Wezenloos gewervel

Derwisjen uit Konya: 2 november (De Doelen te Rotterdam) en 4 november (Hasselt, Belgie).
In sommige culturen is muziek geen zelfstandige kunstvorm maar onderdeel van een veelomvattende sociale ceremonie. En soms is dat maar goed ook - zoals in het geval van het soefigezelschap uit het Turkse Konya, dat deze weken op uitnodiging van de uitwisselingsorganisatie Kulsan een toernee door Nederland maakt. Het louter muzikale gedeelte voor de pauze was behoorlijk saai: een slepende, klaaglijke muziek waarbij de stem vloeiend van de ene toon naar de andere glijdt of er als in een cirkelbeweging omheen beweegt. Het kleverige legato wordt op z'n hoogst doorbroken door tokkelende instrumenten zoals de citer. Zelf kan ik deze muziek niet horen zonder beelden van een balkanrestaurant op mijn netvlies en de geur van gegrild vlees in mijn neus te krijgen.

Tegelijk geeft dat aan hoe groot de invloed van de religieuze soefimuziek op de Turkse volksmuziek is geweest. De soefibeweging ontstond in de dertiende eeuw na de dood van de filosoof-kunstenaar Mevlana, die in 1273 in Konya stierf. In de filosofie en levenswijze die Mevlana ontwierp, gingen muziek, dans, poezie en literatuur hand in hand met sterk mystieke opvattingen waarin liefde de bron en zin van alle leven is. Waar in andere godsdiensten meditatie een middel vormt om tot hogere inzichten te komen, gebruikte Mevlana de dans om in trance te raken en mystieke extase te bereiken. Zo was hij zelf een van de eerste draaiende of tewel wervelende derwisjen.
In deze eeuw werd de soefi-orde op bevel van Ataturk ontbonden. Met name het mystieke karakter van de religie vond hij bedreigend en ondermijnend voor een modern, westers Turkije. Het gezelschap dat nu in Nederland optreedt, werd pas enkele jaren geleden onder staatstoezicht opgericht en heeft vooral tot doel een eeuwenoude traditie te conserveren. Dat is volkomen terecht: een optreden van de wervelende derwisjen tart elke beschrijving.
De ceremonie - de sema - komt uiterst traag op gang. Na het muzikale deel dat als opwarmertje dient, stroomt het podium vol met zangers, musici en dansers. Een voor een maken ze een buiging - een gebaar dat het optreden van begin tot eind begeleidt. Wie denkt dat nu het draaien kan beginnen, vergist zich. De muzikale opwarming wordt kalmpjes voortgezet, met dat verschil dat de solozanger nu een concentratie en intensiteit uitstraalt die de kijker bij de lurven pakt. Daarna volgt een kale solo op de (voor de soefimuziek zo karakteristieke) rietfluit en na een heel ritueel van plichtplegingen beginnen de dansers, gekleed in hagelwitte rokken en jasjes en met een fez op het hoofd, te draaien. Het hoofd een tikje opzij gebogen en de armen op schouderhoogte in de lucht geheven draaien ze om hun as. De beweging is volkomen gelijkmatig - van een accelerando zoals in de Bolero van Ravel (verfilmd door Claude Lelouch in Les uns et les autres) is geen sprake. Het draaien wordt op gezette momenten onderbroken door een korte religieuze plechtigheid. Eigenlijk is het heel simpel: begeleid door het slepende ritme en de sonoor zingende zangers draaien de derwisjen rond. Ze draaien en draaien en draaien… Het duurt even voor je je realiseert dat zich hier iets haast bovenmenselijks afspeelt. Want aan het gedraai lijkt geen einde te komen. Op den duur geloof je je ogen niet meer.
Fascinerend is de wisselwerking tussen de dansers en hun omgeving. De derwisjen zijn, met een wezenloze uitdrukking op het gezicht, volkomen in zichzelf gekeerd en het draaien lijkt uit een innerlijke kracht voort te komen. Maar tegelijk worden ze omhuld door de muziek en zijn beweging en ritme volledig met elkaar verknoopt. Toch is het indrukwekkendste moment wanneer de instrumenten zwijgen en de derwisjen geheel op eigen kracht doordraaien. Het draaien is een autonoom proces geworden, slechts begeleid door het ruisen van de rokken en een enkel pingeltje van de langhalsluit. Zinsbegoochelend.