What the fuchsia, Zwanet

In de vorm van een klassieke opkomst-bloei-en-vervalboog vertelt A.F.Th. van der Heijden in zijn Tandeloze tijd-deel Stemvorken over de amour fou van twee vrouwen. Voor het eerst is zijn verteller een vrouw.

Wanneer verdient een boek het om dik te zijn? Die vraag wierp Ian McEwan eens op in een radio-interview, waarin hij polemisch stelling nam vóór de korte roman en tegen al die omvangrijke pogingen tot de conceptie van de zoveelste Great American Novel. Brutaal en kortweg stelde McEwan: ‘Very few novels earn their length.’

Raak is hier het woord ‘verdienen’. Natuurlijk maak je in de literatuur geen kosten-batenanalyse van leestijd versus opbrengst, maar bij een roman als Stemvorken, van nagenoeg dezelfde omvang als Mulisch’ De ontdekking van de hemel (bijna negenhonderd bladzijden), verwacht je wel monumentale dimensies die dit rechtvaardigen.

Je zou kunnen denken aan een panoramisch tijdsbeeld, zoals A.F.Th. van der Heijden al meesterlijk deed in eerdere delen van zijn cyclus De tandeloze tijd (Stemvorken vormt hiervan het achtste deel): de jaren zeventig en tachtig in Amsterdam, het milieu van Philips-arbeiders in Brabant, dat van Nijmeegse en Amsterdamse studenten, enzovoorts.

Hoewel Stemvorken vrij specifiek gesitueerd is in een tijd, eind jaren negentig, dompelt Van der Heijden ons ditmaal niet volledig in die wereld onder. Maatschappelijk rumoer en gewoel uit de buitenwereld zijn ver weg in dit verhaal dat zich hoofdzakelijk binnenskamers afspeelt. Twee vrouwen die zich in een amour fou storten, plus één echtgenoot, Albert Egberts, die toekijkt door het sleutelgat.

Ook de verhaallijn is er niet eentje die meteen schreeuwt om riemen papier en schema’s op behangrollen. Als Egberts zijn vrouw Zwanet voorstelt aan zijn jeugdliefde Corinne storten de twee vrouwen zich, allebei voor het eerst, in een lesbische ontdekkingsreis. Verliefd, Verloofd en Verloren zijn de drie deeltitels. Rond die klassieke opkomst-bloei-en-vervalboog kringelt nog een kleine, overigens erg sterke subplot, maar bomvol verhaalwendingen kun je dit boek allerminst noemen.

Het gaat in Stemvorken vooral om binnenruimtes. De lengte moet hier dan ook niet ‘verdiend’ worden door tijdsportretten of gebeurtenissen, maar eveneens door het innerlijk. Voor het eerst neemt Van der Heijden hiervoor zijn toevlucht tot een vrouwelijke ik-verteller. Zwanet reconstrueert haar avontuur met Corinne in een monologue intérieur, die nauwgezet, met de proustiaanse precisie die van meet af aan al de inzet was van deze romancyclus, alle interne nuances van deze driehoeksverhouding registreert, samen met die van alle ‘botaniseertochten langs de glooiende landschappen van onze lichamen’.

‘We gingen samen terug naar af om de liefde opnieuw uit te vinden, en zo eerdere amoureuze ontdekkingen teniet te doen. De maagdenreis naar het onbetreden voorland, waar alles nog nieuw en onbezoedeld was: maanstof voordat de adelaar er met zijn klauwen in landt en met een reusachtige spanwijdte van zijn vleugels alles aanveegt behalve zijn eigen poot-afdrukken.’

Het weelderige van zo’n homerische vergelijking toont hoezeer deze Zwanet in dictie en denkwijze toch heel dicht blijft bij hoe Albert Egberts klinkt (of: hoe A.F.Th. van der Heijden klinkt). De tekst komt nooit los van de invloedssfeer van de auteur, wat op een bepaalde manier maar goed is ook, want Van der Heijden is ook in dit boek virtuoos in zijn stijl, sculpturaal, eloquent. In alle registers klinkt het onmiskenbare stemgeluid, dat nu eenmaal gonzend, brons, vol en naar mijn idee ook erg masculien is. Ik kreeg het niet gekoppeld aan een vrouw.

Dat heeft niet zozeer te maken met een verboden feminiene ‘toe-eigening’, of hoe onze eigentijdse fantasiepolitie dat ook wil noemen, het gaat om het al dan niet overtuigende van zo’n toe-eigening. Bij Robbert Welagens recente roman Raam, sleutel – ook vanuit een vrouw, ook over een lesbisch avontuur – vergat ik dat de auteur man was. Bij Stemvorken vergeet je dat geen moment.

Bij 'Stemvorken' vergeet je geen moment dat de auteur man is, maar voor wie dat accepteert valt er genoeg te genieten

Behalve door die toon, komt dit ook doordat alle literaire verwijzingen van Zwanet naar mannelijke auteurs zijn, meestal in de vorm van: ‘Albert vertelde me over het priapisme waar Maupassant aan leed’, ‘Albert liet me ooit de oorspronkelijke, later verworpen proloog bij De avonden lezen.’

Daarbij helpt het ook niet dat Zwanet in algemene bespiegelingen, bijvoorbeeld over lichamelijk verval, het grote thema van dit boek, vaak vanzelfsprekend de man als voorbeeld neemt, zelfs bij haar eigen vergankelijkheid: ‘Vroeg of laat staat een mens oog in oog met de tweede spiegel: de ander. (…) Hij is dikker, oogt vermoeider, zijn doorlijnde gezicht is ongestut verzakt. Hier doet zich des mensen halsstarrige behoudzucht gelden. De man die op zijn vriend van lang geleden is toegestapt, wil er niet aan dat hij in een spiegel kijkt.’

Accepteer je die incongruentie en lees je deze roman minder als waarachtig of aannemelijk maar meer als een product van virtuoze taal en tomeloze verbeelding, dan valt er genoeg te genieten. Persoonlijk heb ik een zwak voor de bijtende Céline-achtige stem, die hier bijvoorbeeld klinkt bij een wandeling door het Amsterdamse Bos, waar Zwanet denkt aan de bouwers ervan: ‘Elke dag je kop laten inlijsten door het latwerk van een arbeidersloket, dat was mensonterend… handen uit de mouwen, de burger van Amsterdam snakte naar wat groen om zich tussen te verpozen.’

De meeste moeite om over de incongruentie tussen stem en personage heen te stappen had ik bij de eindeloze en ronduit eentonige erotische scènes, waar de dames telkens weer tot de ‘stemvorkligging’ overgaan – bij minder muzikale zielen bekend als de ‘schaar’. De eerste keer dat ze deze amoureuze acrobatiek uitproberen, houdt Corinne, ‘licht steunend’, ineens halverwege een hele redevoering: ‘Gek misschien, maar ik moet ineens aan Paganini denken. Ik las ergens dat hij in zijn landloperstijd optrok met een dronkenlap van een gitarist…’ Waarop weer een vrij rationele theorie volgt.

Dat Zwanet zelf die vrijpartijen in haar terugblikken steeds doorspekt met allerlei wijsgerige bespiegelingen valt nog te billijken, maar dat de vrouwen er zelf eloquente dialogen bij blijven voeren blijft toch een rare stijlbreuk. Zo lezen we, honderden bladzijden verderop, na een onverwacht krachtig orgasme: ‘“What the fuchsia, Zwanet… volgens mij was dit een geval van: kijk, mama, zonder handen. Godallemachtig.” “…en dan te bedenken”, zei ze zwaar ademend, “dat het geen enkel doel dient.”’ Hierna besluiten ze zo ook hun menstruatiebloed te gaan delen (“‘Gauw, een badlaken in bed’, riep ze, ‘dit is het moment voor het bloedzusterschap’”), waardoor de erotiek vooral komisch is en botst met de hoogdravende toon waarop Zwanet haar avontuur ophemelt.

En we moeten eerlijk zijn: het eindeloze herhalen van steeds dezelfde standjes, dezelfde opwinding, hetzelfde rillen van ledematen, samengeknepen orgasmes, en verhit nahijgen, het is te veel, en te eentonig. ‘Leven in de breedte’, dat aan Thomas Mann ontleende principe waarin een moment in de tijd zich vereeuwigt, draag je toch sterker over door de lezer dat proces in één zo’n uitzonderlijk moment te laten meemaken, in plaats van ettelijke malen, waarmee impact en inslagkracht juist afnemen. ‘L’enfer c’est la répétition’ liet Van der Heijden ooit als motto opnemen bij Het leven uit een dag (1988), waarin exact het omgekeerde gebeurt: de liefdesdaad is hier eenmalig, onherroepelijk de eerste en de laatste.

Gelukkig is er buiten de groteske en soms ronduit gore cocon van deze twee vrouwen, ook nog ruimte voor andere verwikkelingen. Tijdens haar werk bij de ongediertebestrijdingsdienst treft Zwanet een verwilderde, katachtige vrouw aan, die waakt bij het dode lichaam van een man. Er komt een psychiater bij, en we komen Tibbolt ‘Movo’ Satink tegen, de voetbalhooligan uit de Homo duplex-cyclus.

Die detectiveachtige lijn, die de thematiek van lichamelijk verval en dierlijke drift ondersteunt, is een welkome afwisseling, die wat mij betreft laat zien dat Van der Heijdens kracht het sterkst naar voren komt als hij zijn personages in het rumoer van de grotere wereld stort, of dat nu krakersrellen zijn (Advocaat van de hanen, De slag om de Blauwbrug) of de mh17-ramp (Mooi doodliggen), de moord op Gabrielle Cevat (Kwaadschiks), enzovoorts. Van der Heijden merkt het dramaturgische (of zo je wilt, de mythologische) potentieel op in de actualiteit en zijn personages worden vaak zo onvergetelijk doordat ze op de proef worden gesteld ín de confrontatie met die buitenwereld.

De roman Stemvorken is niet het magnum opus dat zijn omvang suggereert. Eerder behoort het tot wat in de terminologie van de auteur zelf een ‘satelliet-deel’ is in zijn planetarium, een terzijde, waarin een bijfiguur zich verzelfstandigt. Aanvankelijk was het boek aangekondigd als een aanmerkelijk compacter exemplaar. Het heeft de ingrediënten van een kleine roman en mede door de verschijning in deze al te uitbundige omvang blijft er een teleurstelling die niet valt te ontkennen. Stemvorken zou een wat eigenzinnig zusje kunnen zijn van bescheiden delen als Weerborstels (Boekenweekgeschenk 1992, 92 bladzijden), of De helleveeg (2016, 264 bladzijden).

Als Zwanets liefdesavontuur krachtiger en compacter was gebleven, was het boek beter in balans geweest en kon het verhaal over de ‘tijgervrouw’ prominenter schitteren. Daar zitten onvergetelijke momenten in, waarvan het zonde zou zijn als die zou worden bedolven onder de leesmoeheid na al die honderden bladzijden, zoals de prachtige, even weerzinwekkende als verbijsterende ontknoping tegen het einde, weergaloos goed geschreven. Als liefhebber van dit oeuvre weet ik dan genoeg om me op de vijf Tandeloze tijd-delen, vermeld als ‘in voorbereiding’, met een gerust hart te kunnen verheugen.