Berdowski van Boskalis vreest, een speelbal worden van wispelturige rechters die telkens andere oordelen vellen. En uiteraard is het wenselijk dat dit soort wetgeving in heel Europa tegelijk wordt ingevoerd. Maar iets doen aan de ethische spagaat, waarbij ceo’s in Nederland de schitterendste beloften doen, om zodra ze de grens oversteken hun geweten uit te schakelen: waarom niet?

Dat is het mooie aan dubbele standaarden. Vanaf het moment dat het overgrote deel van de bevolking ze als zodanig begint te herkennen, zoals bij het Nederlandse belastingparadijs, wordt het lastig ze overeind te houden.