Margriet de Moor, De kegelwerper

Wezenloos

Margriet de Moor
De kegelwerper
Contact, 143 blz., 16,90

Sinds jaar en dag, in weer en wind, staat in de beschutting van de pui van De Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein een man in een kort, hoog opgetrokken voetbalbroekje en een duikbril op het hoofd te jongleren. Met een maniakale ernst gooit hij onophoudelijk zijn kegels in de lucht en meestal weet hij ze wel op te vangen. Hij kijkt verder niet op of om, hij doet dit gewoon, dag in, dag uit, de voorbijgangers mogen er zelf ziektebeeld, drugsverleden, gefnuikte levenswandel of genialiteit bij bedenken.

Margriet de Moor moet ook zo’n voorbijganger zijn. Ze heeft in ieder geval vast aan hem gedacht toen ze haar personage ontwierp voor haar nieuwe roman De kegelwerper. Pieter heet hij bij haar, Pieter Newton, en ze situeert hem in de jaren vijftig. «Pieter was een jongeman, ernstig van aard, die ondanks de oorlogsjaren het gymnasium had afgemaakt. Hoewel hij veel-, echt zeer veelbelovend was, brak hij al in het eerste jaar aan de universiteit met de theoretische natuurkunde om op te gaan in de sensaties van het spel met de zwaartekracht. Op een windstille middag, vlak voor de zomervakantie, kon men hem voor het eerst erg gewaagd, namelijk met vier borden van Delfts aardewerk, zien staan jongleren op het Frederiksplein, daar waar vroeger het Paleis voor Volksvlijt had gestaan en waar later godbetert De Nederlandsche Bank zou verrijzen.»

Dit is ook meteen het meest heldere wat er over deze De Moor te melden valt. Want wat een raar boek is dit. Afgezien van «leuk» is «raar» weliswaar een van de domste kwalificaties die je op een boek kunt loslaten, maar soms is het blijkbaar toch de enige die in de buurt komt van wat je wilt zeggen. Inderdaad, zo raar is het. Nu geldt altijd voor het werk van Margriet de Moor dat het net langs de rand scheert. Zowel langs de rand van het vage en etherische, als langs de rand van het grammaticale. In haar beste werk, de verhalen uit Op de rug gezien (1988), Dubbelportret (1989) en de romans Zee-Binnen (1999) en Kreutzersonate (2001), is er voldoende inhoudelijke urgentie en stilistische kracht om de lezer aan wal te houden en zelfs te betoveren. Bij het lezen van haar grotere romans, bijvoorbeeld Eerst grijs dan wit dan blauw (1991) en De verdronkene (2005), houden irritatie en fascinatie elkaar in wankel evenwicht. Haar werk laat je echter niet onberoerd, en dat is al heel wat.

De gedachte dringt zich op, zeker door de lof waarmee bijvoorbeeld The Kreutzer Sonate in de Verenigde Staten werd ontvangen, dat haar schrijfstijl in vertaling wel eens meer tot zijn recht zou kunnen komen. Haar stroeve dialogen (dieptepunt in De kegelwerper: hospita begroet huurder met de woorden: «Meneer Pluut! U weer eens hier. Wat een vreugde!»), haar staccato verteltrant die een maniertje dreigt te worden («De slaperigheid hier onder de lamp. De ineengezakte antipodist, mond open»), haar voorkeur voor moeilijke woorden (zie het vorige citaat) en houterige omslachtigheid («Hij stak de straat over en stapte op haar af, wat hij niet had hoeven doen want ze had hem niet eens opgemerkt»); wellicht geeft een vertaling deze eigenaardigheden net de poëtische dimensie die ze in het Nederlands missen.

De kegelwerper gaat over een groep artiesten, die met entr’actes optreden in clubs, bioscopen en theater. Verder hebben ze gemeen dat ze logeren in een pension aan het Rembrandtplein. De Moor voert onder anderen twee dwergenvrouwtjes op en de dikke man die hen op zijn voeten laat balanceren, het meisje Daisy, dat iets met een duif doet, de jongleur Pieter dus en de goochelaar Charles Pluut. Vooral om die laatste twee gaat het. Pluut wil dat Pieter hem mag (waarom?) en gaat heel ver om diens sympathie op te wekken. Absurde verwikkelingen zijn het gevolg.

Misschien moet je geen realistische maatstaven loslaten op het verhaal, maar gewoon een beetje meegaan met de frivole verteltrant van De Moor. Meer dan ooit benadrukt ze in De kegelwerper althans het kunstmatige van het schrijven door een alwetende verteller op te voeren. «Maar we lopen op de zaken vooruit», schrijft ze bijvoorbeeld. Of ze herintroduceert iemand na een uitweiding over een ander personage aldus: «Pieter, over wie het wel degelijk nog aldoor gaat (…).» Waarom doet ze dat? Welk effect beoogde ze? Distantie? Vervreemding? Leut? In de praktijk is het effect in ieder geval een _Herenleed-_achtige wezenloosheid, met landerige scènes waarin voornamelijk iedereen elkaar «Goeiemiddag» toevoegt. De schrijfster zelf wekt de hele roman door de indruk alsof ze een beetje met vakantie is en de boel eens lekker laat komen zoals het komt. De lezer blijft daarbij in de kou achter en rest weinig anders dan haar uit te zwaaien en te denken: het zal wel.