Theun de Vries, getuige van een eeuw

Wetten der dialectiek

Daan Cartens en Muriël Steegstra (red.)

Vervolg je weg en laat de lui maar dazen!

Theun de Vries, getuige van een eeuw

(Schrijvers prentenboek 49)

Uitg. Querido, 182 blz., € 19,50

Een van de nare kanten van het bereiken van een hoge leeftijd is dat al je vrienden overlijden. Een bijkomend voordeel is dat ook je vijanden één voor één het loodje leggen. Misschien is dit een van de oorzaken van het feit dat dikwijls vertederd wordt gereageerd op mensen die de honderd naderen. Zo werd een paar jaar geleden over Arthur Lehning positief geschreven door mensen die vroeger zijn politieke denkbeelden verwerpelijk vonden. In 1995 werd de omstreden schrijver Ernst Jünger omhelsd door vertegenwoordigers van de «generatie van ’68», die hem jarenlang hadden verketterd als nazi-estheet en oorlogsverheerlijker.

Een overtuigd hegeliaan zal in dit fenomeen het zoveelste bewijs zien van de juistheid van het dialectische leerstuk dat kwantiteit op een zeker moment vanzelf omslaat in kwaliteit. Hetzelfde mechanisme zien we nu optreden bij de inmiddels 96-jarige Theun de Vries. Decennialang werd hij vanwege zijn communisme met argusogen bekeken en zette een deel van de literaire kritiek zijn werk weg als sociaal-realis tisch vertellersproza voor een breed publiek.

Nu lijkt de erkenning te komen, en deze zomer was in het Letterkundig Museum een tentoonstelling gewijd aan leven en werk van De Vries, een schrijver die zelf moet hebben geloofd in de wetten der dialectiek. Zijn enorme productie doet vermoeden dat hij ervan overtuigd moet zijn geweest dat als je maar in stachanovistisch (Stachanov was een Russische «stootarbeider» die de in het eerste Vijfjarenplan gestelde productienormen vele malen overschreed) tempo romans produceert, er vanzelf wel een meesterwerk tussen zit. Zelf heb ik een klein deel van De Vries’ oeuvre gelezen, maar uit de artikelen in het bij de tentoonstelling behorende «schrijversprentenboek» spreekt dat dit toch niet helemaal is gelukt.

In zijn overzicht van het gehele werk is August Hans den Boef onder de indruk van de verbijsterende omvang van het oeuvre, maar erg enthousiast over de inhoud lijkt hij niet. Ook kunsthistoricus Evert van Uitert, die over de kunstenaarsromans van Theun de Vries schrijft, blijkt geen groot bewonderaar. Waar De Vries in deze romans zelf zaken moest verzinnen, zijn de passages waarin die verzonnen zaken voorkomen meestal clichématig. En hij moest veel verzinnen, aangezien alleen van Van Gogh veel egodocumenten bewaard zijn gebleven. «Bovendien schreef Van Gogh voortreffelijk zodat je beter zijn brieven kunt lezen dan de roman van Theun de Vries.»

Over De Vries’ eerste, en bekroonde, roman Rembrandt (1931) citeert Van Uitert een aantal uitgesproken negatieve recensies. Dat de literatuurhistoricus J.A.N. Knuttel het boek in het communistische dagblad De Tribune zelfs «een goddeloos prul» noemde, wordt niet vermeld. Nu was De Vries op dat moment nog geen lid van de communistische partij, en hij zou pas na de oorlog in historisch-materialistische zin over Rembrandt schrijven. Hopelijk heeft Knuttel vanuit zijn graf meer waardering kunnen opbrengen voor de schrijver, aangezien deze op Knuttels be grafenis namens het CPN-bestuur het woord voerde.

De Vries’ relatie met de partij komt aan de orde in de bijdrage van Elsbeth Etty, die is gewijd aan zijn trilogie over de Februaristaking. Ook zij moet toegeven dat Februari geen literair meesterwerk is, al is het boek haar het meest dierbaar. Het was deze roman die haar bekeerde tot het communisme, en zo haar leven een beslissende wending gaf. Hoewel Etty later het apologetische karakter van het boek onderkende, is ze nog altijd van mening dat het een even indrukwekkende als juiste weergave van de dramatische gebeurtenissen uit februari 1941 is. Ze keert zich fel tegen de wetenschappelijke studies waarin het aandeel van de CPN in de staking enigszins wordt gerelativeerd. Een dergelijke visie moet volgens haar zijn ingegeven door «ouderwets anticommunisme». Een nogal merkwaardige uitdrukking, aangezien de auteur van een kritisch boek over de NSB nooit te horen krijgt dat zijn oordeel is ingegeven door «ouderwets antifascisme».

Wellicht is het flauw om Theun de Vries altijd maar weer vast te pinnen op dat communistische verleden, over die lofdichten op Stalin. Je moet een schrijver beoordelen op zijn werk, en wel op zijn beste werk. Zo schijnt Het motet voor de kardinaal bijvoorbeeld veel beter te zijn dan Februari, Het meisje met het rode haar, 1848, WA-man en Rembrandt, en is zijn Spinoza -biografie een fraai boek. Maar het probleem is, en dat is na het lezen van dit schrijversprentenboek niet minder geworden, dat ik De Vries altijd blijf zien als iemand die met alle geweld een schrijver wilde zijn, die er zo graag bij wilde horen, zonder dat hij echt over een heel groot talent beschikte. Het lukt me nooit om te vergeten dat Jef Last in Mijn vriend André Gide schreef dat De Vries in de jaren dertig jaloers was op zijn vriendschap met de wereldberoemde Gide, en vroeg: «Kun je mij geen introductie bezorgen… of is het daarvoor ook nodig dat ik met hem naar bed ga?»

De tentoonstelling in het Letterkundig Museum te Den Haag is nog te zien tot en met 7 september

>