Menno Hurenkamp

Whim Dick

Die kan een internationale car rière toch vergeten moet Dik

se nior gedacht hebben, en hij noem de zijn zoon Wim. De geschiedenis liep anders. Wim Dik bracht het tot staatssecretaris van Buitenlandse Handel in de illustere kabinetten Van Agt I en II, en leidde het staatsbedrijf KPN naar de beurs. In het derdewereldblad Onze Wereld van maart vertelt Dik dat hij vindt dat Afrika opnieuw gekoloniseerd moet worden. We hebben ze het nou vijftig jaar laten proberen, zegt Dik, en kijk eens wat ze ervan gebakken hebben met al die miljarden van ons. Helemaal niets. Geld weg, iedereen arm, kinderen onder het snot, en het ergste van al, geen telefoon te bekennen. Geef hem en zijn vrienden («Shell, Unilever, ITT») de ruimte en hij zal eens de bezem door dat zootje halen. Optimistisch: «We pakken de draad weer op waar we hem hebben laten liggen.» Dreigend: «Ze zullen wel van het begin af moeten meewerken. Met de nadruk op werken.»

Heel goed, handen uit de mouwen. Met zo’n bringing-in-the-marines-actie van het bedrijfsleven kun je zelfs meer doen dan werkgelegenheid scheppen. In veel Afrikaanse landen woedt een aidsplaag. Ook dodelijke plagen als tbc, malaria en gele koorts willen maar niet verdwijnen. Er bestaan medicijnen, maar paradoxaal genoeg zijn die te duur of te goedkoop. De pillen kunnen niet worden gekocht omdat er een jaarsalaris voor betaald moet worden, of mogen niet gebruikt omdat het imitaties van het kost bare origineel zijn.

Dat komt door maffiapraktijken van de farmaceutische industrie. Geen lekkere jongens, deze «farma’s», die zich overigens ook in Nederland niet van hun beste kant laten zien. Omkopen van artsen is dagelijkse kost, en verder houden ze via patenten in toenemende mate kennis over onze gezondheid in eigen handen. Als oplossing lijkt het voor de hand te liggen die bedrijven te dwingen hun middelen en kennis met iedereen te delen. Ook logisch lijkt het van nationale overheden te verlangen meer in onderzoek te investeren, zodat mensen voor hun gezondheid nooit alleen van de markt afhankelijk zijn. Maar het dwingen tot goed gedrag is ook mislukt met het geven van ontwikkelingshulp, zoals Dik terecht constateert. En daarbij, vroeger dachten we van Shell ook dat het boeven waren. Dat bedrijf mag nu mee met Diks reddingsmissie. We moeten de farma’s niet te snel veroordelen.

Er is bovendien geen reden tot paniek over het gebrek aan medicijnen. Onlangs bleek een anti-snorcrème voor vrouwen een bijwerking te hebben tegen de slaapziekte — de laatste kwaal treft driehonderdduizend mensen in Afrika. Tegen de slaapziekte was toevallig geen medicijn meer op de markt, dus dat kwam goed uit. Een kolfje naar Diks hand, die over ondernemen in Afrika zegt: «Vuig winstbejag, nou en? Het netto effect is scholen en ziekenhuizen.» De farmaceutische industrie moet mee naar Afrika met Dik, Shell en ITT, en onderzoek doen naar haaruitval, kalknagels, tennis armen en nicotinetanden. Dan komt er vanzelf iets tegen aids uit het laboratorium. Ik zie onze man al met zijn oplossingen naar het podium lopen, in een stadion vol juichende Afrikanen. «Hello! I’m Mr. Dik!» en zelden zal Wim zoveel instemming hebben ontmoet.